Artikel 286 Wetboek van Strafvordering

Lid 1

De voorzitter ondervraagt de verdachte.

Lid 2

Is er meer dan één verdachte, dan bepaalt de voorzitter in welke volgorde de verdachten worden ondervraagd.

Lid 3

De voorzitter kan bepalen dat de verdachte buiten tegenwoordigheid van een of meer medeverdachten of getuigen zal worden ondervraagd.

Lid 4

Gedurende de verdere loop van het onderzoek kunnen aan de verdachte door de voorzitter, de rechters, de officier van justitie, de raadsman en de medeverdachte vragen worden gesteld.

Lid 5

Artikel 293 is van overeenkomstige toepassing.

Lid 6

Bij het verhoor van de verdachte wordt zo veel mogelijk onderzocht, of zijn verklaring op eigen wetenschap berust.

Dit artikel verwijst naar:

Wordt genoemd in: