Afdeling 3.2. Veiligheid
Artikel 3.8
Lid 1
Een bouwwerk is bestand tegen krachten die tijdens het beoogde gebruik op het bouwwerk worden uitgeoefend.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.8 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.8gebruiksfunctie
leden van toepassing
fundamentele
belastingscombinaties
bepalingsmethode niet-bezwijken
artikel
lid
*
1
2
1
Woonfunctie
a.
in een woongebouw
*
1
–
b.
andere woonfunctie
*
1
2
7
Logiesfunctie
a.
in een logiesgebouw
*
1
–
b.
andere logiesfunctie
*
1
2
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
*
1
–
Artikel 3.9
Een bouwconstructie bezwijkt niet gedurende de in NEN 8700 bedoelde restlevensduur bij de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in NEN 8700.
Artikel 3.10
Lid 1
Het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.9, wordt bepaald volgens NEN 8700.
Lid 2
Bij een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen woonfunctie of logiesfunctie kan bij het bepalen van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.9, rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van een op een aangrenzend bouwwerkperceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort.
Artikel 3.11
Lid 1
Een bouwwerk is bestand tegen brand zodat geen sprake zal zijn van instorting die een gevaar oplevert voor het vluchten of voor hulpverlening bij brand, gedurende een redelijke tijd.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.11 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.11gebruiksfunctie
leden van toepassing
tijdsduur niet-bezwijken
bepalingsmethode niet-
bezwijken
artikel
lid
1
2
3
4
5
6
1
2
1
Woonfunctie
1
2
–
–
–
–
1
2
2
Bijeenkomstfunctie
1
–
3
–
–
–
1
2
3
Celfunctie
1
–
–
4
–
–
1
2
4
Gezondheidszorgfunctie
a
met bedgebied
1
–
–
4
–
–
1
2
b
andere gezondheidszorgfunctie
1
–
3
–
–
–
1
2
5
Industriefunctie
1
–
3
–
–
–
1
2
6
Kantoorfunctie
1
–
3
–
–
–
1
2
7
Logiesfunctie
1
–
–
4
–
–
1
2
8
Onderwijsfunctie
1
–
3
–
–
–
1
2
9
Sportfunctie
1
–
3
–
–
–
1
2
10
Winkelfunctie
1
–
3
–
–
–
1
2
11
Overige gebruiksfunctie
a
voor het personenvervoer
1
–
3
–
–
–
1
2
b
andere overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
1
–
–
–
5
–
1
2
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
6
1
2
Artikel 3.12
Lid 1
Een vloer, trap of hellingbaan, waarover of waaronder een beschermde route voert, bezwijkt niet binnen 20 minuten bij brand in een subbrandcompartiment waarin die beschermde route niet ligt.
Lid 2
Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 3.12a aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan dat brandcompartiment. Dit is niet van toepassing op een bouwconstructie van een aan dat brandcompartiment grenzend subbrandcompartiment of grenzende buitenruimte.
Tabel 3.12a brandwerendheid met betrekking tot bezwijkenWoonfunctie
tijdsduur in minuten
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau
30
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau
60
Lid 3
Een bouwconstructie van een gebruiksfunctie met een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 m boven het meetniveau bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen 30 minuten door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.
Lid 4
Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 3.12b genoemde tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.
Tabel 3.12b brandwerendheid met betrekking tot bezwijkenAndere gebruiksfunctie dan een woonfunctie
tijdsduur in minuten
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau
30
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau
60
Lid 5
Een bouwconstructie van een tunnel bezwijkt niet binnen 30 minuten, en voor zover deze onder open water ligt, niet binnen 60 minuten bij brand in de tunnel.
Lid 6
Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen een tijdsduur die afhankelijk van de bestemming en inrichting van het bouwwerk redelijkerwijs nodig is om het bouwwerk bij brand te kunnen verlaten en te doorzoeken, door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.
Artikel 3.13
Lid 1
Bij het bepalen van het niet-bezwijken van een bouwconstructie, bedoeld in artikel 3.12, wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN 8700 kunnen optreden bij brand.
Lid 2
De tijdsduur van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.12, wordt bepaald volgens:
NEN 8700; of
NEN 6069.
Artikel 3.14
Lid 1
Een bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het door personen vallen van de rand van een vloer, een trap en een hellingbaan, zo veel mogelijk wordt voorkomen.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.14 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.14gebruiksfunctie
leden van toepassing
waarden
aanwezigheid afscheiding
hoogte afscheiding
openingen afscheiding
openingen afscheiding
artikel
lid
1
2
3
4
5
1
2
3
4
1
2
1
[m]
1
Woonfunctie
1
2
3
4
–
1
2
3
4
1
2
0,2
2
Bijeenkomstfunctie
a
voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar
1
2
3
4
5
1
2
3
4
1
2
0,1
b
andere bijeenkomstfunctie
1
2
3
4
5
1
2
3
4
–
2
–
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
1
2
3
4
5
1
2
3
4
–
2
–
Artikel 3.15
Lid 1
Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.
Lid 2
Een trap heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een afscheiding.
Lid 3
Een hellingbaan heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een afscheiding.
Lid 4
Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:
een trap; of
een hellingbaan.
Lid 5
Onverminderd het vierde lid geldt het eerste lid niet voor:
een rand van een podium;
een rand van een vloer die aan een bassin grenst;
een rand van een laadvloer;
een rand van een perron; en
een met een rand als bedoeld onder a tot en met d gelijk te stellen rand van een vloer.
Artikel 3.16
Lid 1
Een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, heeft een hoogte van ten minste 0,9 m, gemeten vanaf de vloer.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de vloer.
Lid 3
In afwijking van het eerste lid heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m, als de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1 m is.
Lid 4
Een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, tweede en derde lid, heeft een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.
Artikel 3.17
Lid 1
Een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15 heeft tot een hoogte van 0,6 m boven de vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan, geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan de in tabel 3.14 aangegeven waarde.
Lid 2
De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, is niet groter dan 0,1 m.
Artikel 3.18
Lid 1
Een bouwwerk heeft op een vluchtroute voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 3.19
Lid 1
Een hoogteverschil van meer dan 0,22 m tussen vloeren waarover een vluchtroute voert, wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Dit geldt ook voor een hoogteverschil tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein.
Lid 2
Voor zover de vluchtroute door een wegtunnelbuis voert, geldt in afwijking van het eerste lid een hoogteverschil van meer dan 0,3 m.
Artikel 3.20
Een trap als bedoeld in artikel 3.19 voldoet aan de in tabel 3.20 aangegeven afmetingen.
Tabel 3.20 afmetingen van een trapMinimum breedte van de trap
0,7 m
Minimum vrije hoogte boven de trap
1,9 m
Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede
0,13 m
Maximum hoogte van een optrede
0,22 m
Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap
0,2 m
Artikel 3.21
Een trap als bedoeld in artikel 3.19 sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m.
Artikel 3.22
Een trap als bedoeld in artikel 3.19 waarvan de helling ter plaatse van de klimlijn groter is dan 2:3, heeft, voor zover een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,6 m en ten hoogste 1 m.
Artikel 3.23
Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.19 heeft een breedte van ten minste 0,7 m en een helling van ten hoogste 1:10.
Artikel 3.24
Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.19 sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m.
Artikel 3.25
Lid 1
Een bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructieonderdelen dat deze geen gevaar veroorzaken bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regel in deze paragraaf.
Artikel 3.26
Lid 1
Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 4,2 m boven die weg.
Lid 2
Het eerste lid geldt niet voor een deur van een ruimte met een vloeroppervlakte van minder dan 0,5 m2.
Artikel 3.27
Lid 1
Een bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 3.28
Lid 1
Materiaal ter plaatse van of nabij een stookplaats is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, als:
op het materiaal een intensiteit aan warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m2; of
in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C.
Lid 2
Bij toepassing van het eerste lid kan in plaats van onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, worden uitgegaan van brandklasse A1, of A1fl, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Artikel 3.29
Lid 1
Materiaal van een voorziening voor de afvoer van rookgas en materiaal dat in de nabijheid van die voorziening is toegepast, waarin een volgens NEN 8062 bepaalde temperatuur kan optreden van meer dan 90 °C:
voldoet aan brandklasse A1 volgens NEN-EN 13501-1; of
is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op een samenstel van een voorziening voor de afvoer van rookgas en materiaal in de nabijheid daarvan dat voldoet aan NEN 6062.
Artikel 3.30
Lid 1
Een bouwwerk is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.30 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.30gebruiksfunctie
leden van toepassing
waarden
zijde grenzend aan de
binnenlucht
buitenlucht
binnenoppervlak
buitenoppervlak
beloopbaar vlak
vrijgestelde oppervlakte
toepassing Euroklassen
extra beschermde vluchtroute
beschermde route
overig
extra beschermde vluchtroute
beschermde route
overig
artikel
3.31
3.32
3.33
3.34
3.35
3.31
3.32
lid
1
2
3
4
5
1
2
3
1
2
3
1
2
*
1
1
[brandklasse]
[brandklasse]
1
Woonfunctie
a
in een woongebouw
1
2
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
2
4
2
2
4
b
andere woonfunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
2
Bijeenkomstfunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
3
Celfunctie
1
–
3
4
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
1
1
4
1
1
4
4
Gezondheidszorgfunctie
a
met bedgebied
1
2
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
2
4
2
4
4
b
andere gezondheidszorgfunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
5
Industriefunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
6
Kantoorfunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
7
Logiesfunctie
a
in een logiesgebouw
1
2
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
2
4
2
4
4
b
andere logiesfunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
8
Onderwijsfunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
9
Sportfunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
10
Winkelfunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
11
Overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer
–
–
3
–
–
1
2
3
1
2
3
–
2
*
–
–
–
2
4
4
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
1
2
3
1
2
3
–
2
*
–
–
–
2
4
4
Artikel 3.31
Lid 1
Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht heeft een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de in tabel 3.30 aangegeven brandklasse en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een beschermde route voert een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1.
Lid 3
In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1.
Lid 4
In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een celeenheid een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1.
Lid 5
In afwijking van het eerste lid voldoet het beweegbare deel van een deur in een inwendige scheidingsconstructie op een route tussen:
een gebruiksgebied, een toiletruimte of een badruimte en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert; en
een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert en de in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte;
aan brandklasse 4, bepaald volgens NEN 6065.
Artikel 3.32
Lid 1
Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht heeft een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de in tabel 3.30 aangegeven brandklasse.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid hebben een deur, een raam, een kozijn of een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting die voldoet aan brandklasse 4.
Lid 3
Het eerste lid is niet van toepassing op de bovenzijde van een dak.
Artikel 3.33
Lid 1
In afwijking van artikel 3.31 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan die grenst aan de binnenlucht een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T3 en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1.
Lid 2
In afwijking van artikel 3.32 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T3.
Lid 3
In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan waarover een extra beschermde vluchtroute voert een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T1.
Artikel 3.34
Lid 1
Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de artikelen 3.31 tot en met 3.33 een eis geldt, is die eis niet van toepassing.
Lid 2
Voor bouwwerken geen gebouw zijnde is op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen, waarvoor volgens de artikelen 3.31 tot en met 3.33 een eis geldt, die eis niet van toepassing.
Artikel 3.35
Bij toepassing van de artikelen 3.31 tot en met 3.33 kan in plaats van:
brandklasse 1, bepaald volgens NEN 6065, worden uitgegaan van brandklasse B, bepaald volgens NEN-EN 13501-1;
brandklasse 2, bepaald volgens NEN 6065, in een besloten ruimte worden uitgegaan van brandklasse B en in een niet-besloten ruimte van brandklasse C, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1;
brandklasse 3, bepaald volgens NEN 6065, worden uitgegaan van brandklasse C, bepaald volgens NEN-EN 13501-1;
brandklasse 4, bepaald volgens NEN 6065, worden uitgegaan van brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1;
brandklasse T1, bepaald volgens NEN 1775, worden uitgegaan van brandklasse Cfl, bepaald volgens NEN-EN 13501-1;
brandklasse T3, bepaald volgens NEN 1775, worden uitgegaan van brandklasse Dfl, bepaald volgens NEN-EN 13501-1; en
een rookproductie met een rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1 of 5,4 m-1, bepaald volgens NEN 6066, worden uitgegaan van rookklasse s2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Artikel 3.36
Lid 1
Een bouwwerk is zodanig dat de uitbreiding van brand:
naar bouwwerken op andere percelen beperkt blijft; en
geen gevaar oplevert voor het vluchten en hulpverlening bij brand.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.36 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.36gebruiksfunctie
leden van toepassing
waarden
brandcompartiment:
ligging
brandcompartiment:
omvang
opvangcompartiment
wbdbo:
niveau van eisen
wbdbo:
bepalingsmethode
brandcompartiment:
omvang
artikel
lid
1
2
3
4
5
6
7
1
2
3
4
5
6
7
8
1
2
1
2
1
2
1
[m2]
1
Woonfunctie
a
woonwagen
1
–
–
–
–
–
–
–
2
–
–
–
–
–
–
–
–
–
2
1
2
–
b
andere woonfunctie
1
–
3
–
–
–
–
1
–
3
–
5
6
7
–
–
–
1
–
1
2
2.000
2
Bijeenkomstfunctie
1
–
3
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
8
–
–
1
–
1
2
2.000
3
Celfunctie
1
–
3
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
–
1
–
1
–
1
2
2.000
4
Gezondheidszorgfunctie
a
met bedgebied
1
–
3
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
–
–
2
1
–
1
2
2.000
b
andere gezondheidszorgfunctie
1
–
3
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
–
–
–
1
–
1
2
2.000
5
Industriefunctie
a
lichte industriefunctie voor het houden van dieren
1
–
3
4
5
6
7
1
–
3
–
–
–
7
–
–
–
1
–
1
2
3.000
b
andere lichte industriefunctie
1
–
3
4
5
6
7
1
–
3
–
–
–
–
–
–
–
1
–
1
2
3.000
c
andere industriefunctie
1
–
3
4
5
–
–
1
–
3
–
–
–
–
–
–
–
1
–
1
2
3.000
6
Kantoorfunctie
1
–
3
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
8
–
–
1
–
1
2
2.000
7
Logiesfunctie
1
–
3
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
–
–
–
1
–
1
2
1.000
8
Onderwijsfunctie
1
–
3
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
–
–
–
1
–
1
2
3.000
9
Sportfunctie
1
–
3
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
–
–
–
1
–
1
2
3.000
10
Winkelfunctie
1
–
3
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
8
–
–
1
–
1
2
2.000
11
Overige gebruiksfunctie
1
–
3
4
5
6
–
1
–
3
–
–
–
7
8
–
–
1
–
1
2
3.000
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
4
–
–
–
–
–
–
1
–
1
2
–
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Artikel 3.37
Lid 1
Een besloten ruimte ligt in een brandcompartiment. Dit is niet van toepassing op:
een toiletruimte;
een badruimte;
een liftschacht, als de constructieonderdelen aan de binnenzijde van de schacht voldoen aan een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting die voldoet aan klasse 2 en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1, of aan brandklasse B en rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1; en
een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2, niet bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 160 kW.
Lid 2
Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m ligt in een brandcompartiment.
Lid 3
In afwijking van het eerste lid voert een extra beschermde vluchtroute niet door een brandcompartiment.
Lid 4
Een niet-besloten gebruiksgebied ligt in een brandcompartiment.
Lid 5
Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie of gebruiksfuncties van dezelfde soort, met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 3.000 m2 en een vuurbelasting niet groter dan 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.
Lid 6
Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie of gebruiksfuncties van dezelfde soort, met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2.
Lid 7
Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie met een permanente vuurbelasting niet groter dan 200 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.
Artikel 3.38
Lid 1
Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan de in tabel 3.36 aangegeven oppervlakte.
Lid 2
In een brandcompartiment liggen ten hoogste vier woonwagens en nevengebruiksfuncties daarvan met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2.
Lid 3
Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een bouwwerkperceel.
Lid 4
Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een wegtunnelbuis.
Lid 5
In een brandcompartiment liggen ten hoogste een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan.
Lid 6
In afwijking van het vijfde lid is een gemeenschappelijk verblijfsgebied toegestaan, als dat verblijfsgebied een afzonderlijk brandcompartiment is.
Lid 7
Een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m2 is een afzonderlijk brandcompartiment.
Lid 8
Bij een brandcompartiment van een industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 2.000 m2 is het eerste lid niet van toepassing op een of meer in dat brandcompartiment gelegen nevengebruiksfuncties.
Artikel 3.39
Lid 1
In afwijking van artikel 3.38, eerste lid, is de gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment met een of meer celeenheden ten hoogste 1.000 m2 en niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw.
Lid 2
Een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten is niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van de bouwlaag waarop dit brandcompartiment ligt.
Artikel 3.40
Lid 1
De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert is ten minste 20 minuten.
Lid 2
De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment is ten minste 20 minuten of de afstand tussen een brandcompartiment en een ander brandcompartiment is ten minste 5 m.
Artikel 3.41
Lid 1
De in artikel 3.40 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt bepaald volgens NEN 6068.
Lid 2
Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend bouwwerkperceel gelegen gebouw wordt voor het op het andere bouwwerkperceel gelegen gebouw uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Als het bouwwerkperceel grenst aan:
een openbare weg;
openbaar water;
openbaar groen; of
een perceel daarvan dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen;
vindt deze spiegeling plaats ten opzichte van het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel.
Artikel 3.42
Lid 1
Een bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand en verspreiding van rook in verdergaande mate wordt beperkt dan bepaald in paragraaf 3.2.8 zodat veilig kan worden gevlucht.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.42 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.42gebruiksfunctie
leden van toepassing
waarden
subbrandcompartiment:
ligging
beschermd
subbrandcompartiment:
ligging
beschermd
subbrandcompartiment:
omvang
subbrandcompartiment:
weerstand tegen
rookdoorgang
beschermd
subbrandcompartiment:
wbdbo
beschermd
subbrandcompartiment:
omvang
artikel
lid
1
2
3
1
2
3
4
1
2
3
4
5
6
7
*
1
2
1
[m2]
1
Woonfunctie
a
voor zorg met een g.o. > 1.000 m2
1
2
3
1
–
–
–
1
2
–
–
–
–
–
*
1
–
200
b
woonwagen
1
2
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
c
andere woonfunctie
1
2
3
1
–
–
–
1
–
–
–
–
–
–
*
1
–
1.000
2
Bijeenkomstfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
3
Celfunctie
1
2
3
–
–
3
–
–
–
3
–
–
–
–
*
1
2
–
4
Gezondheidszorgfunctie
a
met bedgebied
1
2
3
–
2
–
–
–
–
–
4
5
–
–
*
1
2
–
b
andere gezondheidszorgfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
5
Industriefunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
6
Kantoorfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
7
Logiesfunctie
1
2
3
–
–
–
4
1
–
–
–
–
6
7
*
1
–
1.000
8
Onderwijsfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
9
Sportfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
10
Winkelfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
11
Overige gebruiksfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Artikel 3.43
Lid 1
Een brandcompartiment is ingedeeld in een of meer subbrandcompartimenten of ruimten waardoor een beschermde route voert.
Lid 2
Een beschermde route ligt niet in het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint.
Lid 3
In afwijking van het eerste lid kan een verblijfsgebied voor bewaking buiten een subbrandcompartiment liggen als:
constructieonderdelen in dat gebied voldoen aan de eisen die artikel 3.31 stelt aan constructieonderdelen die grenzen aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een beschermde route voert; en
aankleding in dat gebied voldoet aan de eisen die artikel 6.14 stelt aan aankleding in een ruimte waardoor een beschermde route voert.
Artikel 3.44
Lid 1
Een verblijfsruimte ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
Lid 2
Een bedruimte ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
Lid 3
Een celeenheid ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
Lid 4
Een logiesverblijf ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
Artikel 3.45
Lid 1
Een beschermd subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte van ten hoogste de in tabel 3.42 aangegeven oppervlakte.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid heeft een beschermd subbrandcompartiment met alleen gezamenlijke ruimten een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2.
Lid 3
Een celeenheid is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.
Lid 4
Een beschermd subbrandcompartiment met bedgebied omvat alleen een of meer bedruimten en ruimten die ten dienste staan van die bedruimten en heeft een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2.
Lid 5
Een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in het vierde lid, bestemd voor bedgebonden patiënten, heeft, afhankelijk van het bewakingsniveau, een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2 zonder bewaking en ten hoogste 1.000 m2 bij permanente bewaking.
Lid 6
Een logiesverblijf is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.
Lid 7
Een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment is een afzonderlijk subbrandcompartiment.
Artikel 3.46
De volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte in het brandcompartiment is ten minste 20 minuten.
Artikel 3.47
Lid 1
De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 3.44 naar een andere ruimte in het brandcompartiment is ten minste 20 minuten.
Lid 2
Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bedoeld in het eerste lid, blijft onder een deur een oppervlak van niet meer dan 0,02 m2 bij een hoogte van niet meer dan 0,05 m, gemeten vanaf de vloer, buiten beschouwing.
Artikel 3.48
Lid 1
Een bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.48 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.48gebruiksfunctie
leden van toepassing
waarden
vluchtroute
vluchten naar de uitgang van een
subbrandcompartiment
beschermde route
extra beschermde vluchtroute
veiligheidsroute
tweede vluchtroute
vluchten naar de uitgang van een
subbrandcompartiment
artikel
lid
1
2
3
4
1
2
3
1
2
1
2
3
1
2
1
2
3
1
[m]
1
Woonfunctie
1
–
–
–
1
–
–
1
–
1
–
–
1
–
1
2
3
45
2
Bijeenkomstfunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
60
3
Celfunctie
–
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
75
4
Gezondheidszorgfunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
75
5
Industriefunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
75
6
Kantoorfunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
75
7
Logiesfunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
75
8
Onderwijsfunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
60
9
Sportfunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
75
10
Winkelfunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
75
11
Overige gebruiksfunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
75
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
1
–
3
–
–
2
–
1
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
1
–
–
4
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Artikel 3.49
Lid 1
Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg.
Lid 2
Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer van een celfunctie of van een nevengebruiksfunctie daarvan begint een vluchtroute die, al dan niet via een buitenruimte, leidt naar een ander brandcompartiment.
Lid 3
Op elk punt van een rijbaan begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de buiten de wegtunnel gelegen openbare weg.
Lid 4
Een bouwwerk geen gebouw zijnde heeft, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, voldoende en zodanig ingerichte vluchtroutes dat bij brand op doeltreffende en veilige wijze kan worden gevlucht.
Artikel 3.50
Lid 1
De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en een uitgang van het subbrandcompartiment waarin dat gebruiksgebied ligt, is niet groter dan de in tabel 3.48 aangegeven afstand.
Lid 2
De loopafstand tussen een punt op een rijbaanvloer en een uitgang van het subbrandcompartiment is ten hoogste 150 m. De afstand tussen twee uitgangen is ten hoogste 250 m, gemeten langs de tunnelwand.
Lid 3
Een subbrandcompartiment en een daarin gelegen verblijfsruimte voor meer dan 225 personen hebben ten minste twee uitgangen waardoor een vluchtroute loopt.
Artikel 3.51
Lid 1
Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde route, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.
Lid 2
Een vluchtroute waarop ten hoogste 60 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde route, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.
Artikel 3.52
Lid 1
Een vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert waarop een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 aan woonfuncties is aangewezen, is een extra beschermde vluchtroute.
Lid 2
Een vluchtroute waarop meer dan 60 en ten hoogste 225 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij dat compartiment rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.
Lid 3
Een vluchtroute in een besloten trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 12,5 m wordt overbrugd, is een extra beschermde vluchtroute.
Artikel 3.53
Lid 1
Een vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert waarop een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 1.500 m2 aan woonfuncties is aangewezen, is een veiligheidsroute.
Lid 2
Een vluchtroute waarop meer dan 225 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een veiligheidsroute, tenzij dat compartiment rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.
Artikel 3.54
Lid 1
Als op een vluchtroute een tweede vluchtroute begint, zijn de artikelen 3.51, 3.52, eerste en tweede lid, en 3.53 niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren als:
de ruimte grenst aan de uitgang van het subbrandcompartiment;
de vluchtroutes in de ruimte naar verschillende uitgangen voeren; en
als de ruimte een besloten ruimte is, de loopafstand in die ruimte gemeten over beide vluchtroutes ten hoogste 30 m is en ten hoogste 70 m als de vluchtroutes in die ruimte beschermde routes zijn.
Lid 3
In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsroute is.
Artikel 3.55
Lid 1
Een bouwwerk heeft vluchtroutes met een zodanige inrichting dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.55 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.55gebruiksfunctie
leden van toepassing
waarden
inrichting vluchtroute: weerstand
tegen rookdoorgang
inrichting vluchtroute: wbdbo
inrichting vluchtroute:
permanente vuurbelasting
inrichting vluchtroute:
vrije doorgang
inrichting vluchtroute: niet-
besloten ruimte
breedte
hoogte
artikel
lid
*
*
*
1
2
*
1
[m]
[m]
1
Woonfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
2
Bijeenkomstfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
3
Celfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
4
Gezondheidszorgfunctie
a
met bedgebied
*
*
*
1
2
*
0,5
1,7
b
andere gezondheidszorgfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
5
Industriefunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
6
Kantoorfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
7
Logiesfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
8
Onderwijsfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
9
Sportfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
10
Winkelfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
11
Overige gebruiksfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
*
–
*
1
–
*
0,7
1,9
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
*
–
–
Artikel 3.56
De volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang tussen een besloten ruimte waardoor een beschermde route of extra beschermde vluchtroute voert en de in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte is ten minste 20 minuten.
Artikel 3.57
Tussen de verschillende ruimten, bedoeld in artikel 3.54, eerste lid, is een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 20 minuten.
Artikel 3.58
Het product van de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurlast en de netto-vloeroppervlakte van een ruimte waardoor een veiligheidsroute voert is per bouwlaag ten hoogste 7.000 MJ.
Artikel 3.59
Lid 1
Een ruimte waardoor een vluchtroute voert heeft een vrije doorgang met ten minste de in tabel 3.55 aangegeven breedte en hoogte.
Lid 2
Een ruimte waardoor een vluchtroute voert vanuit een bedgebied voor bedgebonden patiënten naar een ander brandcompartiment als bedoeld in artikel 3.39, tweede lid, heeft een vrije doorgang waardoor een blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m horizontaal kan worden voortbewogen. Deze vluchtroute voert niet over een trap of door een liftkooi.
Artikel 3.60
Een niet-besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert heeft een zodanige capaciteit voor de afvoer van warmte en rook en de toevoer van verse lucht dat die ruimte tijdens brand kan worden gebruikt om te vluchten en voor het verrichten van reddings- en bluswerkzaamheden.
Artikel 3.61
Lid 1
Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is zodanig dat de hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regel in deze paragraaf.
Artikel 3.62
Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft een zodanig aantal hulpposten dat de loopafstand tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een hulppost niet groter is dan 75 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die alleen voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. De afstand tussen twee opeenvolgende hulpposten is ten hoogste 100 m.