Afdeling 3.7. Bouwwerkinstallaties
Artikel 3.99
Lid 1
Een bouwwerk heeft een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden gebruikt en verlaten.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.99 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.99gebruiksfunctie
leden van toepassing
verlichting
noodverlichting
aansluiting op voorziening
voor elektriciteit
verduisterde ruimte
overgangsrecht: noodverlichting
artikel
lid
1
2
3
4
5
1
2
3
4
5
*
*
*
1
Woonfunctie
–
–
–
4
–
–
–
–
–
–
*
–
–
2
Bijeenkomstfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
3
Celfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
4
Gezondheidszorgfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
5
Industriefunctie
a
lichte industriefunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
b
andere industriefunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
6
Kantoorfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
7
Logiesfunctie
a
in een logiesgebouw
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
b
andere logiesfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
–
*
8
Onderwijsfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
9
Sportfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
10
Winkelfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
11
Overige gebruiksfunctie
a
voor het personenvervoer
–
2
3
4
–
–
2
3
–
5
*
*
*
b
voor het stallen van motorvoertuigen
–
2
–
4
–
–
2
3
–
5
*
*
*
c
andere overige gebruiksfunctie
–
–
–
4
–
–
–
–
–
–
*
*
*
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
–
–
–
4
5
–
–
3
4
5
*
–
*
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
4
–
–
–
3
–
5
*
*
*
Artikel 3.100
Lid 1
Een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.
Lid 2
Een onder het meetniveau gelegen functieruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.
Lid 3
Een overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 heeft in een boven het meetniveau gelegen functieruimte een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.
Lid 4
Een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute of beschermde route voert, heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer en een tredevlak gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.
Lid 5
Een wegtunnelbuis heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer en een tredevlak gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.
Artikel 3.101
Lid 1
Een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert, hebben noodverlichting.
Lid 2
Een onder het meetniveau gelegen functieruimte als bedoeld in artikel 3.100, tweede lid, heeft noodverlichting.
Lid 3
Een besloten ruimte als bedoeld in artikel 3.100, vierde lid, heeft noodverlichting.
Lid 4
Een wegtunnelbuis heeft noodverlichting.
Lid 5
Noodverlichting als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte van ten minste 1 lux.
Artikel 3.102
Een verlichtingsinstallatie als bedoeld in de artikelen 3.100 en 3.101 is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit.
Artikel 3.103
Een ruimte bestemd om te worden verduisterd tijdens het gebruik door meer dan 50 personen heeft zodanige voorzieningen dat tijdens de verduistering een redelijke oriëntatie mogelijk is.
Artikel 3.104
Zolang de indeling van een bouwwerk of een gedeelte daarvan niet verandert en het aantal personen in dat bouwwerk of gedeelte niet groter is dan het onmiddellijk voorafgaand aan 1 april 2012 voor dat bouwwerk toegestane aantal personen, blijft op dat bouwwerk of gedeelte artikel 3.101 buiten toepassing als dat bouwwerk of dat gedeelte daarvan voldoet aan de artikelen 2.66 en 2.67 van het Bouwbesluit 2003 zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaande aan 1 april 2012.
Artikel 3.105
Lid 1
Bij een bouwwerk met een voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie is die voorziening veilig zodat er geen sprake kan zijn van ongevallen zoals elektrocutie, verstikking, brandwonden of verwonding door explosies.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 3.106
Een voorziening voor elektriciteit voldoet aan:
NEN 1010 bij lage spanning; en
de door de Hoofdcommissie voor de Normalisatie uitgegeven leidraad V 1041 bij hoge spanning.
Artikel 3.107
Een voorziening voor gas voldoet aan:
NEN 8078 bij een nominale werkdruk van ten hoogste 0,5 bar; en
NEN 2078 bij een nominale werkdruk hoger dan 0,5 bar en lager dan 40 bar.
Artikel 3.108
Lid 1
Bij een bouwwerk met een voorziening voor drinkwater of warmwater is die voorziening zodanig dat de gezondheid niet nadelig kan worden beïnvloed als gevolg van het vrijkomen, ontstaan of ontwikkelen van gevaarlijke stoffen of biologische agentia in drinkwater of warmwater.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 3.109
Een voorziening voor drinkwater voldoet aan NEN 1006.
Artikel 3.110
Een voorziening voor warmwater voldoet aan NEN 1006.
Artikel 3.111
Lid 1
Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.111 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.111gebruiksfunctie
leden van toepassing
afvoer van huishoudelijk
afvalwater
afvoer van hemelwater
artikel
lid
1
2
*
1
Woonfunctie
1
2
*
2
Bijeenkomstfunctie
1
2
*
3
Celfunctie
1
2
*
4
Gezondheidszorgfunctie
1
2
*
5
Industriefunctie
1
2
–
6
Kantoorfunctie
1
2
*
7
Logiesfunctie
a
in een logiesgebouw
1
2
*
b
andere logiesfunctie
1
2
–
8
Onderwijsfunctie
1
2
*
9
Sportfunctie
1
2
*
10
Winkelfunctie
1
2
*
11
Overige gebruiksfunctie
1
2
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
1
2
–
Artikel 3.112
Lid 1
Een gebruiksfunctie met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel heeft voor dat lozingstoestel een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater.
Lid 2
Een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater als bedoeld in het eerste lid heeft een zodanige capaciteit dat elk daarop aangesloten lozingstoestel binnen 5 minuten kan worden geleegd en een lucht- en waterdichtheid die voldoen aan NEN 3215.
Artikel 3.113
Een binnen een bouwwerk gelegen voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater is, bepaald volgens NEN 3215, lucht- en waterdicht.
Artikel 3.114
Lid 1
Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat brand tijdig kan worden ontdekt zodat veilig kan worden gevlucht.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.114 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.114gebruiksfunctie
leden van toepassing
brandmeldinstallatie
melding en doormelding
rookmelders
artikel
lid
1
2
3
4
1
2
1
2
3
4
5
6
1
Woonfunctie
a.
zorgclusterwoning in een woongebouw
1
2
–
–
1
2
–
–
–
–
–
–
b.
zorgclusterwoning niet in een woongebouw
1
2
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
c.
groepszorgwoning voor 24-uurs zorg
1
2
–
–
1
2
–
–
–
–
–
–
d.
groepszorgwoning niet voor 24-uurs zorg
1
2
–
–
1
–
–
–
–
–
–
–
e.
voor kamergewijze verhuur
–
–
–
–
–
–
–
2
3
–
5
–
f.
andere woonfunctie
–
–
–
–
–
–
1
–
–
–
–
–
2
Bijeenkomstfunctie
a
voor het aanschouwen van sport
–
–
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
b
voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar
1
2
3
4
–
2
–
–
–
4
5
–
c
andere bijeenkomstfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
3
Celfunctie
1
2
3
–
–
2
–
–
–
–
–
–
4
Gezondheidszorgfunctie
1
2
3
–
–
2
–
–
–
–
–
–
5
Industriefunctie
a
lichte industriefunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
b
andere industriefunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
6
Kantoorfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
7
Logiesfunctie
a.
in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking
1
2
3
–
–
–
–
–
–
4
5
6
b.
in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking
1
2
3
–
–
2
–
–
–
4
5
–
c.
andere logiesfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
8
Onderwijsfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
9
Sportfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
10
Winkelfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
11
Overige gebruiksfunctie
a
voor het stallen van motorvoertuigen
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
b
voor het personenvervoer
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
c
andere overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Artikel 3.115
Lid 1
Een gebruiksfunctie heeft een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535 met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals aangegeven in bijlage II, als:
de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw voor zover die gebruiksfuncties op eenzelfde vluchtroute zijn aangewezen groter is dan de in die bijlage genoemde waarde;
de hoogste vloer van een verblijfsruimte van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau hoger ligt dan op de in die bijlage genoemde hoogte; of
die bijlage dit aanwijst zonder dat sprake is van een hoogte als hierboven bedoeld.
Lid 2
Een brandcompartiment waarin een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in het eerste lid ligt, heeft een brandmeldinstallatie met eenzelfde omvang van de bewaking en doormelding als die gebruiksfunctie.
Lid 3
Voor zover vanuit de uitgang van een verblijfsruimte in niet meer dan een richting kan worden gevlucht, zijn de buiten die verblijfsruimte gelegen ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert, en verblijfsruimten en ruimten met een verhoogd brandrisico en een doorgang die aan die buiten die verblijfsruimte gelegen ruimte grenst, voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als bedoeld in NEN 2535, als:
de loopafstand tussen de uitgang van een verblijfsruimte en het punt van waaruit in meer dan één richting kan worden gevlucht meer dan 10 m is;
de totale vloeroppervlakte van de ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert en van de daarop aangewezen verblijfsruimten meer dan 200 m2 is; of
het aantal op de enkele vluchtroute aangewezen verblijfsruimten meer dan twee is.
Lid 4
Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing als boven de in bijlage II bedoelde hoogste vloer niet meer dan zes opstelplaatsen voor bedden voor kinderen zijn.
Artikel 3.116
Lid 1
Een in artikel 3.115 bedoelde brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks:
naar een zorgcentrale bij zorg op afroep; en
naar een zusterpost bij 24-uurszorg.
Lid 2
Een doormelding als bedoeld in artikel 3.115 vindt rechtstreeks plaats naar de regionale alarmcentrale van de brandweer.
Artikel 3.117
Lid 1
Een woonfunctie heeft op iedere bouwlaag met een verblijfsruimte of met een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een rookmelder die voldoet aan EN 14604.
Lid 2
Bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur heeft een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555.
Lid 3
Een verblijfsruimte heeft een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555. Dit is niet van toepassing op een verblijfsruimte in een wooneenheid als elke wooneenheid in de woonfunctie in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment ligt met een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag vanuit dat beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment van ten minste 30 minuten.
Lid 4
Een verblijfsruimte en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van het gebouw hebben een of meer rookmelders die voldoen aan de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555.
Lid 5
Het eerste, tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115.
Lid 6
In aanvulling op het vierde lid is het in de primaire inrichtingseisen bedoelde alarmeringssignaal permanent waarneembaar door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.
Artikel 3.118
Lid 1
Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat de gebruikers het bouwwerk kunnen ontvluchten of op een andere manier in veiligheid kunnen worden gebracht.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.118 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.118gebruiksfunctie
leden van toepassing
ontruimtingsalarminstallatie
vluchtrouteaanduiding
deuren in vluchtroutes:
draairichting
deuren in vluchtroutes:
weerstand bij het openen
zelfsluitende
constructieonderdelen
artikel
lid
1
2
3
1
2
3
4
5
1
2
3
1
2
3
4
5
6
1
2
3
4
1
Woonfunctie
a
voor zorg met een g.o. > 500 m2
1
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
4
5
6
1
2
3
–
b
andere woonfunctie voor zorg
1
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
4
5
–
1
2
3
–
c
voor kamergewijze verhuur
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
1
–
3
4
5
–
1
2
3
–
d
andere woonfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
4
5
–
1
2
–
–
2
Bijeenkomstfunctie
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
3
Celfunctie
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
4
4
Gezondheidszorgfunctie
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
5
Industriefunctie
a
lichte industriefunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
b
andere industriefunctie
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
6
Kantoorfunctie
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
7
Logiesfunctie
–
–
–
a
in een logiesgebouw met 24-uursbewaking
1
–
3
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
b
in een ander logiesgebouw
1
2
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
c
andere logiesfunctie
1
–
–
–
–
–
–
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
8
Onderwijsfunctie
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
9
Sportfunctie
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
10
Winkelfunctie
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
11
Overige gebruiksfunctie
a
voor het stallen van motorvoertuigen
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
b
voor het personenvervoer
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
c
andere overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
–
–
–
–
2
3
–
5
–
–
3
–
–
–
4
5
6
1
–
–
–
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
1
2
–
–
2
–
4
5
6
1
–
–
–
Artikel 3.119
Lid 1
Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115, eerste tot en met derde lid, heeft een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575.
Lid 2
Het ontruimingssignaal van een in het eerste lid bedoelde ontruimingsalarminstallatie wordt bij het activeren van de automatische melder of handbrandmelder onmiddellijk en in het gehele gebouw in werking gesteld.
Lid 3
In aanvulling op het eerste lid is het ontruimingssignaal van een ontruimingsalarminstallatie permanent waarneembaar door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.
Artikel 3.120
Lid 1
Een ruimte waardoor een verkeersroute voert en een ruimte voor meer dan 50 personen hebben een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838.
Lid 2
Een wegtunnel heeft een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6, van NEN-EN 1838. De vluchtrouteaanduiding is niet hoger dan 1,5 m boven de vloer aangebracht en de afstand tussen twee vluchtrouteaanduidingen is niet meer dan 25 m, gemeten langs de tunnelwand. Bij de vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar aangegeven de loopafstand in twee richtingen tot het einde van de tunnelbuis of, als die loopafstand korter is, de loopafstand tot de meest nabije toegang tot een beschermde route als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid.
Lid 3
Een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste en tweede lid:
is aangebracht op een duidelijk waarneembare plaats; en
voldoet binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, gedurende een periode van ten minste 60 minuten, aan de in het eerste of tweede lid bedoelde zichtbaarheidseisen.
Lid 4
Op een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste lid gelegen op een vluchtroute vanuit een ruimte met een verlichtingsinstallatie die geen noodverlichting is als bedoeld in artikel 3.101, zijn bij het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit de in het eerste lid bedoelde zichtbaarheidseisen niet van toepassing.
Lid 5
Een deur in een tunnel die toegang geeft tot een beschermde route als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, is uitgevoerd in de kleur groen, RAL 6024.
Artikel 3.121
Lid 1
Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in als meer dan 60 personen op die uitgang zijn aangewezen.
Lid 2
Een nooddeur kan geen schuifdeur zijn.
Lid 3
Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.
Artikel 3.122
Lid 1
Een deur op een vluchtroute vanaf de uitgang van een wooneenheid naar de uitgang van de woonfunctie voor kamergewijze verhuur kan worden geopend:
door een lichte druk tegen de deur; of
met behulp van een ontsluitingsmechanisme dat voldoet aan NEN-EN 179 of NEN-EN 1125.
Lid 2
Een deur waarop bij het vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen, kan worden geopend door:
een lichte druk tegen de deur; of
een lichte druk tegen een op circa 1 m boven de vloer over de volle breedte van de deur aangebrachte panieksluiting die voldoet aan NEN-EN 1125.
Lid 3
Een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen, kan tijdens het vluchten met een sleutel worden geopend.
Lid 4
Een automatisch werkende deur en een voorziening voor toegangs- of uitgangscontrole op een vluchtroute mogen het vluchten niet belemmeren.
Lid 5
Een deur die toegang geeft tot een overdruktrappenhuis is voorzien van een aanduiding waaruit blijkt dat hard duwen noodzakelijk kan zijn. Dit is niet van toepassing op een schuifdeur.
Lid 6
Aan de aan de buitenlucht grenzende zijde van een nooddeur is het opschrift «nooddeur vrijhouden» of «nooduitgang» aangebracht. Dit opschrift voldoet aan de eisen voor aanvullende tekens in NEN 3011.
Artikel 3.123
Lid 1
Een beweegbaar constructieonderdeel in een inwendige scheidingsconstructie waarvoor een eis aan de weerstand tegen branddoorslag, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of weerstand tegen rookdoorgang geldt, is zelfsluitend.
Lid 2
Het eerste lid geldt niet voor een deur in een niet-gemeenschappelijke doorgang.
Lid 3
Het tweede lid geldt niet voor een deur in een gezamenlijke doorgang.
Lid 4
Het eerste lid geldt niet voor een deur van een celeenheid.
Artikel 3.124
Lid 1
Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.124 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.124gebruiksfunctie
leden van toepassing
droge blusleiding
bluswatervoorziening
wegtunnel
blustoestellen
artikel
lid
1
2
3
4
*
1
2
3
1
Woonfunctie
a
voor zorg met een g.o. > 500 m2
1
–
3
4
–
–
–
3
b
voor kamergewijze verhuur
1
–
3
4
–
1
–
3
c
andere woonfunctie
1
–
3
4
–
–
–
–
2
Bijeenkomstfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
3
Celfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
4
Gezondheidszorgfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
5
Industriefunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
6
Kantoorfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
7
Logiesfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
8
Onderwijsfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
9
Sportfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
10
Winkelfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
11
Overige gebruiksfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
–
2
–
4
*
–
2
3
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
Artikel 3.125
Lid 1
Een gebruiksfunctie met een vloer van een verblijfsgebied hoger gelegen dan 20 m boven het meetniveau heeft een droge blusleiding.
Lid 2
Een wegtunnelbuis heeft een op een in artikel 3.126 bedoelde bluswatervoorziening aangesloten droge blusleiding met in een hulppost als bedoeld in artikel 3.62 een brandslangaansluiting die bij brand een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.
Lid 3
De loopafstand tussen een brandslangaansluiting van een in het eerste lid bedoelde droge blusleiding en een punt in een op die aansluiting aangewezen gebruiksgebied is niet groter dan 110 m.
Lid 4
De inrichting van een droge blusleiding voldoet aan NEN 1594 voor:
de drukbestendigheid;
de onbrandbaarheid van het materiaal van de leiding;
de soorten koppelingen voor de aansluiting van brandslangen;
de aanduiding van de brandslangaansluitingen; en
de aanduiding van de voedingsaansluitingen.
Artikel 3.126
Een wegtunnel heeft een bluswatervoorziening die bij brand gedurende ten minste 60 minuten een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.
Artikel 3.127
Lid 1
Een woonfunctie voor kamergewijze verhuur heeft een draagbaar blustoestel in een gezamenlijke keuken en ten minste een per bouwlaag in een ruimte waardoor een gezamenlijke vluchtroute voert. Dit is niet van toepassing op de aanwezigheid van brandslanghaspels als bedoeld in artikel 6.35, tweede lid.
Lid 2
Een hulppost als bedoeld in artikel 3.62 heeft een draagbaar brandblusapparaat.
Lid 3
Een blustoestel als bedoeld in het eerste en tweede lid is duidelijk zichtbaar opgehangen of gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011.
Artikel 3.128
Lid 1
Een bouwwerk is zodanig toegankelijk voor hulpverleningsdiensten dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulpverlening kan worden geboden.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.128 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.128gebruiksfunctie
leden van toepassing
brandweeringang
afbakening maatwerkvoorschriften
brandweeringang
mobiele radiocommunicatie
hulpverleningsdiensten
afbakening maatwerkvoorschriften
mobiele radiocommunicatie
hulpverleningsdiensten
artikel
lid
1
2
*
1
2
*
1
Woonfunctie
1
2
*
–
–
–
2
Bijeenkomstfunctie
1
2
*
1
–
*
3
Celfunctie
1
2
*
1
–
*
4
Gezondheidszorgfunctie
1
2
*
1
–
*
5
Industriefunctie
1
2
*
1
–
*
6
Kantoorfunctie
1
2
*
1
–
*
7
Logiesfunctie
a
in een logiesgebouw
1
2
*
1
–
*
b
andere logiesfunctie
1
2
*
–
–
–
8
Onderwijsfunctie
1
2
*
1
–
*
9
Sportfunctie
1
2
*
1
–
*
10
Winkelfunctie
1
2
*
1
–
*
11
Overige gebruiksfunctie
–
–
*
1
–
*
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
1
2
–
–
2
*
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
1
2
*
1
–
*
Artikel 3.129
Lid 1
Een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat heeft een brandweeringang.
Lid 2
In een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met doormelding wordt een brandweeringang bij een brandmelding automatisch ontsloten of ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.
Artikel 3.130
Een maatwerkvoorschrift over artikel 3.129 kan alleen inhouden:
dat een bouwwerk geen brandweeringang hoeft te hebben als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist; of
het aanwijzen van een of meer toegangen als brandweeringang als een bouwwerk meerdere toegangen heeft.
Artikel 3.131
Lid 1
Een voor grote aantallen bezoekers bestemd bouwwerk waarbij het goed functioneren van hulpverleningsdiensten afhankelijk is van mobiele radiocommunicatie heeft, als dat voor die communicatie nodig is, een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten dat bouwwerk.
Lid 2
Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten die wegtunnel.
Artikel 3.132
Met een maatwerkvoorschrift over artikel 3.131, eerste lid, kan alleen nadere invulling worden gegeven aan de maatregelen voor binnenhuisdekking.
Artikel 3.133
Lid 1
Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft zodanige voorzieningen dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 3.134
Een hulppost als bedoeld in artikel 3.62 heeft een noodtelefoon en een wandcontactdoos met een elektrische spanning van 230 volt.
Artikel 3.135
Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m is aangesloten op een bedieningscentrale met een voorziening voor permanente videobewaking en automatische detectie van ongevallen en van brand.
Artikel 3.136
Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft ter beperking van uitbreiding van brand door verspreiding van brandbare vloeistoffen en ter beperking van verspreiding van giftige vloeistoffen een voorziening voor de afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen.
Artikel 3.137
Lid 1
Een op een wegtunnelbuis aansluitende rijbaan heeft eenzelfde aantal rijstroken als de rijbaan in de wegtunnelbuis. Een eventuele wijziging van het aantal rijstroken buiten de tunnelbuis vindt op zodanige afstand van de tunnelbuis plaats dat geen onrustige verkeersbewegingen in de tunnelbuis door die wijziging kunnen optreden.
Lid 2
In een wegtunnelbuis is geen tweerichtingsverkeer toegestaan.
Lid 3
In afwijking van het tweede lid is tweerichtingsverkeer toegestaan als is aangetoond dat eenrichtingsverkeer in verband met fysieke, geografische of verkeerstechnische omstandigheden niet mogelijk is en het tweerichtingsverkeer met voldoende veiligheidswaarborgen is omgeven.
Lid 4
Bij toepassing van het in het derde lid bedoelde tweerichtingsverkeer is de wegtunnelbuis in ieder geval voorzien van een systeem voor permanent toezicht en een systeem voor de afsluiting van rijstroken en is de toegestane maximumsnelheid ten hoogste 70 km per uur.
Artikel 3.138
Lid 1
Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m heeft een voorziening:
waarmee door luidsprekers mededelingen kunnen worden gedaan aan personen op elke rijbaan en vluchtroute;
voor heruitzending van radiosignalen in elke wegtunnelbuis; en
om radio-uitzendingen te kunnen onderbreken om mededelingen te doen.
Lid 2
Een mededeling als bedoeld in het eerste lid, onder a en c, wordt ten minste in het Nederlands en het Engels gedaan.
Artikel 3.139
De voor een evacuatie noodzakelijke voorzieningen, systemen en installaties in een wegtunnel, die voor het functioneren zijn aangewezen op een voorziening voor elektriciteit, zijn aangesloten op een voorziening die binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten de werking van die voorzieningen, systemen en installaties zeker stelt.
Artikel 3.140
Lid 1
Een woongebouw heeft voorzieningen waarmee veel voorkomende criminaliteit wordt voorkomen.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 3.141
Lid 1
Een afsluitbare toegang van een woongebouw heeft een zelfsluitende deur die van buitenaf niet zonder sleutel kan worden geopend.
Lid 2
Als een woonfunctie in een woongebouw alleen bereikbaar is via een afsluitbare gemeenschappelijke verkeersruimte, heeft ten minste een toegang van het woongebouw aan de buitenkant een voorziening waarmee een signaal kan worden gegeven dat in een niet-gemeenschappelijke ruimte van die woonfunctie waarneembaar is.
Artikel 3.142
Lid 1
Een onderwijsfunctie voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra heeft een voorziening die inzicht geeft in de kwaliteit van de binnenlucht.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 3.143
Lid 1
Een verblijfsruimte in een onderwijsfunctie voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de jci1.3:c:BWBR0003549
Wet op de expertisecentra heeft een kooldioxidemeter.
Lid 2
De kooldioxidemeter:
functioneert continu op:
de gangbare elektrische netspanning, waarbij een tijdelijke onderbreking van de elektrische aansluiting de ingestelde signaalniveaus niet verstoort; of
een elektrische voeding met een signaalfunctie als de capaciteit van die voeding een minimumniveau heeft bereikt;
kalibreert zichzelf automatisch;
heeft ten minste een CO2-meetfunctie met:
een meetbereik van ten minste 300 tot 5.000 ppm;
een bedrijfstemperatuur van 0 – 50 °C;
een nauwkeurigheid in temperatuurbereik van +15 tot + 35 °C:
bij een CO2-waarde van 300–1.000 ppm: < 10% van meetwaarde; en
bij een CO2-waarde van 1.000–5.000 ppm: < 100 ppm; en
een resolutie van 1 ppm;
waarschuwt tijdig voor ventilatieproblemen door middel van een duidelijke indicatie over de mate waarin de ruimte wordt geventileerd; en
heeft drie signaalniveaus met een eigen kleurcode:
een CO2-concentratie van minder dan 1.001 ppm;
een CO2-concentratie van 1.001 tot en met 1.400 ppm; en
een CO2-concentratie van meer dan 1.400 ppm.
Artikel 3.144
Vervallen
Artikel 3.145
Lid 1
Een bouwwerk, anders dan een woonfunctie, met een verwarmingssysteem of gecombineerd ruimteverwarmings- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 290 kW of een airconditioningsysteem of gecombineerd airconditioning- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 290 kW heeft een systeem voor gebouwautomatisering en -controle.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 3.146
Het systeem voor gebouwautomatisering- en controle als bedoeld in artikel 3.145, eerste lid, is in staat:
het energieverbruik permanent te controleren, bij te houden, te analyseren en de bijsturing ervan mogelijk te maken;
de energie-efficiëntie van het gebouw te toetsen, rendementsverliezen van technische bouwsystemen op te sporen, en de beheerder van de voorzieningen of technische installaties te informeren over de mogelijkheden om de energie-efficiëntie te verbeteren; en
communicatie met verbonden technische bouwsystemen en andere apparaten in het gebouw mogelijk te maken, en interoperabel te zijn met technische bouwsystemen van verschillende soorten eigendomstechnologieën, toestellen en fabrikanten.
Artikel 3.147
De artikelen 3.145 en 3.146 zijn niet van toepassing tot en met 31 december 2025.