Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen

Wordt genoemd in:

Artikel 3.1

De inschrijvingen van de voorzieningen, bedoeld in artikel 1.48, eerste en tweede lid, die op 1 januari 2014 in het register buitenlandse kinderopvang staan opgenomen vervallen van rechtswege met ingang van 1 januari 2018.

Artikel 3.2

Lid 1

Onze Minister verwerkt de gegevens van de personen die op basis van de artikelen 9a en 9b van het Besluit landelijk register kinderopvang en register buitenlandse kinderopvang onder de continue screening vallen vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 1.48d tot een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip in het personenregister kinderopvang. Deze personen kunnen bij hun inschrijving gebruik maken van hun bestaande verklaring omtrent het gedrag.

Lid 2

Bij de personen, bedoeld in het eerste lid, en bij de overige personen die op grond van de artikelen 1.50, derde lid, 1.56, derde lid en 1.56b, derde lid, in het bezit dienen te zijn van een verklaring omtrent het gedrag, worden in verband met de verwerking van hun gegevens in het personenregister kinderopvang tot een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip geen kosten in rekening gebracht.

Artikel 3.2a

Artikel 1.6, eerste lid, onderdeel g, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Wet inburgering 2021 blijft van toepassing op de ouder die inburgeringsplichtig is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet inburgering zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Wet inburgering 2021.

Artikel 3.2b

Artikel 1.6, tweede en derde lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen C en D, van de Wet van 2 december 2020 tot wijziging van de Wet Kinderopvang in verband met enkele wijzigingen met betrekking tot het recht op kinderopvangtoeslag (Stb. 2020, 518) blijft tot een jaar na dat tijdstip van toepassing, indien de ouder:

  1. op de dag voor dat tijdstip aanspraak had op kinderopvangtoeslag, en

  2. hij of zijn partner op dat tijdstip arbeid verrichtte, niet zijnde tegenwoordige arbeid waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt genoten dan wel inkomen dat hiermee gelijkgesteld wordt op grond van artikel 1.6, vierde lid.

Artikel 3.2c

In afwijking van artikel 1.3, tweede lid, aanhef en onderdeel b, heeft een ouder die als gevolg van de Wet van 20 november 2024 tot wijziging van de Wet kinderopvang om aanspraak op kinderopvangtoeslag mogelijk te maken voor Oekraïense ontheemden gelet op het Uitvoeringsbesluit van de Raad tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001, en ouders met een partner buiten de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of Zwitserland ook aanspraak op kinderopvangtoeslag te geven (Stb. 2024, 390) aanspraak op kinderopvangtoeslag, over de periode van 4 maart 2022 tot en met de inwerkingtredingsdatum van die wet aanspraak op kinderopvangtoeslag, indien de aanvraag om kinderopvangtoeslag uiterlijk op de laatste dag van de kalendermaand die drie kalendermaanden is gelegen na de inwerkingtredingsdatum van die wet is ingediend.

Artikel 3.3

Lid 1

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het college en de gemeenteraad verstrekken aan Onze Minister de gegevens en inlichtingen die hij voor de statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.

Lid 2

Bij regeling van Onze Minister kunnen regels gesteld worden omtrent de aard van de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze worden verstrekt en verzameld en, voor zover het betreft het college, of en op welke wijze deze informatie openbaar wordt gemaakt.

Lid 3

De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden kosteloos verstrekt.

Artikel 3.4

De voordracht voor een krachtens de artikelen 1.6, zevende lid, 1.7, tweede tot en met vierde lid, 1.8, 1.50, tweede lid, 1.56, tweede lid, 1.56b, tweede lid, en 1.87 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 3.5

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen over de in hoofdstuk 1 van deze wet geregelde onderwerpen regels worden gesteld voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 3.5a

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 8 november 2023 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een structurele regeling voor meertalige dagopvang (Stb. 2023, 412), aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk. In het verslag wordt in ieder geval aandacht besteed aan:

  1. de werking in de praktijk van het maximumpercentage van 50% per dag;

  2. de effecten op het aanbod en de kwaliteit van de kinderopvang;

  3. de effecten op de werkzaamheden van de beroepskrachten meertalige kinderopvang en de pedagogische beleidsmedewerkers werkzaam bij de meertalige kinderopvang.

Daarbij dient rekening te worden gehouden met alle talen, bedoeld in artikel 1.55, derde lid.

Artikel 3.6

Deze wet wordt aangehaald als: Wet kinderopvang.