Afdeling 5.3B. Vrijstelling nettopensioen
Wordt genoemd in:
Artikel 5.17
Lid 1
Tot de bezittingen behoren niet aanspraken ingevolge een nettopensioenregeling.
Lid 2
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een nettopensioenregeling verstaan een regeling:
die ten doel heeft het treffen van een voorziening als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° of 4°, van de Wet op de loonbelasting 1964, dan wel een daarmee naar aard en strekking overeenkomende voorziening ingevolge een regeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdelen b en c;
die voldoet aan de in artikel 18, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde voorwaarden;
waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, van de Wet op de loonbelasting 1964;
die blijft binnen de in of krachtens deze afdeling vastgestelde begrenzingen.
Lid 3
Een nettopensioenregeling kan voorzien in:
netto-ouderdomspensioen of nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum bij overlijden op of na pensioendatum (artikel 5.17a);
nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum (artikel 5.17b);
nettowezenpensioen (artikel 5.17c).
Artikel 5.17a
Lid 1
Een netto-ouderdomspensioen en een nettopartnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum worden opgebouwd over ten hoogste het bedrag dat ingevolge artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964 niet tot het pensioengevend loon behoort. De premie bedraagt ten hoogste het percentage, genoemd in artikel 18a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, van dat bedrag, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de kosten die zijn begrepen in de premie, bedoeld in de tweede zin.
Lid 2
Artikel 18a, vierde en vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.17b
Lid 1
Een nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum bedraagt niet meer dan 50% van het bedrag dat ingevolge artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964 niet tot het laatstgenoten pensioengevend loon, bedoeld in artikel 18b, eerste lid, van die wet, behoort, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid.
Lid 2
Artikel 18b, tweede en derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.17c
Lid 1
Een nettowezenpensioen bedraagt voor halve wezen niet meer dan 20% van het bedrag dat ingevolge artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964 niet tot het laatstgenoten pensioengevend loon, bedoeld in artikel 18c, eerste lid, van die wet, behoort, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid.
Lid 2
Een nettowezenpensioen bedraagt voor volle wezen niet meer dan 40% van het bedrag dat ingevolge artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964 niet tot het laatstgenoten pensioengevend loon, bedoeld in artikel 18c, tweede lid, van die wet, behoort, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid.
Lid 3
Artikel 18c, derde en vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.17d
Artikel 18d van de Wet op de loonbelasting 1964 is van overeenkomstige toepassing op een netto-ouderdomspensioen, een nettopartnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum, een nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en een nettowezenpensioen met dien verstande dat het in het tweede lid van dat artikel genoemde bedrag wordt vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid.
Artikel 5.17e
Lid 1
Ingeval op enig tijdstip:
een aanspraak op een nettopensioen niet langer als zodanig is aan te merken;
een aanspraak ingevolge een nettopensioen geheel of gedeeltelijk wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt;
de verplichtingen met betrekking tot een aanspraak op een nettopensioen overgaan op een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 5.17, tweede lid, onderdeel c;
de belastingplichtige een bijdrage van een inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft ontvangen ten behoeve van het nettopensioen, terwijl deze inhoudingsplichtige niet in dezelfde mate aan zijn overige werknemers die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren een bijdrage heeft verstrekt;
vervalt op dat tijdstip voor de volledige aanspraak de toepassing van de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.17, eerste lid.
Lid 2
Na toepassing van het eerste lid in het voorafgaande kalenderjaar wordt tot de bezittingen gerekend een bedrag dat gelijk is aan de helft van de waarde van de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien.
Lid 3
Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het in het tweede lid genoemde bedrag, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolge artikel 5.17 genoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het tweede lid een bedrag tot de bezittingen gerekend ter grootte van dit totale bedrag, vermenigvuldigd met 100/1,2. Voor de toepassing van dit lid wordt voor de berekening van de verschuldigde belasting geen rekening gehouden met het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5.
Lid 4
Na toepassing van het eerste lid worden aan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, voorafgaande dienstjaren niet meer in aanmerking genomen voor de toepassing van deze afdeling, behoudens voor de toepassing van het tweede en derde lid.
Lid 5
Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen:
wordt niet onder afkoop verstaan het vrijvallen van een aanspraak op het tijdstip waarop de belastingplichtige ophoudt binnenlandse belastingplichtige te zijn;
is artikel 19b, tweede tot en met achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing;
is het eerste lid mede niet van toepassing voor zover een in onderdeel b van dat lid bedoelde uitkering of afkoopsom wordt uitgekeerd met toepassing van artikel 69, tweede lid, van de Pensioenwet of artikel 80a, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Artikel 5.17f
Lid 1
Bij ministeriële regeling kunnen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.18 en in artikel 18g van de Wet op de loonbelasting 1964, regels worden gesteld met betrekking tot de perioden die voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen in aanmerking komen als dienstjaren alsmede met betrekking tot het pensioengevend loon.
Lid 2
Bij de toepassing van deze afdeling is artikel 19d van de Wet op de loonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing.
Lid 3
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van deze afdeling.