Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen

Artikel 5.1

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is het voordeel uit sparen en beleggen verminderd met de persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6).

Artikel 5.2

Lid 1

Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op het product van het effectieve rendementspercentage, bedoeld in het tweede lid, en de grondslag sparen en beleggen. De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen.

Lid 2

Het effectieve rendementspercentage wordt gesteld op het rendement gedeeld door de rendementsgrondslag. Het rendement is de som van 1,37% van de waarde van de banktegoeden op de peildatum en 6% van de waarde van de overige bezittingen op de peildatum, verminderd met 2,70% van de waarde van de schulden op de peildatum. Indien het ingevolge de tweede zin berekende rendement negatief is, wordt het rendement op nihil gesteld.

Lid 3

Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder banktegoeden verstaan:

  1. deposito’s als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht en daarmee naar aard en strekking overeenkomende buitenlandse deposito’s;

  2. een recht van vruchtgebruik dat rust op een banktegoed als bedoeld in onderdeel a;

  3. contant geld;

  4. een lidmaatschapsrecht in een vereniging van eigenaars als bedoeld in artikel 125, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;

  5. een vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening van de notaris, bedoeld in artikel 25 van de Wet op het notarisambt;

  6. een vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening van de gerechtsdeurwaarder, bedoeld in artikel 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

Lid 4

Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder schulden mede verstaan een genotsrecht van een schuld waarvan de genotsgerechtigde de rente moet voldoen.

Lid 5

Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van het op grond van artikel 2.17 aan hem toegerekende gedeelte van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. De gezamenlijke grondslag sparen en beleggen is de gezamenlijke rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) van de belastingplichtige en zijn partner voor zover die gezamenlijke rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn partner. Bij de berekening van het effectieve rendementspercentage wordt hierbij uitgegaan van de gezamenlijke rendementsgrondslag en wordt bij de berekening van het rendement uitgegaan van de waarde van de banktegoeden, de waarde van de overige bezittingen en de waarde van de schulden van de belastingplichtige en zijn partner tezamen.

Lid 6

Indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar nog niet binnenlands belastingplichtig is, of indien de binnenlandse belastingplicht gedurende het kalenderjaar anders dan door overlijden eindigt, wordt eveneens uitgegaan van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar maar wordt het voordeel uit sparen en beleggen naar tijdsgelang herleid, waarbij gedeelten van kalendermaanden worden verwaarloosd.

Artikel 5.3

Lid 1

De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden.

Lid 2

Bezittingen zijn:

  1. onroerende zaken;

  2. rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben;

  3. roerende zaken die door de belastingplichtige en personen die behoren tot zijn huishouden niet voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt alsmede roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt doch hoofdzakelijk als belegging dienen;

  4. rechten op roerende zaken;

  5. rechten die niet op zaken betrekking hebben, waaronder geld en

  6. overige vermogensrechten, met waarde in het economische verkeer.

Bezittingen die voortvloeien uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen, uit een belastingwet waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is, uit de Invorderingswet 1990 of uit daarmee overeenkomende buitenlandse wetgeving, worden niet in aanmerking genomen. In afwijking van de tweede volzin worden bezittingen die voortvloeien uit de erfbelasting wel in aanmerking genomen alsmede de daarmee verband houdende bezittingen voortvloeiende uit de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, of de invorderingsrente, bedoeld in hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990. De derde volzin is van overeenkomstige toepassing op bezittingen die voortvloeien uit een met de erfbelasting overeenkomende buitenlandse erfbelasting, alsmede op de daarmee verband houdende bezittingen voortvloeiende uit een renteregeling die is opgenomen in een wetgeving die overeenkomt met de Algemene wet inzake rijksbelastingen of de Invorderingswet 1990.

Lid 3

Schulden zijn verplichtingen met waarde in het economische verkeer, met dien verstande dat:

  1. verplichtingen die kunnen leiden tot uitgaven die ingevolge hoofdstuk 6 geheel of voor een deel worden aangemerkt als een persoonsgebonden aftrekpost, niet in aanmerking worden genomen;

  2. verplichtingen tot het doen van periodieke uitkeringen of verstrekkingen die ingevolge artikel 3.101, eerste lid, onderdelen b en c, geen aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn, niet in aanmerking worden genomen;

  3. verplichtingen die voortvloeien uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen, uit een belastingwet waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is, uit de Invorderingswet 1990 of uit daarmee overeenkomende buitenlandse wetgeving, niet in aanmerking worden genomen;

  4. in afwijking van onderdeel c verplichtingen die voortvloeien uit de erfbelasting wel in aanmerking worden genomen alsmede de daarmee verband houdende verplichtingen voortvloeiende uit de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, of de invorderingsrente, bedoeld in hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990;

  5. onderdeel d van overeenkomstige toepassing is op verplichtingen die voortvloeien uit een met de erfbelasting overeenkomende buitenlandse erfbelasting alsmede de daarmee verband houdende verplichtingen voortvloeiende uit een met de regeling voor de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, of de regeling voor de invorderingsrente, bedoeld in hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990, overeenkomende renteregeling;

  6. verplichtingen, niet zijnde verplichtingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c, en het vierde lid, alleen in aanmerking worden genomen voorzover de gezamenlijke waarde daarvan meer bedraagt dan € 3.800. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het in de eerste volzin, onderdeel f, genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk op € 7.600 gesteld.

Lid 4

In afwijking van het derde lid, aanhef en onderdeel d, wordt niet in aanmerking genomen de verplichting die voortvloeit uit de Successiewet 1956 met betrekking tot de toepassing van artikel 7 van de Natuurschoonwet 1928 voor zover er geen sprake is van terstond invorderbare belasting als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de Natuurschoonwet 1928.

Artikel 5.4

Lid 1

Tot de bezittingen behoren niet niet opeisbare geldvorderingen op de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige:

  1. die voortvloeien uit de verdeling van de nalatenschap van die ouder;

  2. die voortvloeien uit een door die echtgenoot schuldig gebleven vergoeding voor een legaat tegen inbreng van de waarde aan die echtgenoot op grond van een uiterste wilsbeschikking van die ouder;

  3. die anderszins voortvloeien uit een uiterste wilsbeschikking van die ouder, of

  4. ter zake van een legitieme portie als bedoeld in artikel 80, eerste lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek van de belastingplichtige die niet opeisbaar zijn op grond van artikel 81 van Boek 4 van dat wetboek of die niet opeisbaar zijn omdat de opeisbaarheid afhankelijk is van een voorwaarde of van omstandigheden als bedoeld in de artikelen 82 of 83 van Boek 4 van dat wetboek.

Lid 2

Tot de schulden behoren niet schulden die corresponderen met de in het eerste lid genoemde vorderingen.

Lid 3

Tot de bezittingen behoren niet goederen:

  1. waarop een vruchtgebruik rust ten behoeve van de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige op grond van een uiterste wilsbeschikking van die ouder dan wel op grond van buitenlands wettelijk erfrecht;

  2. waarop ten gevolge van de uitoefening door de belastingplichtige van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19 of 21 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek een vruchtgebruik rust ten behoeve van de langstlevende echtgenoot, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van Boek 4 van dat wetboek;

  3. waarop ten behoeve van de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige op grond van artikel 29 of 30 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek een vruchtgebruik is gevestigd.

Lid 4

Tot de schulden behoren niet schulden die deel uitmaken van een algemeenheid waarop een vruchtgebruik als bedoeld in het derde lid rust of is gevestigd.

Lid 5

Indien goederen ingevolge het derde lid niet tot de bezittingen van de belastingplichtige behoren, worden die goederen bij de in dat lid bedoelde echtgenoot in aanmerking genomen voor de waarde die deze goederen zouden hebben indien daarop geen vruchtgebruik zou rusten. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op schulden als bedoeld in het vierde lid.

Lid 6

Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing ingeval:

  1. een natuurlijk persoon bij plaatsvervulling tot de nalatenschap van de in het eerste of derde lid bedoelde overleden ouder is geroepen;

  2. een reeds bestaande geldvordering als bedoeld in het eerste lid dan wel een goed waarop een vruchtgebruik rust als bedoeld in het derde lid is verkregen krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht door een bloed- of aanverwant in de rechte neergaande lijn van de in het eerste lid bedoelde overleden ouder of zijn als erfgenaam achtergelaten echtgenoot.

Lid 7

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder echtgenoot mede begrepen de partner voor de bepalingen die zien op de heffing van erfbelasting, bedoeld in artikel 1a, eerste, tweede, derde en vierde lid, van de Successiewet 1956, en wordt onder ouder mede begrepen de echtgenoot van de ouder van de belastingplichtige.

Lid 8

Bezittingen die zijn verkregen onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarop een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit, worden in aanmerking genomen als waren zij onvoorwaardelijk verkregen.

Artikel 5.4a

Lid 1

Tot de bezittingen behoren niet vorderingen op de partner van de belastingplichtige die corresponderen met een schuld als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van de partner aan de belastingplichtige.

Lid 2

Tot de bezittingen behoren niet vorderingen van een minderjarig kind op een ouder aan wie de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, wordt toegerekend, die corresponderen met een schuld als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van die ouder aan dat minderjarige kind.

Lid 3

Tot de schulden behoren niet schulden die corresponderen met de vorderingen, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 5.5

Het heffingvrije vermogen bedraagt € 59.357.

Artikel 5.6

Vervallen

Artikel 5.7

Lid 1

Tot de bezittingen behoren niet:

  1. bossen;

  2. natuurterreinen;

  3. onroerende zaken die deel uitmaken van een ingevolge de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed, met uitzondering van de op deze landgoederen voorkomende gebouwde eigendommen.

Lid 2

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over hetgeen onder natuurterrein wordt verstaan.

Artikel 5.8

Lid 1

Tot de bezittingen behoren niet voorwerpen van kunst en wetenschap, tenzij deze hoofdzakelijk als belegging dienen.

Lid 2

Als voorwerpen van kunst en wetenschap worden mede aangemerkt voorwerpen van kunst en wetenschap die ter beschikking zijn gesteld aan derden voor culturele en wetenschappelijke doeleinden.

Lid 3

Voorwerpen van kunst en wetenschap die deel uitmaken van een verzameling worden niet door dit enkele feit aangemerkt als belegging.

Artikel 5.9

Tot de bezittingen behoren niet de rechten op roerende zaken die krachtens erfrecht bij de belastingplichtige zijn opgekomen voorzover deze zaken door de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt, tenzij deze rechten hoofdzakelijk als belegging dienen.

Artikel 5.10

Tot de bezittingen behoren niet:

  1. rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit levensverzekering, uitsluitend bestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van de belastingplichtige, zijn partner of een bloed- of aanverwant, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart, mits:

    1. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen per verzekerde niet meer bedraagt dan € 8.904;

      dan wel indien de som van het verzekerde kapitaal meer bedraagt dan € 8.904:

    2. de som van de waarde van die rechten per persoon niet meer bedraagt dan € 8.904;

  2. rechten op kapitaalsuitkeringen die uitsluitend kunnen plaatsvinden bij invaliditeit, ziekte of ongeval;

  3. rechten op termijnen van een in artikel 4.28 bedoelde overdrachtsprijs van een aanmerkelijk belang;

  4. geld, elektronisch geld in de vorm van een chipkaart, alsmede vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen zoals cadeaubonnen, voor een bedrag van in totaal € 672 met dien verstande dat indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, het genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk op € 1.344 wordt gesteld;

  5. ten aanzien van de Tijdelijke wet Groningen:

    1. aanspraken op vergoeding van schade door het treffen van maatregelen in natura als bedoeld in artikel 2, derde lid, van die wet;

    2. aanspraken op tegemoetkomingen in natura als bedoeld in artikel 2, tiende lid, van die wet;

    3. aanspraken op vergoeding als bedoeld in de artikelen 13ia, derde lid, 13ib, derde lid, en 13j, eerste lid, onderdeel b, van die wet voor zover deze aanspraken niet zijn gericht op de uitbetaling van geld aan de eigenaar.

Artikel 5.11

Vervallen

Artikel 5.12

Tot de bezittingen en schulden behoren niet lopende termijnen van inkomsten en verplichtingen die betrekking hebben op een tijdvak van een jaar of korter en waarvan het achterliggende vermogensbestanddeel eveneens in het bezit is van de belastingplichtige.

Artikel 5.13

Lid 1

Tot de bezittingen behoren niet groene beleggingen voor een bedrag van in totaal € 26.715. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het in de eerste volzin genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk op € 53.430 gesteld.

Lid 2

Indien een belastingplichtige zowel groene beleggingen in de vorm van een of meer banktegoeden als groene beleggingen in de vorm van overige bezittingen heeft, wordt het eerste lid toegepast op die overige bezittingen en uitsluitend voor de resterende ruimte op die banktegoeden.

Artikel 5.14

Lid 1

Groene beleggingen zijn aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen aan aangewezen groene fondsen. Aanwijzing geschiedt op verzoek van het fonds bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de aanwijzing en de intrekking van de aanwijzing.

Lid 2

Als groene fondsen kunnen voor de toepassing van dit artikel worden aangewezen:

  1. banken als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, of onderdelen van banken, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect verstrekken van kredieten ten behoeve van projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, of het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten;

  2. beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect beleggen van vermogen in projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos.

Lid 3

Projecten als bedoeld in het tweede lid zijn:

  1. in Nederland gelegen projecten of categorieën van projecten die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij ministeriële regeling of verklaring zijn aangewezen als projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos;

  2. in ontwikkelingslanden en daarmee gelijk te stellen gebieden gelegen projecten of categorieën van projecten die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking bij ministeriële regeling of verklaring zijn aangewezen als projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos.

Lid 4

Aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is ook reeds mogelijk in een aanloopperiode van drie maanden waarin een instelling nog niet voldoet aan de in het tweede lid opgenomen voorwaarde dat het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het verstrekken van kredieten ten behoeve van projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, of het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten.

Lid 5

Op verzoek van een instelling wordt de in het vierde lid bedoelde aanloopperiode van drie maanden vervangen door een ingroeiperiode van maximaal twee jaar, indien de instelling voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.

Lid 6

Op verklaringen en aanwijzingen als bedoeld in het derde lid is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet van toepassing.

Lid 7

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het administratieve onderscheid tussen het onderdeel van de bank dat het groenfonds is en de overige onderdelen van de bank en met betrekking tot het indirect verstrekken van kredieten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.

Lid 8

Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring bedoeld in het derde lid. Het ontwerp van een ministeriële regeling bedoeld in het derde lid of in de vorige volzin wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, toegezonden aan de Staten-Generaal.

Artikel 5.15

Vervallen

Artikel 5.16

Lid 1

Tot de bezittingen behoren niet nettolijfrenten.

Lid 2

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een nettolijfrente verstaan:

  1. een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125, met dien verstande dat het bedrag, genoemd in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, wordt vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in het vierde lid;

  2. een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a, met dien verstande dat het bedrag, genoemd artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel a, onder 3°, wordt vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in het vierde lid;

indien de ter zake daarvan verschuldigde premie voldoet aan de in het derde lid genoemde voorwaarden, het opbouwen van de nettolijfrente voor de belastingplichtige vrijwillig is en in de overeenkomst met de aanbieder, bedoeld in artikel 5.16a, is opgenomen dat het een nettolijfrente betreft.

Lid 3

Een lijfrente, een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in het tweede lid wordt uitsluitend als nettolijfrente aangemerkt, indien de ter zake daarvan verschuldigde premie:

  1. op de belastingplichtige heeft gedrukt;

  2. niet geheel of gedeeltelijk in aanmerking is genomen als uitgave voor inkomensvoorzieningen;

  3. blijft binnen de in deze afdeling gestelde begrenzingen;

  4. niet geheel of gedeeltelijk is voldaan na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingplichtige de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt.

Lid 4

De nettofactor bedraagt (100% – T), waarbij T gelijk is aan het in de laatste kolom van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel als derde vermelde percentage.

Lid 5

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

Artikel 5.16a

Lid 1

Als aanbieder van een nettolijfrente kan optreden:

  1. een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdelen a, onder 1°, b, c en d;

  2. een bank, beleggingsonderneming of beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 3.126a, tweede lid.

Lid 2

Een aanbieder als bedoeld in het eerste lid die naast een nettolijfrente tevens een lijfrente als bedoeld in afdeling 3.7 uitvoert of tevens optreedt als verzekeraar van een pensioenregeling in de zin van de hoofdstukken IIB en VIII van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden ter voorkoming van vermenging met vermogen ten behoeve van een nettolijfrente.

Artikel 5.16b

Lid 1

De jaarlijkse premie ter zake van alle nettolijfrenten van de belastingplichtige gezamenlijk bedraagt ten hoogste het percentage, genoemd in artikel 3.127, eerste lid, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid, van het gezamenlijke bedrag in het voorafgaande kalenderjaar van de inkomensbestanddelen, bedoeld in artikel 3.127, derde lid, onderdelen a tot en met d, voor zover dit bedrag het in artikel 3.127, derde lid, als eerste vermelde bedrag overtreft.

Lid 2

De ten hoogste in aanmerking te nemen premie, bedoeld in het eerste lid, wordt verminderd met de premie die in het voorafgaande kalenderjaar is ingelegd ten behoeve van een nettopensioenregeling als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid.

Lid 3

Artikel 3.127, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bedrag, genoemd in artikel 3.127, tweede lid, wordt vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid.

Lid 4

Artikel 3.127, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.16c

Lid 1

Ingeval op enig tijdstip:

  1. een aanspraak op een nettolijfrente niet langer als zodanig is aan te merken;

  2. een aanspraak op een nettolijfrente geheel of gedeeltelijk wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt;

  3. de verplichtingen met betrekking tot een aanspraak op een nettolijfrente overgaan op een andere aanbieder dan bedoeld in artikel 5.16a;

  4. de belastingplichtige een bijdrage van een inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft ontvangen ten behoeve van de nettolijfrente, terwijl deze inhoudingsplichtige niet in dezelfde mate aan zijn overige werknemers die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren een bijdrage heeft verstrekt;

vervalt op dat tijdstip, voor zover de onderdelen a, b, c of d van toepassing zijn, voor de aanspraak de toepassing van de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.16, eerste lid.

Lid 2

Artikel 3.133, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op nettolijfrenten.

Lid 3

Na toepassing van het eerste lid in het voorafgaande kalenderjaar op de gehele of gedeeltelijke aanspraak wordt tot de bezittingen gerekend een bedrag dat gelijk is aan de helft van de waarde van die gehele aanspraak, onderscheidenlijk gedeeltelijke aanspraak, aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien.

Lid 4

Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het in het derde lid genoemde bedrag, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolge artikel 5.16 genoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het derde lid een bedrag tot de bezittingen gerekend ter grootte van dit totale bedrag, vermenigvuldigd met 100/1,2. Voor de toepassing van dit lid wordt voor de berekening van de verschuldigde belasting geen rekening gehouden met het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5.

Lid 5

Het eerste lid is niet van toepassing op een afkoop van een nettolijfrente ingeval voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 3.133, negende lid, onderdelen a en b, en het gezamenlijke bedrag van hetgeen ter zake van dergelijke afkopen in het kalenderjaar wordt ontvangen niet meer bedraagt dan een bedrag gelijk aan het gemiddelde van het gezamenlijke bedrag van de inkomensbestanddelen, bedoeld in artikel 3.127, derde lid, onderdelen a, b, c en d, van het voorafgaande kalenderjaar en het daaraan voorafgaande kalenderjaar voor zover dat gezamenlijke bedrag het in het betreffende jaar in artikel 3.127, derde lid, eerstvermelde bedrag overschrijdt, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid.

Lid 6

Het eerste lid is mede niet van toepassing op een afkoop van een aanspraak op een nettolijfrente waarvan nog geen termijnen zijn vervallen ingeval de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op het onmiddellijk aan het tijdstip van afkoop voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan het bedrag, genoemd in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d.

Lid 7

Na toepassing van het eerste lid worden aan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, voorafgaande jaren niet meer in aanmerking genomen voor de toepassing van deze afdeling, behoudens voor de toepassing van het derde en vierde lid.

Lid 8

Voor zover een aanspraak op een nettolijfrente wordt omgezet in een andere zodanige aanspraak, wordt de tweede aanspraak beschouwd als een voortzetting van de eerste.

Lid 9

Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt niet onder afkoop verstaan het vrijvallen van een aanspraak op het tijdstip waarop de belastingplichtige ophoudt binnenlandse belastingplichtige te zijn.

Lid 10

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

Artikel 5.17

Lid 1

Tot de bezittingen behoren niet aanspraken ingevolge een nettopensioenregeling.

Lid 2

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een nettopensioenregeling verstaan een regeling:

  1. die ten doel heeft het treffen van een voorziening als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° of 4°, van de Wet op de loonbelasting 1964, dan wel een daarmee naar aard en strekking overeenkomende voorziening ingevolge een regeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdelen b en c;

  2. die voldoet aan de in artikel 18, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde voorwaarden;

  3. waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, van de Wet op de loonbelasting 1964;

  4. die blijft binnen de in of krachtens deze afdeling vastgestelde begrenzingen.

Lid 3

Een nettopensioenregeling kan voorzien in:

  1. netto-ouderdomspensioen of nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum bij overlijden op of na pensioendatum (artikel 5.17a);

  2. nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum (artikel 5.17b);

  3. nettowezenpensioen (artikel 5.17c).

Artikel 5.17a

Lid 1

Een netto-ouderdomspensioen en een nettopartnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum worden opgebouwd over ten hoogste het bedrag dat ingevolge artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964 niet tot het pensioengevend loon behoort. De premie bedraagt ten hoogste het percentage, genoemd in artikel 18a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, van dat bedrag, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de kosten die zijn begrepen in de premie, bedoeld in de tweede zin.

Lid 2

Artikel 18a, vierde en vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.17b

Lid 1

Een nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum bedraagt niet meer dan 50% van het bedrag dat ingevolge artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964 niet tot het laatstgenoten pensioengevend loon, bedoeld in artikel 18b, eerste lid, van die wet, behoort, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid.

Lid 2

Artikel 18b, tweede en derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.17c

Lid 1

Een nettowezenpensioen bedraagt voor halve wezen niet meer dan 20% van het bedrag dat ingevolge artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964 niet tot het laatstgenoten pensioengevend loon, bedoeld in artikel 18c, eerste lid, van die wet, behoort, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid.

Lid 2

Een nettowezenpensioen bedraagt voor volle wezen niet meer dan 40% van het bedrag dat ingevolge artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964 niet tot het laatstgenoten pensioengevend loon, bedoeld in artikel 18c, tweede lid, van die wet, behoort, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid.

Lid 3

Artikel 18c, derde en vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.17d

Artikel 18d van de Wet op de loonbelasting 1964 is van overeenkomstige toepassing op een netto-ouderdomspensioen, een nettopartnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum, een nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en een nettowezenpensioen met dien verstande dat het in het tweede lid van dat artikel genoemde bedrag wordt vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid.

Artikel 5.17e

Lid 1

Ingeval op enig tijdstip:

  1. een aanspraak op een nettopensioen niet langer als zodanig is aan te merken;

  2. een aanspraak ingevolge een nettopensioen geheel of gedeeltelijk wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt;

  3. de verplichtingen met betrekking tot een aanspraak op een nettopensioen overgaan op een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 5.17, tweede lid, onderdeel c;

  4. de belastingplichtige een bijdrage van een inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft ontvangen ten behoeve van het nettopensioen, terwijl deze inhoudingsplichtige niet in dezelfde mate aan zijn overige werknemers die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren een bijdrage heeft verstrekt;

vervalt op dat tijdstip voor de volledige aanspraak de toepassing van de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.17, eerste lid.

Lid 2

Na toepassing van het eerste lid in het voorafgaande kalenderjaar wordt tot de bezittingen gerekend een bedrag dat gelijk is aan de helft van de waarde van de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien.

Lid 3

Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het in het tweede lid genoemde bedrag, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolge artikel 5.17 genoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het tweede lid een bedrag tot de bezittingen gerekend ter grootte van dit totale bedrag, vermenigvuldigd met 100/1,2. Voor de toepassing van dit lid wordt voor de berekening van de verschuldigde belasting geen rekening gehouden met het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5.

Lid 4

Na toepassing van het eerste lid worden aan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, voorafgaande dienstjaren niet meer in aanmerking genomen voor de toepassing van deze afdeling, behoudens voor de toepassing van het tweede en derde lid.

Lid 5

Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen:

  1. wordt niet onder afkoop verstaan het vrijvallen van een aanspraak op het tijdstip waarop de belastingplichtige ophoudt binnenlandse belastingplichtige te zijn;

  2. is artikel 19b, tweede tot en met achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing;

  3. is het eerste lid mede niet van toepassing voor zover een in onderdeel b van dat lid bedoelde uitkering of afkoopsom wordt uitgekeerd met toepassing van artikel 69, tweede lid, van de Pensioenwet of artikel 80a, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Artikel 5.17f

Lid 1

Bij ministeriële regeling kunnen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.18 en in artikel 18g van de Wet op de loonbelasting 1964, regels worden gesteld met betrekking tot de perioden die voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen in aanmerking komen als dienstjaren alsmede met betrekking tot het pensioengevend loon.

Lid 2

Bij de toepassing van deze afdeling is artikel 19d van de Wet op de loonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing.

Lid 3

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van deze afdeling.

Artikel 5.18

Vervallen

Artikel 5.19

Lid 1

Bezittingen en schulden worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer.

Lid 2

Bezittingen en schulden die, al dan niet tezamen, in het economische verkeer als een eenheid plegen te worden beschouwd, worden als eenheid in aanmerking genomen.

Lid 3

Indien de waarde van een bezitting of van een schuld op de peildatum niet kan worden bepaald, wordt die waarde bepaald op het naastbij gelegen tijdstip waarop dat wel mogelijk is.

Lid 4

Genotsrechten die zijn verleend tegen een zakelijke vergoeding die wordt voldaan in regelmatig vervallende termijnen die betrekking hebben op een tijdvak van ten hoogste een jaar, worden gewaardeerd op nihil. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op schulden die corresponderen met de aldaar bedoelde genotsrechten.

Artikel 5.20

Lid 1

De waarde van een woning, wordt, in afwijking van artikel 5.19, eerste lid, gesteld op de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar. Indien de woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de waarde van de woning gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan de woning.

Lid 2

Indien met betrekking tot een woning het eerste lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, wordt de waarde van de woning bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 18 en 20, tweede lid, van die wet.

Lid 3

Indien een woning geheel of gedeeltelijk wordt verhuurd en op deze verhuur afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, of ingevolge een voor ten minste 12 jaren aangegane pachtovereenkomst wordt verpacht en op deze verpachting titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, wordt de waarde gesteld op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage van het waardegegeven, bedoeld in het eerste of tweede lid.

Lid 4

In geval van erfpacht wordt voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen het in het eerste of tweede lid bedoelde waardegegeven verminderd met een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen waarde van de erfpachtcanon.

Lid 5

Het derde lid is niet van toepassing indien sprake is van:

  1. een voor bepaalde tijd aangegane huurovereenkomst als bedoeld in artikel 271 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; of

  2. gelieerde partijen die een zodanige huurprijs of pachtprijs zijn overeengekomen dat deze tussen willekeurige derden niet zou zijn overeengekomen.

Artikel 5.21

Voor de waardering van effecten die zijn opgenomen in enige bij ministeriële regeling aangewezen prijscourant wordt de waarde in het economische verkeer op de peildatum gesteld op de slotnotering die is vermeld in de prijscourant die betrekking heeft op de laatste beursdag van het voorafgaande kalenderjaar.

Artikel 5.22

Lid 1

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in aanmerking te nemen waarde van genotsrechten.

Lid 2

Bezittingen waarop een genotsrecht is gevestigd, worden gewaardeerd op het verschil van de waarde van de onbezwaarde bezitting en de overeenkomstig het eerste lid vastgestelde waarde van het genotsrecht. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op schulden waarvan een genotsgerechtigde de rente moet voldoen.

Lid 3

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder genotsrecht: elke gerechtigdheid tot voordelen uit goederen.

Lid 4

Indien een genotsrecht is gevestigd in de vorm van verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.101, tweede lid, wordt voor de toepassing van het tweede lid de waarde van het genotsrecht op nihil gesteld.

Artikel 5.23

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, in het kader van dit hoofdstuk passende, regels worden gesteld ten behoeve van de waardering van bezittingen en schulden.

Artikel 5.24

Lid 1

Indien aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) de waarde van de overige bezittingen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de belastingplichtige als gevolg van zijn handelingen lager is dan de hoogste waarde van zijn overige bezittingen in een aaneengesloten periode van drie maanden die aanvangt voor en eindigt na die peildatum, en tevens op die peildatum de waarde van de banktegoeden, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de belastingplichtige als gevolg van zijn handelingen hoger is dan de laagste waarde van zijn banktegoeden in die periode, worden die handelingen voor de toepassing van artikel 5.2 geacht niet te hebben plaatsgevonden, voor zover zowel de waarde van zijn overige bezittingen op enig na die peildatum gelegen moment in die periode hoger is dan de waarde van zijn overige bezittingen op die peildatum als de waarde van zijn banktegoeden op enig na die peildatum gelegen moment in die periode lager is dan de waarde van zijn banktegoeden op die peildatum. De eerste zin is niet van toepassing voor zover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag lagen.

Lid 2

Indien op de peildatum de waarde van de schulden, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de belastingplichtige als gevolg van zijn handelingen hoger is dan de laagste waarde van zijn schulden in een aaneengesloten periode van drie maanden die aanvangt voor en eindigt na die peildatum, worden die handelingen voor de toepassing van artikel 5.2 geacht niet te hebben plaatsgevonden, voor zover de waarde van zijn schulden op enig na die peildatum gelegen moment in die periode lager is dan de waarde van zijn schulden op die peildatum. De eerste zin is niet van toepassing voor zover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag lagen.

Lid 3

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste en tweede lid.

Artikel 5.25

Lid 1

Indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het werkelijke rendement van bezittingen en schulden lager is dan het voordeel uit sparen en beleggen, wordt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in afwijking van artikel 5.1 gesteld op het werkelijke rendement van bezittingen en schulden, verminderd met de persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6).

Lid 2

Voor de toepassing van het eerste lid wordt het werkelijke rendement van bezittingen en schulden ten minste op nihil gesteld.

Lid 3

Het werkelijke rendement van bezittingen en schulden van een minderjarig kind wordt overeenkomstig artikel 2.15 toegerekend aan de ouder of ouders.

Lid 4

Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het aan hem toegerekende gedeelte van het gezamenlijke werkelijke rendement van bezittingen en schulden bij hem in aanmerking genomen als het werkelijke rendement van bezittingen en schulden. Deze toerekening geschiedt naar rato van de voor de bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen toegepaste toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen.

Lid 5

Het gezamenlijke werkelijke rendement van bezittingen en schulden is het werkelijke rendement van bezittingen en schulden van de belastingplichtige en zijn partner tezamen.

Lid 6

In afwijking van de artikelen 4:1, 4:2, eerste lid, 6:4, eerste lid en 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt de belastingplichtige bij een beroep op de tegenbewijsregeling op basis van het werkelijke rendement gebruik van een door de inspecteur ter beschikking te stellen formulier.

Lid 7

Ter aanvulling op het ter beschikking gestelde formulier kunnen tot zes weken na verzending van het formulier nadere stukken ingediend worden.

Lid 8

Het zesde en zevende lid is niet van toepassing indien de gegevens voor de tegenbewijsregeling op basis van het werkelijke rendement door de inspecteur zijn gevraagd als onderdeel van de uitnodiging tot het doen van aangifte.

Artikel 5.26

Lid 1

Het werkelijke rendement van bezittingen en schulden is het gezamenlijke bedrag van alle voordelen die worden behaald met bezittingen en schulden.

Lid 2

De voordelen bestaan uit:

  1. de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden; en

  2. de vermogensaanwas van bezittingen en schulden.

Lid 3

Bij het bepalen van het werkelijke rendement van bezittingen en schulden zijn de artikelen 5.3, derde lid, onderdeel f, 5.10, onderdelen a en d, en 5.13 niet van toepassing, evenmin als hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.

Lid 4

Bij het bepalen van het werkelijke rendement van bezittingen en schulden is artikel 5.12 uitsluitend van toepassing, indien het achterliggende vermogensbestanddeel, bedoeld in dat artikel, een banktegoed is als bedoeld in artikel 5.2, derde lid.

Artikel 5.27

Lid 1

Tot de reguliere voordelen behoren in ieder geval genoten:

  1. rente;

  2. huur;

  3. pacht;

  4. dividend;

  5. winstuitkering;

  6. vergoeding voor het verstrekken van kapitaal;

  7. licentievergoeding;

  8. gebruiksvergoeding;

  9. voordeel uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan van een onroerende zaak of een deel daarvan.

Lid 2

Negatieve reguliere voordelen zijn door de belastingplichtige verschuldigde renten ter zake van:

  1. een door hem aangegane schuld;

  2. een banktegoed als bedoeld in artikel 5.2, derde lid, of een door hem verstrekte geldlening.

Lid 3

Indien bij een niet onder zakelijke omstandigheden gesloten overeenkomst voorwaarden zijn bedongen die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, worden de reguliere voordelen bepaald alsof laatstbedoelde voorwaarden zijn overeengekomen.

Artikel 5.27a

Lid 1

Het voordeel uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan van een onroerende zaak of een deel daarvan wordt gesteld op de economische huurwaarde per jaar van die onroerende zaak, onderscheidenlijk van dat deel van die onroerende zaak.

Lid 2

Indien een onroerende zaak of een deel daarvan een gedeelte van het kalenderjaar voor eigen gebruik ter beschikking staat, wordt het voordeel uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan gesteld op de economische huurwaarde per jaar van die onroerende zaak, onderscheidenlijk van dat deel van die onroerende zaak, gedeeld door het totale aantal dagen in het kalenderjaar en vermenigvuldigd met het aantal dagen in het kalenderjaar dat die onroerende zaak, onderscheidenlijk dat deel van die onroerende zaak, de gehele dag voor eigen gebruik ter beschikking staat.

Lid 3

Een onroerende zaak of een deel daarvan staat in ieder geval niet voor eigen gebruik ter beschikking voor zover die onroerende zaak, onderscheidenlijk dat deel van die onroerende zaak, wordt verhuurd of verpacht, in aanbouw is of onbruikbaar is door een brand of een verbouwing.

Artikel 5.28

Lid 1

De vermogensaanwas van bezittingen en schulden bestaat uit het verschil tussen de waarde aan het einde van het kalenderjaar van het saldo van bezittingen en schulden en de waarde aan het begin van het kalenderjaar van het saldo van bezittingen en schulden, verminderd met de stortingen en vermeerderd met de onttrekkingen.

Lid 2

Voor de toepassing van het eerste lid wordt:

  1. een afname van een negatief saldo van bezittingen en schulden als een positieve vermogensaanwas in aanmerking genomen;

  2. een toename van een negatief saldo van bezittingen en schulden als een negatieve vermogensaanwas in aanmerking genomen.

Artikel 5.29

Lid 1

Een storting is een positieve waardemutatie van het saldo van bezittingen en schulden die het directe gevolg is van:

  1. het tot de bezittingen gaan behoren van een vermogensbestanddeel; of

  2. het niet langer tot de schulden behoren van een schuld.

Lid 2

Als storting wordt mede aangemerkt een positieve waardemutatie die het directe gevolg is van een uitbreiding of verbetering van een bezitting voor zover die waardemutatie niet reeds een storting is op grond van het eerste lid.

Lid 3

In afwijking van het eerste en tweede lid is een positieve waardemutatie die voortvloeit uit een uitbreiding of verbetering van een woning geen storting.

Lid 4

In afwijking van het eerste lid is een positieve waardemutatie die voortvloeit uit onderhoud van een bezitting geen storting.

Lid 5

Stortingen worden in aanmerking genomen tegen de waarde ten tijde van de storting.

Artikel 5.30

Lid 1

Een onttrekking is een negatieve waardemutatie van het saldo van bezittingen en schulden die het directe gevolg is van:

  1. het niet langer tot de bezittingen behoren van een bezitting; of

  2. het tot de schulden gaan behoren van een verplichting.

Lid 2

Onttrekkingen worden in aanmerking genomen tegen de waarde ten tijde van de onttrekking.

Artikel 5.31

Lid 1

De waarde van bezittingen en schulden wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van afdeling 5.4 en de daarop berustende bepalingen, met dien verstande dat:

  1. de waarde van een woning wordt bepaald op basis van het tweede tot en met vijfde lid;

  2. artikel 5.21 niet wordt toegepast, indien ter zake van het betreffende effect sprake is van een lopende termijn van inkomsten of verplichtingen waarvan de waarde niet of niet volledig in de notering in de prijscourant is verdisconteerd.

Lid 2

De waarde van een woning:

  1. aan het begin van het kalenderjaar: wordt gesteld op de op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, voor die woning voor het kalenderjaar vastgestelde waarde;

  2. aan het einde van het kalenderjaar: wordt gesteld op de op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, voor die woning voor het daaropvolgende kalenderjaar vastgestelde waarde of, indien het derde lid van toepassing is, op de waarde die op grond van het derde lid aan het einde van het kalenderjaar in aanmerking wordt genomen;

  3. op een ander tijdstip in het kalenderjaar: wordt gesteld op de waarde, bedoeld in onderdeel a, vermeerderd met een tijdsevenredige waardemutatie die wordt berekend door het verschil tussen de waarde, bedoeld in onderdeel b, en de waarde, bedoeld in onderdeel a, te delen door het totale aantal dagen van het kalenderjaar en te vermenigvuldigen met het aantal dagen dat op dat tijdstip is verstreken sinds het begin van het kalenderjaar.

Lid 3

Indien artikel 18, derde lid, onderdeel b, van de Wet waardering onroerende zaken vanwege een uitbreiding of verbetering van een woning wordt toegepast of op overeenkomstige wijze wordt toegepast bij het bepalen van de op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, voor het daaropvolgende kalenderjaar vastgestelde waarde, wordt als waarde aan het einde van het kalenderjaar in aanmerking genomen de waarde die zonder die uitbreiding of verbetering van de woning op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, zou zijn vastgesteld voor het daaropvolgende kalenderjaar.

Lid 4

Artikel 5.20, derde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

  1. de betreffende waarde van de woning wordt gesteld op het percentage, bedoeld in artikel 5.20, derde lid, van de met toepassing van het tweede lid berekende waarde van de woning;

  2. de berekening van dat percentage wordt gebaseerd op de hoogte van de huur of de pacht zoals die geldt op het tijdstip waarvoor de betreffende waarde geldt.

Lid 5

Artikel 5.20, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de met toepassing van het tweede lid berekende waarde van de woning wordt verminderd met de waarde van de erfpachtcanon, bedoeld in artikel 5.20, vierde lid.

Artikel 5.31a

Voor de toepassing van deze afdeling behoren rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit levensverzekering, uitsluitend bestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van de belastingplichtige, zijn partner of een bloed- of aanverwant, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart, uitsluitend tot de bezittingen, indien:

  1. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen aan het begin van het kalenderjaar per verzekerde meer bedraagt dan het in artikel 5.10, onderdeel a, vermelde bedrag; en

  2. de som van de waarde van die rechten aan het begin van het kalenderjaar per persoon meer bedraagt dan het in artikel 5.10, onderdeel a, vermelde bedrag.

Artikel 5.31b

Lid 1

Voor de toepassing van deze afdeling behoren geld, elektronisch geld in de vorm van een chipkaart, alsmede vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen, zoals cadeaubonnen, uitsluitend tot de bezittingen, indien het totale bedrag van die vermogensbestanddelen aan het begin van het kalenderjaar hoger is dan het in artikel 5.10, onderdeel d, eerstvermelde bedrag. In dat geval wordt een deel van het werkelijke rendement van die vermogensbestanddelen niet in aanmerking genomen. Dit deel wordt berekend door het werkelijke rendement van die vermogensbestanddelen te vermenigvuldigen met het quotiënt van het in artikel 5.10, onderdeel d, eerstvermelde bedrag en het totale bedrag van die vermogensbestanddelen aan het begin van het kalenderjaar. Hierbij wordt het werkelijke rendement van die vermogensbestanddelen bepaald met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5.26 tot en met 5.31, 5.33 en 5.34.

Lid 2

Ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het eerste lid toegepast op het gezamenlijke geld, het gezamenlijke elektronische geld in de vorm van een chipkaart, alsmede de gezamenlijke vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen, zoals cadeaubonnen, van de belastingplichtige en zijn partner, met dien verstande dat daarbij het in artikel 5.10, onderdeel d, als tweede vermelde bedrag wordt toegepast.

Artikel 5.32

Lid 1

Voor de toepassing van deze afdeling behoren groene beleggingen uitsluitend tot de bezittingen, indien de waarde van de groene beleggingen aan het begin van het kalenderjaar hoger is dan het in artikel 5.13, eerste lid, eerstvermelde bedrag. In dat geval wordt een deel van het werkelijke rendement van die groene beleggingen niet in aanmerking genomen. Dit deel wordt berekend door het werkelijke rendement van de groene beleggingen te vermenigvuldigen met het quotiënt van het in artikel 5.13, eerste lid, eerstvermelde bedrag en de waarde van de groene beleggingen aan het begin van het kalenderjaar. Hierbij wordt het werkelijke rendement van de groene beleggingen bepaald met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5.26 tot en met 5.31, 5.33 en 5.34.

Lid 2

Ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het eerste lid toegepast op de gezamenlijke groene beleggingen van de belastingplichtige en zijn partner, met dien verstande dat daarbij het in artikel 5.13, eerste lid, als tweede vermelde bedrag wordt toegepast.

Artikel 5.32a

Lid 1

Voor de toepassing van deze afdeling behoren rechten op kapitaalsuitkeringen als bedoeld in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 uitsluitend tot de bezittingen, indien de waarde van die rechten aan het begin van het kalenderjaar hoger is dan € 123.428. In dat geval wordt een deel van het werkelijke rendement van die rechten niet in aanmerking genomen. Dit deel wordt berekend door het werkelijke rendement van die rechten te vermenigvuldigen met het quotiënt van € 123.428 en de waarde van die rechten aan het begin van het kalenderjaar. Hierbij wordt het werkelijke rendement van die rechten bepaald met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5.26 tot en met 5.31, 5.33 en 5.34.

Lid 2

Ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het eerste lid toegepast op de gezamenlijke rechten op kapitaalsuitkeringen als bedoeld in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 van de belastingplichtige en zijn partner, met dien verstande dat daarbij een bedrag van € 246.856 wordt toegepast.

Artikel 5.33

Lid 1

Indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar nog niet binnenlands belastingplichtig is, wordt bij de toepassing van artikel 5.28 voor het begin van het kalenderjaar gelezen: het begin van de binnenlandse belastingplicht.

Lid 2

Indien de binnenlandse belastingplicht gedurende het kalenderjaar eindigt, wordt bij de toepassing van artikel 5.28 voor het einde van het kalenderjaar gelezen: het einde van de binnenlandse belastingplicht.

Artikel 5.34

Lid 1

Reguliere voordelen behoren tot het werkelijke rendement in het kalenderjaar waarin zij zijn:

  1. ontvangen;

  2. verrekend;

  3. ter beschikking gesteld;

  4. rentedragend geworden; of

  5. vorderbaar en inbaar geworden.

Lid 2

Negatieve reguliere voordelen behoren tot het werkelijke rendement in het kalenderjaar waarin zij zijn:

  1. betaald;

  2. verrekend;

  3. ter beschikking gesteld; of

  4. rentedragend geworden.

Artikel 5.35

Lid 1

Na toepassing van artikel 5.16c, eerste lid, in het voorafgaande kalenderjaar op de gehele of gedeeltelijke aanspraak op een nettolijfrente wordt tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend het product van het in artikel 5.2, tweede lid, als tweede vermelde percentage en het bedrag dat gelijk is aan de helft van de waarde van die gehele aanspraak, onderscheidenlijk gedeeltelijke aanspraak, aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien.

Lid 2

Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het bedrag dat ingevolge het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden wordt gerekend, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolge artikel 5.16 genoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend dit totale bedrag vermenigvuldigd met het quotiënt van 100% en het in artikel 2.13 vermelde percentage.

Artikel 5.36

Lid 1

Na toepassing van artikel 5.17e, eerste lid, in het voorafgaande kalenderjaar op de aanspraak op een nettopensioen wordt tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend het product van het in artikel 5.2, tweede lid, als tweede vermelde percentage en het bedrag dat gelijk is aan de helft van de waarde van die aanspraak aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien.

Lid 2

Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het bedrag dat ingevolge het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden wordt gerekend, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolge artikel 5.17 genoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend dit totale bedrag vermenigvuldigd met het quotiënt van 100% en het in artikel 2.13 vermelde percentage.