Artikel 22.21 Omgevingswet

Lid 1

Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur draagt uit een oogpunt van rechtszekerheid tezamen met gedeputeerde staten van de provincies zorg voor het legaliseren van de projecten met een geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die voldeden aan de voorwaarden van artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming, zoals dat luidde op 28 mei 2019.

Lid 2

Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur stelt voor 1 mei 2026 een programma vast met maatregelen om de in het eerste lid bedoelde projecten te legaliseren. Het programma bevat primair gerichte maatregelen voor het verminderen van stikstofemissie.

Lid 3

Maatregelen om de gevolgen van de projecten ongedaan te maken, te beperken of te compenseren, worden alleen in het programma opgenomen voor zover zij niet zijn opgenomen in het programma, bedoeld in artikel 3.9, vierde lid.

Lid 4

De in het programma opgenomen maatregelen worden uitgevoerd voor 1 maart 2028.

Lid 5

Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zendt uiterlijk 1 juli 2027 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de krachtens het tweede lid in het programma opgenomen maatregelen in de praktijk en of aanpassing van het programma benodigd is.

Lid 6

In het programma opgenomen compenserende maatregelen als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Lid 7

De artikelen 2.25, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, 3.12, 3.18, eerste en tweede lid, 3.19, eerste en tweede lid, 16.27, 16.77b, tweede lid, en 16.139 zijn van overeenkomstige toepassing.

Lid 8

Het programma wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.