Afdeling 11.1. Activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden
Wordt genoemd in:
Artikel 11.1
Lid 1
Deze afdeling gaat over activiteiten die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben.
Lid 2
Deze afdeling gaat niet over activiteiten die onderwerp zijn van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor zover zij worden verricht in de exclusieve economische zone.
Artikel 11.2
De regels in paragraaf 11.1.2 zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming.
Artikel 11.3
Tenzij in artikel 11.4 anders is bepaald, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 11.4
Lid 1
Voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit en voor een in het tweede lid van dat artikel aangewezen activiteit die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben is Onze Minister voor Natuur en Stikstof het bevoegd gezag:
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Lid 2
Onze Minister voor Natuur en Stikstof is ook het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen of dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor een activiteit met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een bijzonder nationaal natuurgebied.
Artikel 11.5
Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 11.6
Lid 1
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang, bedoeld in artikel 11.2, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Lid 2
De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat:
voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen;
wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten;
als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen;
alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen;
tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en
het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich, ondanks de getroffen maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Artikel 11.7
Lid 1
Een maatwerkregel kan in de omgevingsverordening worden gesteld over de artikelen 11.6, 11.12, 11.13 en 11.14.
Lid 2
Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 11.13 en 11.14.
Lid 3
Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op natuurbescherming.
Artikel 11.8
Een maatwerkregel wordt niet gesteld over een activiteit waarvoor Onze Minister voor Natuur en Stikstof een bevoegdheid als bedoeld in artikel 11.4 heeft.
Artikel 11.9
Lid 1
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden verbonden, over de artikelen 11.6, 11.12, 11.13 en 11.14.
Lid 2
Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 11.13 en 11.14.
Lid 3
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.
Lid 4
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een Natura 2000-activiteit zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in paragraaf 8.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.10
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4, worden die ondertekend en voorzien van:
de aanduiding van de activiteit;
de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
de dagtekening.
Artikel 11.11
Lid 1
Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in artikel 11.10, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4.
Lid 2
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4.
Artikel 11.12
Lid 1
Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4, worden over een activiteit die wordt verricht of is voorgenomen en die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels, maatwerkregels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gelet op de instandhoudingsdoelstellingen.
Lid 2
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 11.13
Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
Artikel 11.14
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4:
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 11.15
Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 11.13 en 11.14 niet versoepeld.
Artikel 11.16
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet, als:
het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en toepassing is gegeven aan artikel 6, derde lid, of in voorkomend geval artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn; of
de activiteit onderwerp is van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en plaatsvindt in de exclusieve economische zone.
Artikel 11.17
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.
Artikel 11.18
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet voor een Natura 2000-activiteit in gevallen aangewezen in een programma.
Lid 2
Het programma:
heeft geheel of ook betrekking op de inrichting, het beheer of het gebruik van een Natura 2000-gebied en bevat maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied te bereiken; of
heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling:
de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken Natura 2000-activiteiten.
Artikel 11.19
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet voor een Natura 2000-activiteit in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening.
Lid 2
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de omgevingsverordening bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt.
Artikel 11.20
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit of als dat in het algemeen belang geboden is, in gevallen aangewezen bij ministeriële regeling.
Lid 2
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit of als dat in het algemeen belang geboden is, in gevallen aangewezen bij ministeriële regeling niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de ministeriële regeling bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt.
Artikel 11.21
Lid 1
Een Natura 2000-activiteit wordt in een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.18, 11.19 of 11.20 alleen als vergunningvrij geval aangewezen als:
op voorhand op grond van objectieve gegevens met zekerheid kan worden uitgesloten dat die activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben;
een passende beoordeling als bedoeld in artikel 8.74b van het Besluit kwaliteit leefomgeving is uitgevoerd, waaruit de zekerheid is verkregen dat die activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten; of
voor zover het een aanwijzing in een omgevingsverordening of ministeriële regeling betreft: de activiteit, met inachtneming van artikel 8.74b, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kan worden gerechtvaardigd op grond van dwingende redenen van groot openbaar belang, het ontbreken van alternatieve oplossingen en het treffen van compenserende maatregelen die waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
Lid 2
Aan artikel 11.19, tweede lid, of 11.20, tweede lid, wordt alleen toepassing gegeven, als:
op voorhand op grond van objectieve gegevens met zekerheid kan worden uitgesloten dat de Natura 2000-activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten door de betrokken factor significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben; of
een passende beoordeling als bedoeld in artikel 8.74b is uitgevoerd, waaruit de zekerheid is verkregen dat de Natura 2000-activiteit door de betrokken factor de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.