Hoofdstuk 17. Afval van schepen in binnenwateren

Wordt genoemd in:

Artikel 17.1

Lid 1

Dit hoofdstuk gaat over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam dat deel uitmaakt van de binnenwateren als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee die zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Lid 2

Afdeling 17.3 gaat over het verstrekken van certificaten voor zuiveringsvoorzieningen.

Lid 3

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  1. erkende certificatie-instantie: certificatie-instantie met een erkenning als bedoeld in artikel 17.21;

  2. fabrikant: degene die verantwoordelijk is voor de conformiteit van de productie;

  3. typegoedkeuring: goedkeuring van een tot een bepaald type horende zuiveringsvoorziening;

  4. pleziervaartuig: pleziervaartuig als bedoeld in artikel 1 van de Wet pleziervaartuigen 2016; en

  5. zuiveringsvoorziening: voorziening aan boord van een pleziervaartuig die toiletwater zuivert.

Artikel 17.2

De regels in de afdelingen 17.1 en 17.2 zijn gesteld met het oog op:

  1. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

  2. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

  3. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en

  4. het beschermen van de gezondheid.

Artikel 17.3

Voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:

  1. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of

  2. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.

Artikel 17.4

Voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij een waterschap is het dagelijks bestuur van het waterschap waarbinnen de activiteit wordt verricht het bevoegd gezag:

  1. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of

  2. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.

Artikel 17.5

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 17.6

Lid 1

Degene die een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 17.2, is verplicht:

  1. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  2. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

  3. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Lid 2

Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

  1. alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen;

  2. de beste beschikbare technieken worden toegepast;

  3. geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt; en

  4. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.

Artikel 17.7

Lid 1

Een maatwerkregel kan worden gesteld over artikel 17.6 en afdeling 17.2, met uitzondering van bepalingen waarin lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam worden aangewezen.

Lid 2

Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van afdeling 17.2, tenzij anders is bepaald.

Lid 3

Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 17.2.

Lid 4

Een maatwerkregel wordt voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij een waterschap gesteld in de waterschapsverordening.

Artikel 17.8

Lid 1

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de artikelen 17.6, 17.11 en 17.12 en afdeling 17.2, met uitzondering van bepalingen waarin lozingsactiviteiten worden aangewezen.

Lid 2

Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van afdeling 17.2, tenzij anders is bepaald.

Lid 3

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan voor een periode van ten hoogste negen maanden ook worden afgeweken van artikel 17.6, tweede lid, onder a en b, voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld:

  1. een hoger of ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu kan opleveren; en

  2. grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de voor de die activiteit bestaande beste beschikbare technieken.

Lid 4

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

Lid 5

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in de artikelen 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31, 8.33, 8.84, 8.88, 8.92 en 8.98 tot en met 8.100 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17.9

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 17.3 en 17.4, worden die ondertekend en voorzien van:

  1. de aanduiding van de activiteit;

  2. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; en

  3. de dagtekening.

Artikel 17.10

Lid 1

Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 17.9, onder b, wijzigen, worden die gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 17.3 en 17.4.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 17.3 en 17.4.

Artikel 17.11

Lid 1

Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 17.3 en 17.4, worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen met betrekking tot die watersystemen.

Lid 2

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 17.12

Het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 17.3 en 17.4, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 17.13

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 17.3 en 17.4:

  1. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

  2. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

  3. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

  4. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.

Artikel 17.14

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 17.12 en 17.13 niet versoepeld.

Artikel 17.15

Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 17.1 wordt aangewezen het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van een pleziervaartuig.

Artikel 17.16

Lid 1

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt vanaf een pleziervaartuig geen toiletwater geloosd.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid kan toiletwater vanaf een pleziervaartuig worden geloosd als:

  1. het toiletwater wordt geleid door een zuiveringsvoorziening met een certificaat van typegoedkeuring, verstrekt door een erkende certificatie-instantie; of

  2. het toilet zodanig is geconstrueerd dat via dat toilet alleen urine en spoelwater kunnen worden geloosd.

Artikel 17.16a

Lid 1

Op een zuiveringsvoorziening met een certificaat van typegoedkeuring zijn de volgende gegevens zichtbaar:

  1. het handelsmerk of de handelsnaam van de fabrikant;

  2. de naam en het serienummer van de zuiveringsvoorziening;

  3. het bouwjaar van de zuiveringsvoorziening; en

  4. de naam van de certificatie-instantie en het nummer van het verleende certificaat.

Lid 2

Bij de zuiveringsvoorziening is een kopie van het certificaat van typegoedkeuring aanwezig.

Artikel 17.17

Lid 1

Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 17.1 wordt aangewezen het lozen van stoffen of afvalwater afkomstig van een vaartuig.

Lid 2

Onder de aanwijzing valt niet:

  1. het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van een pleziervaartuig; en

  2. het lozen van scheepsafvalstoffen of delen van de lading vanaf een schip afkomstig van een schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart.

Artikel 17.18

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 17.17.

Artikel 17.19

Deze afdeling gaat over het verstrekken van certificaten voor zuiveringsvoorzieningen.

Artikel 17.20

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan op aanvraag een erkenning verlenen aan een certificatie-instantie voor het verstrekken van certificaten voor zuiveringsvoorzieningen.

Artikel 17.21

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verleent de erkenning als de certificatie-instantie:

  1. is geaccrediteerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065; en

  2. in staat is op deskundige en onafhankelijke wijze te beoordelen of de zuiveringsvoorziening voldoet aan de grenswaarden, bedoeld in artikel 17.25, eerste lid, onder a.

Artikel 17.22

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat houdt een lijst bij van erkende certificatie-instanties en stelt die beschikbaar via een aangewezen website. Het besluit tot aanwijzing van de website wordt in de Staatscourant gepubliceerd.

Artikel 17.23

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een erkenning intrekken:

  1. als de certificatie-instantie niet meer voldoet aan artikel 17.21;

  2. als blijkt dat de erkenning is verleend op grond van onjuiste gegevens en bescheiden en de erkenning niet zou zijn verleend als de juiste gegevens en bescheiden op het moment van verlening bekend zouden zijn geweest; of

  3. op verzoek van de erkende certificatie-instantie.

Artikel 17.24

Een erkende certificatie-instantie stelt een procedure vast waarmee aan een fabrikant van zuiveringsvoorzieningen in ieder geval wordt gevraagd gegevens en bescheiden te verstrekken over:

  1. het ontwerp, de kenmerken en de prestaties van de zuiveringsvoorziening;

  2. de onderdelen en de afstellingen die van invloed zijn op de effectiviteit van de toiletwaterzuivering; en

  3. wijzigingen in de gegevens en bescheiden, bedoeld onder a en b.

Artikel 17.25

Lid 1

De erkende certificatie-instantie verstrekt een certificaat van typegoedkeuring voor een zuiveringsvoorziening als:

  1. het toiletwater nadat het door de zuiveringsvoorziening is geleid niet de grenswaarden, bedoeld in tabel 17.25, overschrijdt, vastgesteld met een meting volgens artikel 17.26;

  2. tijdens het testen van de zuiveringsvoorziening niet is gebleken dat aan het gebruik ervan significante risico’s voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu zijn verbonden;

  3. de zuiveringsvoorziening overeenstemt met de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 17.24; en

  4. via de zuiveringsvoorziening geen toiletwater kan worden geloosd als deze is uitgeschakeld of niet in bedrijf is.

Lid 2

De erkende certificatie-instantie neemt in het certificaat voorwaarden op met betrekking tot het functioneren van de zuiveringsvoorziening BBT die moeten zijn vervuld voordat een zuiveringsvoorziening voldoet aan de grenswaarden, bedoeld in tabel 17.25.

Tabel 17.25 Grenswaarden

Stof

Grenswaarden in eenheden/100 ml

Intestinale enterokokken

330

Escherichia coli

900

Artikel 17.26

Lid 1

De erkende certificatie-instantie meet als volgt:

  1. de test wordt verricht en het door de zuiveringsvoorziening geleide toiletwater wordt bemonsterd volgens bijlage XI;

  2. het bemonsterde toiletwater wordt op intestinale enterokokken geanalyseerd volgens NEN-EN-ISO 7899-1 of NEN-EN-ISO 7899-2 en op Escherichia coli geanalyseerd volgens NEN-EN-ISO 9308-3 of NEN-EN-ISO 9308-1.

Lid 2

Bij het beoordelen of aan de grenswaarden, bedoeld in artikel 17.25, eerste lid, wordt voldaan, wordt gebruik gemaakt van de 90-percentielwaarde van de gemeten bacterietelling per gegevensreeks.

Lid 3

Bij een normale waarschijnlijkheidsverdeling van log10 van de gemeten waarden wordt de 90-percentielwaarde als volgt afgeleid:

  1. neem de log10-waarde van alle bacterietellingen in de te beoordelen gegevensreeks, en als het resultaat een nulwaarde is, neem dan de log10-waarde van de minimum detectielimiet van de gebruikte analytische methode;

  2. bepaal het rekenkundig gemiddelde van de log10-waarden (μ); en

  3. bepaal de standaardafwijking van de log10-waarden (σ);

    waarbij het hoogste 90-percentielpunt van de waarschijnlijkheidsverdeling van de gegevens wordt berekend met de volgende vergelijking: hoogste 90-percentiel = antilog (μ + 1,282 σ).

Artikel 17.27

Een certificaat van typegoedkeuring kan door de erkende certificatie-instantie worden ingetrokken als:

  1. blijkt dat het certificaat is verstrekt op grond van onjuiste gegevens en bescheiden en het niet zou zijn verstrekt als de juiste gegevens en bescheiden op het moment van verstrekking bekend zouden zijn geweest;

  2. het certificaat om een andere reden ten onrechte is verstrekt;

  3. in het certificaat onbevoegd wijzigingen zijn aangebracht; of

  4. na verstrekking blijkt dat er significante risico’s zijn verbonden aan het gebruik van de zuiveringsvoorziening voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu.

Artikel 17.28

De erkende certificatie-instantie kan de meting, bedoeld in artikel 17.26, eerste lid, laten verrichten door een laboratorium of andere instantie:

  1. met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025; en

  2. die geen fabrikant is van zuiveringsvoorzieningen.