Hoofdstuk 3. Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: richtingaanwijzer

Artikel 3.1

Lid 1

Het lozen van stoffen, water of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk is een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1.

Lid 2

Het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk is een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in artikel 2.1.

Artikel 3.2

Lid 1

Als in hoofdstuk 4 is bepaald dat het te lozen afvalwater wordt geloosd of kan worden geloosd in een vuilwaterriool, kan ook worden geloosd op een zuiveringtechnisch werk.

Lid 2

De bepalingen in hoofdstuk 4 over afvalwater dat in een vuilwaterriool wordt geloosd of kan worden geloosd, zijn van overeenkomstige toepassing op het lozen op een zuiveringtechnisch werk.

Artikel 3.3

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten, geldt voor het lozen van afvalwater afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk op een zuiveringtechnisch werk, voor zover voor die milieubelastende activiteit het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, geldt om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten.

Artikel 3.3a

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het gebruiken van energie als:

    1. het energiegebruik in enig kalenderjaar ten minste 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgasequivalenten is; en

    2. het energiegebruik wordt verricht op dezelfde locatie als waar zich een gebouw bevindt of op het gebouwerf van dat gebouw; en

  2. het gelegenheid bieden tot het gebruiken van energie in een gebouw of op het gebouwerf van dat gebouw als het energiegebruik in enig kalenderjaar ten minste 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgasequivalenten is.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet het gebruiken van energie of het gelegenheid bieden tot het gebruiken van energie:

  1. ten behoeve van een woonfunctie; of

  2. als de activiteit is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11.

Lid 3

Op het berekenen van de aardgasequivalenten zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 3.3b

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.3a, wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.4

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het verbranden van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;

  2. het verbranden van dierlijke meststoffen;

  3. het exploiteren van een stookinstallatie bij een huishouden; en

  4. het exploiteren van een stookinstallatie waarvoor regels gelden op grond van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (PbEU 2016, L 252).

Artikel 3.5

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.4, voor zover het gaat om het exploiteren van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW, waarin een andere stof wordt verstookt dan:

  1. aardgas;

  2. propaangas;

  3. butaangas;

  4. vergistingsgas;

  5. biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214;

  6. lichte olie;

  7. halfzware olie;

  8. gasolie;

  9. rie-biomassa en pellets gemaakt uit rie-biomassa, voor zover wordt gestookt in een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 15 MW; en

  10. waterstof.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.4.

Artikel 3.6

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.4, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een grote stookinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.3;

  2. een kleine en middelgrote stookinstallatie voor standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.126; en

  3. een middelgrote stookinstallatie voor niet-standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.127.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. de kosten-batenanalyse energie-efficiëntie, bedoeld in paragraaf 5.2.3;

  2. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.5; en

  3. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.5.

Artikel 3.7

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een natte koeltoren.

Artikel 3.8

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.7, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over een natte koeltoren, bedoeld in paragraaf 4.46.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.9

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie, als het elektrisch vermogen groter is dan 4 kW.

Artikel 3.10

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.9.

Artikel 3.11

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m.

Lid 2

Onder de aanwijzing valt niet het opwekken van elektriciteit met een windturbine die deel uitmaakt van een windpark in de Noordzee als bedoeld in paragraaf 7.2.3.

Artikel 3.12

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 3.13

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.11, voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 3.14

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.11, wordt voldaan aan de regels over een windturbine, bedoeld in paragraaf 4.30.

Artikel 3.14a

In afwijking van artikel 3.14 zijn de regels over een windturbine, bedoeld in paragraaf 4.30, niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13.

Artikel 3.14b

Lid 1

De regels over een windturbine, bedoeld in de paragrafen 4.30, 4.30a en 4.30b, zijn tot en met 31 december 2026 of zoveel eerder als bij koninklijk besluit is bepaald van toepassing, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13 en daarvoor:

  1. uiterlijk op 30 juni 2021 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  2. een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in het windpark voorziet op grond van een besluit dat op 30 juni 2021 was vastgesteld; en

  3. sinds 30 juni 2021 geen wijziging van kracht is geworden in de omgevingsvergunning, bedoeld onder a, of, voor zover dat op het windpark betrekking had, het besluit, bedoeld onder b.

Lid 2

Het eerste lid geldt niet vanaf het tijdstip waarop met betrekking tot de windturbine of het windpark waarvan de windturbine deel uitmaakt, een wijziging van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van kracht wordt.

Lid 3

Met een maatwerkvoorschrift kan voor een windpark als bedoeld in het eerste lid niet worden afgeweken van de regels over een windturbine, bedoeld in paragrafen 4.30, 4.30a en 4.30b.

Lid 4

Als op 30 juni 2022 een maatwerkvoorschrift van kracht was op grond van een besluit krachtens artikel 3.14a, tweede lid of derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer waarin normen met een andere waarde voor geluidhinder waren vastgesteld, voldoet het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark aan de normen met die andere waarde.

Artikel 3.15

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een koelinstallatie met meer dan:

  1. 10 kg kooldioxide;

  2. 5 kg koolwaterstoffen; of

  3. 10 kg ammoniak.

Lid 2

Onder de aanwijzing valt niet het exploiteren van een koelinstallatie met:

  1. een gefluoreerd broeikasgas als bedoeld in de verordening gefluoreerde broeikasgassen, afzonderlijk of in een mengsel; of

  2. een ozonafbrekende stof als bedoeld in de verordening ozonlaagafbrekende stoffen of een isomeer ervan, afzonderlijk of in een mengsel.

Artikel 3.16

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.15, voor zover het gaat om een koelinstallatie met meer dan:

  1. 100 kg koolwaterstoffen; of

  2. 1.500 kg ammoniak.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.15.

Artikel 3.17

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.15, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over een koelinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.33, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.16, eerste lid.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.18

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het aanleggen van een bodemenergiesysteem; en

  2. het gebruiken van een bodemenergiesysteem.

Artikel 3.19

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.18, voor zover het gaat om het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.20

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.18, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een gesloten bodemenergiesysteem, bedoeld in paragraaf 4.111; en

  2. een open bodemenergiesysteem, bedoeld in paragraaf 4.112.

Artikel 3.21

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het opslaan van giftige, bijtende, brandbare of oxiderende gassen van ADR-klasse 2 die tot vloeistof zijn verdicht in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 l;

  2. het opslaan van verstikkende gassen van ADR-klasse 2 die tot vloeistof zijn verdicht in een opslagtank met een inhoud van meer dan 300 l; en

  3. het opslaan van tot vloeistof verdichte gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 l.

Artikel 3.22

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.21, voor zover het gaat om het opslaan van:

  1. giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2;

  2. gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening;

  3. meer dan 13 m3 propaan of propeen in een opslagtank;

  4. propaan of propeen, als propaan of propeen in de vloeistoffase wordt afgetapt;

  5. brandbare gassen van ADR-klasse 2, met uitzondering van propaan of propeen; of

  6. meer dan 100 m3 oxiderende gassen van ADR-klasse 2.

Lid 2

Het verbod geldt niet voor:

  1. het opslaan van LPG, bedoeld in artikel 4.472, tweede lid; of

  2. het opslaan van vloeibaar gemaakt vergistingsgas, bedoeld in paragraaf 4.88.

Artikel 3.23

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.21, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het opslaan van propaan of propeen in opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.91, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.22; en

  2. het opslaan van oxiderende en verstikkende gassen in opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.92, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.22.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.22, eerste lid.

Artikel 3.24

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 250 l of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt en een inhoud heeft van meer dan 250 l, van:

  1. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3;

  2. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 4.2;

  3. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 4.3;

  4. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.1;

  5. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2;

  6. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1;

  7. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 8;

  8. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9 die het aquatisch milieu verontreinigen;

  9. vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening;

  10. oliën of vetten; of

  11. pekel.

Artikel 3.25

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.24, voor zover het gaat om het opslaan:

  1. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3;

  2. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 4.2;

  3. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 4.3;

  4. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2;

  5. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1;

  6. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep I;

  7. van vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening; of

  8. in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 m3 of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt en een inhoud heeft van meer dan 150 m3.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor:

  1. het opslaan in een ondergrondse opslagtank;

  2. het opslaan van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger; of

  3. het opslaan in een opslagtank die:

    1. een inhoud heeft van 300 l of minder; en

    2. niet vanuit een tankwagen wordt gevuld.

Lid 3

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder e tot en met h.

Artikel 3.26

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.24, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.93, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder h;

  2. het opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in bovengrondse opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.94, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder h;

  3. het opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt, bedoeld in paragraaf 4.95, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder h;

  4. het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in ondergrondse opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.96, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder h; en

  5. het opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in ondergrondse opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.97, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder h.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste of derde lid.

Lid 3

Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met e, is niet van toepassing op het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening.

Artikel 3.27

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan van:

  1. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2 of 8;

  2. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9 die het aquatisch milieu verontreinigen; of

  3. gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. de milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in de artikelen 3.21, 3.24 en 3.36; en

  2. het opslaan van minder dan:

    1. 1 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, 6.1, verpakkingsgroep I, 6.2, categorie I1 of I2, of 8, verpakkingsgroep I;

    2. 25 kg vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3, verpakkingsgroep I of II;

    3. 25 l giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2;

    4. 125 l brandbare gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen; en

    5. 1.000 kg in totaal van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.28

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.27, voor zover het gaat om het in een opslagplaats opslaan van:

  1. meer dan 1.500 l giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen;

  2. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, type A of B;

  3. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, type C tot en met F, waarvoor volgens de ADR temperatuurbeheersing is vereist;

  4. meer dan 1.000 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, type C tot en met F, waarvoor volgens de ADR geen temperatuurbeheersing is vereist;

  5. meer dan 1.000 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1, verpakkingsgroep I;

  6. meer dan 1.000 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep I;

  7. meer dan 1.500 l tot vloeistof verdichte gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, in gasflessen; of

  8. 10.000 kg of meer in totaal van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c.

Artikel 3.29

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.27, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking, bedoeld in paragraaf 4.98, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.28; en

  2. het opslaan van organische peroxiden in verpakking, bedoeld in paragraaf 4.99, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.28.

Artikel 3.30

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

Lid 2

Onder de aanwijzing valt niet het opslaan, herverpakken of bewerken van:

  1. minder dan 200 kg in totaal van vuurwerk van categorie F1 en fop- en schertsvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;

  2. minder dan 25 kg vuurwerk van categorie F2 en F3; of

  3. vuurwerk dat door de krijgsmacht, de politie of de brandweer wordt gebruikt voor instructiedoeleinden.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt ook niet het voor het vervoer van goederen, bedoeld in paragraaf 3.8.6, opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger.

Lid 4

Voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van het vuurwerk met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

Artikel 3.31

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.30, voor zover het gaat om het opslaan, herverpakken of bewerken van:

  1. meer dan 25 kg pyrotechnische artikelen voor theatergebruik van categorie T1 of T2;

  2. meer dan 10.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3;

  3. vuurwerk van categorie F4; of

  4. ander vuurwerk dan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Lid 2

Voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van het vuurwerk of van de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

Artikel 3.32

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.30, wordt voldaan aan de regels over het opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in paragraaf 4.102.

Artikel 3.33

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.11.4;

  2. het opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in paragraaf 3.2.10;

  3. het voor het vervoer van goederen opslaan van stoffen, bedoeld in paragraaf 3.8.6, voor zover het gaat om ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger; en

  4. het opslaan van airbags of gordelspanners.

Artikel 3.34

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.33, voor zover het gaat om het opslaan van:

  1. meer dan 1 kg zwart kruit of rookzwak kruit van ADR-klasse 1.1;

  2. meer dan 50 kg rookzwak kruit van ADR-klasse 1.3 of 1.4;

  3. meer dan 50 kg NEM noodsignalen van ADR-klasse 1.3 of 1.4;

  4. meer dan 250.000 munitiepatronen of hagelpatronen voor vuurwapens van ADR-klasse 1.4;

  5. meer dan 250.000 patronen voor schiethamers van ADR-klasse 1.4; of

  6. andere ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1.

Artikel 3.35

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.33, wordt voldaan aan de regels over het opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik, bedoeld in paragraaf 4.103.

Artikel 3.36

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan van meer dan:

  1. 250.000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 1.2 of 1.3 van PGS 7;

  2. 50.000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 2 van PGS 7; of

  3. 50 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 3 of 4 van PGS 7.

Artikel 3.37

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.36, voor zover het gaat om het opslaan van meer dan:

  1. 100.000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 2 van PGS 7; of

  2. 50 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 3 of 4 van PGS 7.

Artikel 3.38

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.36, wordt voldaan aan de regels over het opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen, bedoeld in paragraaf 4.100, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.37.

Artikel 3.39

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen de volgende activiteiten met bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als die worden verricht voorafgaand aan de inzameling of afgifte van die afvalstoffen:

  1. het opslaan van meer dan 50 ton gevaarlijke afvalstoffen op een andere locatie dan de locatie van productie;

  2. het opslaan van meer dan 45 m3 bedrijfsafvalstoffen op een andere locatie dan de locatie van productie;

  3. het scheiden van de onder a of b bedoelde afvalstoffen op een andere locatie dan de locatie van productie;

  4. het op de locatie van productie mengen van gevaarlijke afvalstoffen met afvalstoffen die vallen onder een andere categorie van afvalstoffen als bedoeld in bijlage II dan de categorie waartoe de gevaarlijke afvalstoffen behoren;

  5. het op de locatie van productie mengen van bedrijfsafvalstoffen met afvalstoffen die vallen onder een andere categorie van afvalstoffen als bedoeld in bijlage II dan de categorie waartoe de bedrijfsafvalstoffen behoren, als het gescheiden houden en gescheiden afgeven gelet op de hoeveelheden en de manier van vrijkomen van deze afvalstoffen en de kosten van het gescheiden houden en gescheiden afgeven op grond van het circulair materialenplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer, kan worden gevergd;

  6. het mengen van afvalstoffen met afvalstoffen die vallen onder een andere categorie van afvalstoffen als bedoeld in bijlage II dan de categorie waartoe de eerstgenoemde afvalstoffen behoren op een andere locatie dan de locatie van productie;

  7. het mengen van afvalstoffen binnen een van de categorieën 10, 11, 110 of 111 van bijlage II;

  8. het mengen van afvalstoffen met andere stoffen dan afvalstoffen; en

  9. het verdichten van gevaarlijke afvalstoffen.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het mengen of scheiden van bouwafval en sloopafval, voor zover het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is;

  2. een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.5.11;

  3. de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, met huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven; en

  4. het opslaan van CO2 voor het permanent opslaan van CO2 als bedoeld in artikel 1, onder u, van de Mijnbouwwet.

Artikel 3.40

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.39.

Lid 2

Het verbod geldt niet voor:

  1. het opslaan en samenvoegen van grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit van kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen of industrie als bedoeld in artikel 25d van dat besluit;

  2. het opslaan en samenvoegen van baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit van kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar, licht verontreinigd of matig verontreinigd als bedoeld in artikel 25d van dat besluit;

  3. het opslaan van niet meer dan 600 m3 groenafval dat een bedrijfsafvalstof is; of

  4. het opslaan van niet meer dan 45 m3 per stroom gescheiden gehouden bedrijfsafvalstoffen die horen bij dezelfde categorie van afvalstoffen, bedoeld in bijlage II.

Lid 3

Het verbod geldt ook niet voor het scheiden van afvalstoffen als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit artikel.

Artikel 3.40a

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.39 wordt voldaan aan de regels over het opslaan van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.32, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.40b

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het op of in de bodem brengen van meststoffen, bedoeld in paragraaf 3.2.20, voor zover dat een nuttige toepassing is;

  2. het toepassen van bouwstoffen, bedoeld in paragraaf 3.2.25, voor zover dat een nuttige toepassing is;

  3. het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 3.2.26, voor zover dat een nuttige toepassing is;

  4. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen in de voormalige mijnbouwgebieden in de provincie Limburg, bedoeld in paragraaf 3.2.27, voor zover dat een nuttige toepassing is;

  5. een stortplaats of winningsafvalvoorziening als bedoeld in paragraaf 3.3.12;

  6. het lozen van afvalwater op of in de bodem;

  7. het op of in de bodem brengen van huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven; en

  8. het op of in de bodem brengen van CO2 in het kader van het permanent opslaan van CO2 als bedoeld in artikel 1, onder u, van de Mijnbouwwet.

Artikel 3.40c

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.40b.

Lid 2

Het verbod geldt niet voor het op of in de bodem brengen van plantenresten, dat op grond van artikel 3, tweede lid, onder c, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen is aangewezen.

Lid 3

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen of afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.40b.

Artikel 3.40d

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen:

  1. in een andere milieubelastende installatie; of

  2. buiten een installatie.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het verbranden van afvalstoffen in een ippc-installatie, bedoeld in paragraaf 3.3.13;

  2. het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven; en

  3. het verbranden van dierlijke meststoffen.

Artikel 3.40e

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.40d.

Lid 2

Het verbod geldt niet als het verbranden van afvalstoffen alleen bestaat uit het verbranden van rie-biomassa in een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van niet meer dan 15 MW, voor zover het recyclen van rie-biomassa niet de voorkeur heeft boven verbranden en de vrijkomende warmte nuttig wordt gebruikt.

Lid 3

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid, tenzij die activiteiten alleen bestaan uit de activiteit, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.40f

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.40d, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een grote stookinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.3, als het verbranden gebeurt in een stookinstallatie en geen andere afvalstoffen worden verbrand dan rie-biomassa;

  2. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4;

  3. een kleine of middelgrote stookinstallatie voor standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.126, als het verbranden gebeurt in een stookinstallatie en geen andere afvalstof wordt verbrand dan rie-biomassa;

  4. een middelgrote stookinstallatie voor niet-standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.127, als het verbranden gebeurt in een stookinstallatie en geen andere afvalstof wordt verbrand dan rie-biomassa; en

  5. het ontvangen van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.50, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.40e, eerste of derde lid; en

  2. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.

Artikel 3.41

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in categorie 6.11 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

  2. het exploiteren van een zuiveringsvoorziening voor het zuiveren van ingezameld of afgegeven afvalwater, anders dan voor het uitoefenen van de taken, bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder 1°, 2° en 3°, en derde lid, van de wet.

Artikel 3.42

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.41.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.43

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.41, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in categorie 6.11 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

  2. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in categorie 6.11 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Artikel 3.44

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van stoffen, voorwerpen of producten met organische oplosmiddelen, bedoeld in categorie 6.7 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Artikel 3.45

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.44.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.46

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.44, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;

  3. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.45; en

  4. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.

Artikel 3.47

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het afvangen van CO2-stromen voor geologische opslag, bedoeld in categorie 6.9 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

  2. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het afvangen van CO2-stromen voor geologische opslag.

Artikel 3.48

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.47.

Artikel 3.48a

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem brengen van meststoffen.

Lid 2

De aanwijzing van de milieubelastende activiteit omvat ook het vernietigen van de zode van gras op weidegronden.

Artikel 3.48b

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.48a, voor zover het gaat om het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib afkomstig van zuiveringsinstallaties voor huishoudelijk of stedelijk afvalwater.

Artikel 3.48c

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.48a, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het op of in de bodem brengen van meststoffen, bedoeld in paragraaf 4.116;

  2. het vernietigen van de zode van gras op weidegronden, bedoeld in paragraaf 4.118; en

  3. het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib, bedoeld in paragraaf 4.117, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.48b.

Artikel 3.48d

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook:

  1. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie;

  2. het tijdelijk opslaan van grond op de locatie van het graven; en

  3. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen van grond.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet het graven in de waterbodem.

Lid 4

In deze paragraaf wordt onder grond verstaan: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 3.48e

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.48d, wordt voldaan aan de regels over graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in paragraaf 4.119.

Artikel 3.48f

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook:

  1. het zeven van uitkomende grond op de locatie;

  2. het tijdelijk opslaan van grond op de locatie van het graven; en

  3. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen van grond.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet het graven in de waterbodem.

Lid 4

In deze paragraaf wordt onder grond verstaan: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 3.48g

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.48f, wordt voldaan aan de regels over graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in paragraaf 4.120.

Artikel 3.48h

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het saneren van de bodem als het oogmerk saneren van de bodem is.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. een grondwatersanering;

  2. het beperken of ongedaan maken van verontreiniging van de waterbodem;

  3. herstelwerkzaamheden na een eindonderzoek bodem volgens artikel 5.6; en

  4. maatregelen direct na een ongewoon voorval.

Artikel 3.48i

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.48h, wordt voldaan aan de regels over het saneren van de bodem, bedoeld in paragraaf 4.121.

Artikel 3.48j

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het anders dan in een oppervlaktewaterlichaam opslaan van grond of baggerspecie.

Lid 2

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam opslaan van grond of baggerspecie, voor zover het gaat om het opslaan van:

  1. grond van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd of sterk verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;

  2. baggerspecie van de kwaliteitsklasse sterk verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit; of

  3. grond of baggerspecie, die niet beschikt over een milieuverklaring bodemkwaliteit, tenzij:

    1. de locatie van herkomst bekend is; en

    2. de bodemkwaliteit van de locatie van herkomst voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie voor landbodem of de kwaliteitsklasse matig verontreinigd voor waterbodem, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.

Lid 3

Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam opslaan van grond of baggerspecie.

Lid 4

De aanwijzing, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, omvat ook:

  1. het zeven en samenvoegen van grond bij het opslaan; en

  2. het zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van baggerspecie bij het opslaan.

Lid 5

Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, vallen niet:

  1. het opslaan van grond op de locatie van het graven; en

  2. het opslaan van baggerspecie op de locatie van het baggeren.

Lid 6

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

  2. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 3.48k

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.48j, eerste en tweede lid, voor zover het gaat om het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren of samenvoegen van:

  1. grond van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd of sterk verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;

  2. baggerspecie van de kwaliteitsklasse sterk verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit; of

  3. grond of baggerspecie, die niet beschikt over een milieuverklaring bodemkwaliteit, tenzij:

    1. de locatie van herkomst bekend is; en

    2. de bodemkwaliteit van de locatie van herkomst voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie voor landbodem of de kwaliteitsklasse matig verontreinigd voor waterbodem, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.48l

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.48j, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het ontvangen van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.50, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk; en

  2. het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 4.122.

Artikel 3.48m

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem toepassen van bouwstoffen.

Lid 2

Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van bouwstoffen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen in de voormalige mijnbouwgebieden in de provincie Limburg, bedoeld in paragraaf 3.2.27; en

  2. het toepassen van bouwstoffen binnen een gebouw, als de bouwstoffen zo worden toegepast dat geen contact met hemelwater, oppervlaktewater of grondwater kan optreden.

Artikel 3.48n

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.48m, wordt voldaan aan de regels over het toepassen van bouwstoffen, bedoeld in paragraaf 4.123.

Artikel 3.48o

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem toepassen van grond of baggerspecie.

Lid 2

Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond of baggerspecie.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het toepassen van grond of baggerspecie als die is verwerkt in een product dat als meststof op grond van hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet mag worden verhandeld;

  2. het tijdelijk uitnemen van grond, volgens artikel 4.1222a of 4.1230a, voor zover het gaat om het terugbrengen van grond op of in de bodem;

  3. het onder dezelfde omstandigheden en zonder te zijn bewerkt terugbrengen van ten hoogste 25 m3 grond op of nabij het ontgravingsprofiel na het tijdelijk uitnemen daarvan; en

  4. het onder dezelfde omstandigheden en zonder te zijn bewerkt terugbrengen van baggerspecie op of nabij het ontgravingsprofiel na het tijdelijk uitnemen daarvan.

Lid 4

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

  2. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 3.48p

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het brengen van grond of baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 3.48o, tweede lid, voor zover het gaat om het opvullen van een diepe plas voor het bevorderen van de natuurwaarde of recreatieve waarde van de diepe plas, het ontwikkelen tot landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden of recreatieterreinen of het stabiliseren van wanden.

Artikel 3.48q

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.48o, wordt voldaan aan de regels over het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 4.124.

Artikel 3.48r

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen.

Lid 2

Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen die afkomstig is uit een gebied buiten een bij ministeriële regeling aangewezen herkomstgebied in de provincie Limburg;

  2. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen buiten een bij ministeriële regeling aangewezen toepassingsgebied; en

  3. het onder dezelfde omstandigheden en zonder te zijn bewerkt terugbrengen van mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de bodem na het tijdelijk uitnemen daarvan.

Artikel 3.48s

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.48r, wordt voldaan aan de regels over het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen in de voormalige mijnbouwgebieden in de provincie Limburg, bedoeld in paragraaf 4.125.

Artikel 3.49

Lid 1

De bepalingen over het aanwijzen van algemene regels en het verstrekken van gegevens en bescheiden bij milieubelastende activiteiten in de afdelingen 3.4 tot en met 3.11 zijn niet van toepassing op een activiteit die is aangewezen in deze afdeling.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing als alleen de activiteit, bedoeld in artikel 3.50, in deze afdeling is aangewezen.

Artikel 3.50

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een Seveso-inrichting.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. milieubelastende activiteiten door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht op militaire terreinen of terreinen met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  2. het buiten een Seveso-inrichting voor het vervoer van stoffen of goederen opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger;

  3. het buiten een Seveso-inrichting exploiteren van een buisleiding voor gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, met de voorzieningen die daarbij horen;

  4. het opsporen en winnen van delfstoffen;

  5. het ondergronds opslaan van gas in de Noordzee; en

  6. het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats, met inbegrip van het ondergronds opslaan van afvalstoffen, met uitzondering van:

    1. chemische en thermische verwerkingsactiviteiten en opslag die daarmee samenhangt, waarbij gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, zijn betrokken; en

    2. operationele voorzieningen voor het zich ontdoen van residuen die gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, bevatten.

Artikel 3.51

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.50.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.52

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.50, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een Seveso-inrichting, bedoeld in paragraaf 4.2; en

  2. een benzineterminal, bedoeld in paragraaf 4.105.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  2. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.53

In aanvulling op artikel 23.2 van de wet geldt een wijziging van bijlage I bij de Seveso-richtlijn voor de toepassing van deze paragraaf met ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Artikel 3.54

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor het stoken, bedoeld in categorie 1.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.55

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.54.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.56

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.54, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  4. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3;

  5. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en

  6. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5.

Artikel 3.57

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor het raffineren van aardolie en gas, bedoeld in categorie 1.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.58

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.57.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.59

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.57, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een clausinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.6; en

  2. een benzineterminal, bedoeld in paragraaf 4.105.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  4. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3;

  5. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en

  6. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5.

Artikel 3.60

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van cokes, bedoeld in categorie 1.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.61

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.60.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.62

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.60, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  4. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en

  5. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.

Artikel 3.63

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen, bedoeld in categorie 1.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  2. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen;

  3. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het briketteren of walsen van steenkool of bruinkool; en

  4. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van steenkoolproducten of vaste rookvrije brandstof.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.64

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.63.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.65

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.63, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het vergassen of vloeibaar maken van steenkool, bedoeld in categorie 1.4, onder a, van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  4. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3;

  5. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en

  6. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5.

Artikel 3.66

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het roosten of sinteren van ertsen, bedoeld in categorie 2.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  2. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van ijzer of staal, bedoeld in categorie 2.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  3. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van ijzer of staal;

  4. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwerken van ferrometalen door warmwalsen, smeden met hamers of het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal, bedoeld in categorie 2.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  5. het exploiteren van een ippc-installatie voor het smelten of gieten van ferrometalen, bedoeld in categorie 2.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  6. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het smelten of gieten van ferrometalen; en

  7. het exploiteren van een ippc-installatie voor het winnen van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen, het smelten, met inbegrip van het legeren, en het gieten van non-ferrometalen, bedoeld in categorie 2.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.67

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.66.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.68

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.66, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 2.1 tot en met 2.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  4. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3;

  5. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en

  6. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5.

Artikel 3.69

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van cement, cementklinkers, ongebluste kalk en magnesiumoxide, bedoeld in categorie 3.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  2. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van cement, cementklinkers, ongebluste kalk en magnesiumoxide;

  3. het exploiteren van een ippc-installatie voor het winnen van asbest of het maken van asbestproducten, bedoeld in categorie 3.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  4. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van glas, met inbegrip van het maken van glasvezels, bedoeld in categorie 3.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  5. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van glas, met inbegrip van het maken van glasvezels;

  6. het exploiteren van een ippc-installatie voor het smelten van minerale stoffen en het maken van mineraalvezels, glazuren of emailles, bedoeld in categorie 3.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  7. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het smelten van minerale stoffen en het maken van mineraalvezels, glazuren of emailles; en

  8. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van koolstof of elektrografiet door verbranding of grafitisering, bedoeld in categorie 6.8 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.70

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.69.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.71

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.69, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 3.1 tot en met 3.4 of 6.8 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  4. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3;

  5. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en

  6. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5.

Artikel 3.72

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van organisch-chemische producten, bedoeld in categorie 4.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  2. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van anorganisch-chemische producten, bedoeld in categorie 4.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  3. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen, bedoeld in categorie 4.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  4. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van producten voor gewasbescherming of van biociden, bedoeld in categorie 4.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  5. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van farmaceutische producten, bedoeld in categorie 4.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

  6. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van explosieven, bedoeld in categorie 4.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.73

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.72.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.74

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.72, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een titaandioxide-installatie, bedoeld in paragraaf 4.5; en

  2. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  4. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3;

  5. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en

  6. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5.

Artikel 3.75

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van papierpulp, papier, karton, oriented strand board, spaanplaat of vezelplaat van hout, bedoeld in categorie 6.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

  2. het exploiteren van een ippc-installatie voor het voorbehandelen of het verven van textielvezels of textiel, bedoeld in categorie 6.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.76

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.75.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.77

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.75, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  4. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3;

  5. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en

  6. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover het gaat om de activiteit, bedoeld in artikel 3.75, eerste lid, onder a.

Artikel 3.78

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  2. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van ongevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  3. het exploiteren van een ippc-installatie voor het tijdelijk opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

  4. het exploiteren van een ippc-installatie voor het ondergronds opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.79

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.78.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.80

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.78, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over het shredderen van autowrakken, bedoeld in paragraaf 4.31.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om:

    1. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen als per dag 10 ton of meer gevaarlijke afvalstoffen worden ontvangen; en

    2. het verwijderen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  4. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en

  5. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.

Artikel 3.81

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor de destructie of het verwerken van kadavers of dierlijk afval, bedoeld in categorie 6.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.82

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.81.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.83

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en

  4. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.

Artikel 3.84

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het storten van afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  2. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats; en

  3. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalvoorziening.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder b, met huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven; en

  2. het exploiteren van een mijnbouwwerk voor het permanent opslaan van CO2 als bedoeld in artikel 1, onder u, van de Mijnbouwwet.

Artikel 3.85

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.84.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen of afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.86

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.84, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om:

    1. het exploiteren van een stortplaats, bedoeld in categorie 5.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    2. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen als per dag 10 ton of meer gevaarlijke afvalstoffen worden ontvangen; en

    3. het verwijderen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en

  4. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3.

Artikel 3.87

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of het nuttig toepassen van afvalstoffen in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in categorie 5.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.88

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.87.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.89

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.87, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een grote stookinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.3, als geen andere afvalstoffen worden verbrand dan rie-biomassa;

  2. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4;

  3. een kleine of middelgrote stookinstallatie voor standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.126, als geen andere afvalstoffen worden verbrand dan rie-biomassa; en

  4. een middelgrote stookinstallatie voor niet-standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.127, als geen andere afvalstoffen worden verbrand dan rie-biomassa.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. de kosten-batenanalyse energie-efficiëntie, bedoeld in paragraaf 5.2.3;

  3. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;

  4. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  5. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en

  6. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.

Artikel 3.90

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het behandelen van meer dan 25.000 m3 dierlijke meststoffen per jaar op een andere locatie dan de locatie van productie.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.91

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.90.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.92

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.90, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4;

  2. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83; en

  3. het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in paragraaf 4.86.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  2. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en

  3. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.

Artikel 3.93

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het bereiden van drinkwater voor de openbare drinkwatervoorziening.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bereiden functioneel ondersteunen.

Artikel 3.94

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.93, eerste lid.

Artikel 3.95

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  2. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40; en

  3. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.96

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.97

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het behandelen van aardgas;

  2. het regelen van aardgasdruk; en

  3. het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat behandelen, regelen of meten functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, die worden verricht in een installatie:

  1. met een ontwerpcapaciteit van ten hoogste 10 Nm3/u en een werkdruk aan de inlaatzijde van ten hoogste 1.600 kPa; of

  2. met een ontwerpcapaciteit van ten hoogste 650 Nm3/u en een werkdruk aan de inlaatzijde van ten hoogste 10 kPa.

Artikel 3.98

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.97, voor zover deze worden verricht in een installatie met:

  1. een werkdruk aan de inlaatzijde van meer dan 10.000 kPa; of

  2. een gastoevoerleiding met een diameter van meer dan 50,8 cm.

Artikel 3.99

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.97, wordt voldaan aan de regels over het regelen en meten van aardgas, bedoeld in paragraaf 4.29, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.98.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.100

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.97 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.101

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een buisleiding voor:

  1. aardgas, met een uitwendige diameter van ten minste 50 mm en een druk van ten minste 1.600 kPa;

  2. andere stoffen dan aardgas, met een uitwendige diameter van ten minste 70 mm of een binnendiameter van ten minste 50 mm en een druk van ten minste 1.600 kPa, als het gaat om gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse:

    1. ontvlambare gassen, categorie 1 of 2, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening; of

    2. ontvlambare vloeistoffen, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening;

  3. gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening;

  4. kooldioxide, zuurstof of stikstof, met een uitwendige diameter van ten minste 70 mm of een binnendiameter van ten minste 50 mm en een druk van ten minste 1.600 kPa;

  5. warmte, als onderdeel van een warmtenet; of

  6. koude, als onderdeel van een koudenet.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook de voorzieningen die bij de buisleiding horen, met uitzondering van een verpompingsstation of compressorstation waarop paragraaf 3.3.1 van toepassing is.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet het exploiteren van een buisleiding:

  1. in de Noordzee;

  2. door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht in of boven een militaire zeehaven als bedoeld in artikel 3.323 of een militaire luchthaven als bedoeld in artikel 3.326; of

  3. die een activiteit met externe veiligheidsrisico’s als bedoeld in bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving functioneel ondersteunt en ligt binnen de begrenzing van de locatie waarop die activiteit wordt verricht.

Artikel 3.102

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, wordt voldaan aan de regels over een buisleiding met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 4.108.

Lid 2

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder e of f, wordt voldaan aan de regels over de kosten-batenanalyse energie-efficiëntie, bedoeld in paragraaf 5.2.3.

Artikel 3.103

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies, als het oppervlak van metalen wordt behandeld;

  2. het verwerken van metalen door smeden met hamers, smelten, legeren, gieten, walsen, trekken of klinken;

  3. het op metaal aanbrengen van anorganische deklagen, conversielagen of deklagen van gesmolten metaal;

  4. het behandelen van het oppervlak van metalen door een elektrolytisch of chemisch procedé;

  5. het harden en gloeien van metalen en het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak; en

  6. het maken van producten van metaal.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze deel uitmaken van een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.6.

Lid 4

Onder de aanwijzing vallen ook niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met f, als deze alleen worden verricht:

  1. tijdens het verrichten van een bouwactiviteit of sloopactiviteit of het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een weg;

  2. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

  3. voor educatieve doelen; of

  4. tijdens het maken, onderhouden, repareren en behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 3.4.11.

Artikel 3.104

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.105

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om:

  1. het smelten, met inbegrip van het legeren, of gieten van meer dan 500 kg/jaar goud, zilver, platina en legeringen met ten minste 30% van deze metalen;

  2. het harden of gloeien van metalen of het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak, als daarbij zouten, oliën of gassen anders dan inerte gassen of koolzuurgas worden gebruikt;

  3. het aanbrengen van metaallagen met een cyanidehoudend bad met een inhoud van ten minste 100 l; of

  4. het behandelen van het oppervlak van metalen met een bad met een inhoud van ten minste 1 m3 vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1 of vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening.

Artikel 3.106

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

  1. het verwerken van ferrometalen door warmwalsen, het smeden met hamers of het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal;

  2. het smelten, met inbegrip van het legeren, van non-ferrometalen, met uitzondering van edele metalen, en met inbegrip van terugwinningsproducten;

  3. het behandelen van het oppervlak van metalen met een elektrolytisch of chemisch procedé;

  4. het maken van auto’s of motoren van auto’s of het assembleren van auto’s;

  5. het bouwen of repareren van luchtvaartuigen; of

  6. het maken van spoorwegmaterieel.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om:

  1. het met testbanken beproeven van motoren, turbines of reactoren; of

  2. het uitstampen van metalen met springstoffen.

Artikel 3.107

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het verwerken van metalen waarvan de productieoppervlakte daarvoor ten minste 2.000 m2 is:

  1. door warmwalsen of koudwalsen, voor zover het smeltpunt van de metalen ten minste 800 K is en de dikte van het aangevoerde materiaal ten minste 1 mm is;

  2. in een walsinstallatie of trekinstallatie voor het maken van profielmateriaal of stafmateriaal;

  3. in een walsinstallatie, trekinstallatie of lasinstallatie voor het maken van metalen buizen;

  4. door smeden voor het maken van ankers of kettingen; of

  5. door het maken of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers.

Lid 2

Het verbod geldt ook voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het verwerken van metalen door het samenvoegen van plaatmaterialen, profielmaterialen, stafmaterialen of buismaterialen door smeden, klinken, lassen of monteren, waarvan de niet in een gesloten gebouw ondergebrachte productieoppervlakte daarvoor ten minste 2.000 m2 is.

Artikel 3.108

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het niet gaat om de activiteit, bedoeld in artikel 3.104.

Artikel 3.109

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het aanbrengen van lagen op metalen, bedoeld in paragraaf 4.11;

  2. het smelten en gieten van metalen, bedoeld in paragraaf 4.12;

  3. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

  4. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

  5. het etsen en beitsen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.15;

  6. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  7. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  8. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  9. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  10. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  11. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

  12. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

  13. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  14. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  15. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

  16. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

  17. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Lid 3

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  4. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.104 tot en met 3.108;

  5. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en

  6. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.106, eerste lid, of 3.107.

Artikel 3.110

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.103 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.111

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van keramische producten door verhitting, bedoeld in categorie 3.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  2. het maken van producten van glas, met een oven met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW of een aansluitwaarde van meer dan 100 kW;

  3. het maken van keramische producten door verhitting, met een oven met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW of een aansluitwaarde van meer dan 100 kW;

  4. het maken van asfalt of asfaltproducten;

  5. het winnen van steen, mergel, zand, grind of kalk;

  6. het breken, malen, zeven en drogen van mergel, zand, grind, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan;

  7. het maken van kalkzandsteen of cellenbeton;

  8. het maken van betonmortel of producten van betonmortel; en

  9. het maken van producten van steen.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.7.

Lid 4

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met i, als deze alleen worden verricht:

  1. tijdens het verrichten van een bouwactiviteit of sloopactiviteit of het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een weg;

  2. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis; of

  3. voor educatieve doelen.

Artikel 3.112

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.111, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van keramische producten door verhitting, bedoeld in categorie 3.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.113

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.111, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

  1. het maken van asfalt of asfaltproducten; of

  2. het maken van kalkzandsteen of cellenbeton.

Artikel 3.114

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.111, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van keramische producten door verhitting.

Artikel 3.115

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.111, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

  1. het breken, malen, zeven of drogen van mergel, zand, grind, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan, bij een capaciteit van 100.000.000 kg/jaar of meer;

  2. het winnen van steen, mergel, zand, grind of kalk; of

  3. het maken van betonmortel of producten van betonmortel.

Artikel 3.116

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.111, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een asfaltcentrale, bedoeld in paragraaf 4.7;

  2. een betoncentrale, bedoeld in paragraaf 4.8;

  3. het vormgeven van betonproducten, bedoeld in paragraaf 4.9;

  4. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;

  5. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  6. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  7. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  8. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  9. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

  10. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

  11. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Lid 3

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 3.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  4. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.112 tot en met 3.115;

  5. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en

  6. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5.

Artikel 3.117

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.111 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.118

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het maken van elastomeren, verf, lak, drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen;

  2. het vullen van spuitbussen met drijfgassen;

  3. het maken van vloeibare biobrandstof;

  4. het maken van vloeibare gassen uit de buitenlucht; en

  5. het maken van schoonmaakmiddelen of cosmetica.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.8.

Lid 4

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen worden verricht:

  1. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

  2. voor educatieve doelen; of

  3. bij een laboratorium.

Artikel 3.119

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.118, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

  1. het maken van elastomeren, verf, lak, drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen;

  2. het vullen van spuitbussen met drijfgassen;

  3. het maken van vloeibare biobrandstof; of

  4. het maken van vloeibare gassen uit de buitenlucht.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.120

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.118, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

  2. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  3. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40; en

  4. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Lid 2

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Lid 3

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  2. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.119;

  3. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en

  4. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover het gaat om de activiteit, bedoeld in artikel 3.118, eerste lid, onder d.

Artikel 3.121

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.118 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.122

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het looien van huiden, bedoeld in categorie 6.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  2. het exploiteren van een ippc-installatie voor het conserveren van hout en houtproducten met chemische stoffen, bedoeld in categorie 6.10 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  3. het maken van papierstof, papierpulp, papier of karton;

  4. het ontharen en looien van huiden;

  5. het conserveren van hout of houtproducten met chemische stoffen;

  6. het coaten van planten of delen van planten; en

  7. het maken van producten van papier, karton, hout, textiel of leer.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.9.

Lid 4

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder c tot en met g, als deze alleen worden verricht:

  1. tijdens het verrichten van een bouwactiviteit of sloopactiviteit of het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een weg;

  2. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

  3. voor educatieve doelen;

  4. als onderdeel van bosbouw of natuurbeheer; of

  5. tijdens het maken, onderhouden, repareren en behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 3.4.11.

Artikel 3.123

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.122, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor:

  1. het looien van huiden, bedoeld in categorie 6.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; of

  2. het conserveren van hout en houtproducten met chemische stoffen, bedoeld in categorie 6.10 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.124

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.122, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het conserveren van hout of houtproducten met behulp van chemische stoffen.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.125

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.122, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

  1. het maken van papierstof, papier of karton;

  2. het looien van huiden; of

  3. het voorbehandelen of verven van vezels of textiel.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.126

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.122, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  2. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  3. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

  4. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  5. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  6. het chemisch reinigen van textiel, bedoeld in paragraaf 4.57;

  7. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

  8. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 6.3 of 6.10 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies of het exploiteren van een PRTR-installatie voor het maken van multiplex of andere primaire houtproducten;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  4. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.123 tot en met 3.125;

  5. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en

  6. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover het gaat om de activiteit, bedoeld in artikel 3.122, eerste lid, onder c of g.

Artikel 3.127

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.122 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.128

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het slachten van dieren, het bewerken en verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen of voeder of het bewerken en verwerken van alleen melk, bedoeld in categorie 6.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  2. het slachten van meer dan 10.000 kg levend gewicht aan dieren per week;

  3. het maken en bewerken van dierlijke of plantaardige oliën of vetten;

  4. het maken en bewerken van voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren of dieren die worden gehouden voor hun pels; en

  5. het met een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW of met een oven met een aansluitwaarde van meer dan 100 kW maken van:

    1. zetmeel of suiker;

    2. vismeel of visolie; of

    3. levensmiddelen of voeder.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder c tot en met e, als deze alleen worden verricht:

  1. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

  2. voor educatieve doelen; of

  3. voor eigen landbouwhuisdieren bij een veehouderij.

Artikel 3.129

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het slachten van dieren, het bewerken en verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen of voeder of het bewerken en verwerken van alleen melk, bedoeld in categorie 6.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.130

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

  1. het maken van dierlijke of plantaardige oliën en vetten;

  2. het maken van conserven van dierlijke en plantaardige producten;

  3. het maken van zuivel;

  4. het brouwen van bier of het mouten;

  5. het maken van siroop of suikerwaren;

  6. het slachten van dieren;

  7. het maken van zetmeel;

  8. het maken van vismeel of visolie; of

  9. het maken van suiker.

Artikel 3.131

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken of bewerken van voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren of dieren die worden gehouden voor hun pels.

Artikel 3.132

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  2. de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in paragraaf 4.28;

  3. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

  4. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  5. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  6. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

  7. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Lid 3

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 6.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  4. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.129 tot en met 3.131;

  5. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en

  6. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131.

Artikel 3.133

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.134

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies, als het oppervlak van kunststoffen wordt behandeld;

  2. het blazen, expanderen en schuimen van kunststof met een blaasmiddel anders dan lucht, kooldioxide of stikstof;

  3. het verwerken van elastomeren;

  4. het verwerken van polyesterhars, waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR-klasse 5.2 aanwezig is; en

  5. het maken van producten van kunststof.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met e, als deze alleen worden verricht:

  1. tijdens het verrichten van een bouwactiviteit of sloopactiviteit of het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een weg;

  2. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

  3. voor educatieve doelen; of

  4. tijdens het maken, onderhouden, repareren en behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 3.4.11.

Artikel 3.135

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.134, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.136

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.134, voor zover het gaat om het blazen, expanderen of schuimen van kunststof met een blaasmiddel anders dan lucht, kooldioxide of stikstof.

Artikel 3.137

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.134, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

  1. het behandelen van het oppervlak van kunststof met een elektrolytisch of chemisch procedé; of

  2. het maken of behandelen van producten op basis van elastomeren.

Artikel 3.138

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.134, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

  2. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  3. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  4. het verwerken van rubbercompounds, bedoeld in paragraaf 4.25;

  5. het verwerken van thermoplastisch kunststof, bedoeld in paragraaf 4.26;

  6. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;

  7. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

  8. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  9. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  10. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

  11. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

  12. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Lid 3

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  4. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.135 tot en met 3.137; en

  5. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.

Artikel 3.139

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.134 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.140

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het bedrukken van materialen met zeefdruk, vellenoffset, rotatieoffset, illustratiediepdruk of flexografie.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bedrukken functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet het bedrukken van materialen met zeefdruk, vellenoffset, rotatieoffset, illustratiediepdruk of flexografie alleen:

  1. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis; of

  2. voor educatieve doelen.

Artikel 3.141

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.140.

Artikel 3.142

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.140, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. grafische processen, bedoeld in paragraaf 4.10;

  2. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  3. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  4. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

  5. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  6. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  7. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

  8. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Lid 3

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en

  2. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.141.

Artikel 3.143

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.140, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.144

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het maken van vaartuigen of drijvende werktuigen;

  2. het onderhouden, repareren en schoonmaken van vaartuigen of drijvende werktuigen, als dat geheel of gedeeltelijk op de wal of in een drijvend dok gebeurt; en

  3. het behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen om te voorkomen dat organismen zich onder het wateroppervlak daaraan vasthechten.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat maken, onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen worden verricht bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis.

Artikel 3.145

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.144, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

  1. het maken van metalen pleziervaartuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van ten minste 25 m; of

  2. het maken, onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, anders dan pleziervaartuigen.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.146

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.144, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

  2. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

  3. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  4. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  5. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  6. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  7. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  8. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  9. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

  10. het schoonmaken van pleziervaartuigen, bedoeld in paragraaf 4.24;

  11. het verwerken van thermoplastisch kunststof, bedoeld in paragraaf 4.26;

  12. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;

  13. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

  14. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  15. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  16. het kleinschalig tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.42;

  17. het grootschalig tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.43;

  18. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

  19. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

  20. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het maken, het verven of het verwijderen van verf van vaartuigen of drijvende werktuigen van ten minste 100 m lang;

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  4. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.145;

  5. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en

  6. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.145.

Artikel 3.147

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.144 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.148

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het maken van materialen, eindproducten of halffabrikaten met:

  1. een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 400 kW;

  2. een koelinstallatie met meer dan 300 kg koudemiddel; of

  3. een oplosmiddeleninstallatie.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat maken functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet een activiteit als bedoeld in de paragrafen 3.4.4 tot en met 3.4.11.

Artikel 3.149

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.148.

Artikel 3.150

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.148, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  2. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  3. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  4. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;

  5. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  6. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  7. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

  8. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  9. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  10. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

  11. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

  12. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Lid 3

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.151

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.148, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.152

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het demonteren van ingezamelde of afgegeven autowrakken of wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat demonteren functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het demonteren van accessoires van een autowrak of wrak van een tweewielig gemotoriseerd voertuig bij een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.8.4; en

  2. het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen bij een instelling voor oefendoeleinden en opleidingsdoeleinden.

Artikel 3.153

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.152, voor zover het gaat om het opslaan van metaalschroot of autowrakken.

Artikel 3.154

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  2. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  3. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  4. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  5. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  6. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

  7. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  8. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  9. autodemontage en tweewielerdemontage, bedoeld in paragraaf 4.47;

  10. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

  11. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

  12. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.155

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.156

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het voorbereiden voor hergebruik van ingezamelde of afgegeven afvalstoffen.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat voorbereiden functioneel ondersteunen.

Artikel 3.157

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.156, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

  2. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

  3. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  4. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  5. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  6. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;

  7. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  8. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  9. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  10. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  11. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  12. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

  13. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.158

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.156, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.159

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het voorbehandelen van ingezameld of afgegeven rubberafval of kunststofafval voor verdere recycling.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat voorbehandelen functioneel ondersteunen.

Artikel 3.160

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.159.

Artikel 3.161

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

  2. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  3. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  4. het verwerken van thermoplastisch kunststof, bedoeld in paragraaf 4.26;

  5. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  6. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  7. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

  8. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

  9. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Lid 3

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.162

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.163

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het voorbehandelen van ingezameld of afgegeven metaalafval voor verdere recycling.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat voorbehandelen functioneel ondersteunen.

Artikel 3.164

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.163, voor zover het gaat om het opslaan van metaalschroot of autowrakken.

Artikel 3.165

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.163, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

  2. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

  3. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  4. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  5. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  6. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  7. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  8. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  9. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  10. het shredderen van autowrakken, bedoeld in paragraaf 4.31;

  11. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

  12. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

  13. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Lid 3

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.166

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.163, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.167

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het voorbehandelen van ingezameld of afgegeven papierafval, kartonafval, textielafval, glasafval, puinafval of houtafval, voor verdere recycling.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat voorbehandelen functioneel ondersteunen.

Artikel 3.168

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.167, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;

  2. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  3. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  4. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  5. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  6. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

  7. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

  8. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.169

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.167, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.170

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het bieden van gelegenheid om op een daarvoor ingerichte locatie afvalstoffen af te geven, als dat in ieder geval het afgeven van grove huishoudelijke afvalstoffen door particuliere huishoudens omvat.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.

Artikel 3.171

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.170, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  2. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;

  3. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  4. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  5. een milieustraat, bedoeld in paragraaf 4.51;

  6. het opslaan van verwijderd asbest, bedoeld in paragraaf 4.52; en

  7. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.172

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.170, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.173

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.174

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.173, eerste lid.

Artikel 3.175

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 3.176

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.173, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in paragraaf 4.49; en

  2. het ontvangen van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.50, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het behandelen van stedelijk afvalwater bij een capaciteit van ten minste 100.000 inwonerequivalenten; en

  2. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.177

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.173, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.178

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het opslaan van meer dan een partij ingezamelde of afgegeven grond of baggerspecie; en

  2. het bewerken van grond of baggerspecie.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan en bewerken functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet het bewerken van grond of baggerspecie, als dat alleen bestaat uit:

  1. het zeven van grond bij het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in paragraaf 3.2.21;

  2. het zeven van grond bij het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in paragraaf 3.2.22;

  3. het saneren van de bodem, bedoeld in paragraaf 3.2.23;

  4. het zeven of samenvoegen van grond of baggerspecie of het mechanisch ontwateren van baggerspecie bij het opslaan van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 3.2.24; of

  5. het als grondstof inzetten van grond in een productieproces of reparatieproces.

Lid 4

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

  2. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

  3. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.

Artikel 3.179

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.178, voor zover het gaat om het bewerken van grond van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd of sterk verontreinigd of baggerspecie van de kwaliteitsklasse sterk verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.180

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.178, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  2. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  3. het ontvangen van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.50, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en

  4. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.181

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.178 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.184

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat verwerken functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het vervoeren van afvalstoffen en het inzamelen van afvalstoffen;

  2. het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen en het verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalvoorziening;

  3. het verbranden van afvalstoffen;

  4. het in de atmosfeer uitstoten van gasvormige effluenten;

  5. het afvangen van kooldioxide voor ondergrondse opslag, bedoeld in paragraaf 3.2.19;

  6. het verwerken van kooldioxide voor het permanent opslaan van CO2 als bedoeld in artikel 1, onder u, van de Mijnbouwwet;

  7. het verwerken van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in de paragrafen 3.3.14 en 3.6.8;

  8. het verwerken van dierlijke bijproducten, anders dan het verwerken door composteren of vergisten en de aan dat composteren of vergisten voorafgaande activiteiten;

  9. het zuiveren van afvalwater;

  10. het opslaan, mengen en opbulken van ingenomen huishoudelijke afvalstoffen als het innemen hoort bij geleverde diensten en de afvalstoffen die worden gemengd behoren tot dezelfde categorie van afvalstoffen, bedoeld in bijlage II;

  11. het opslaan, mengen en opbulken van ingenomen huishoudelijke afvalstoffen op een door de gemeente beschikbaar gestelde locatie in de openbare ruimte;

  12. het opslaan van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 3.2.24;

  13. het opslaan of bewerken van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 3.5.8; en

  14. een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.10.

Lid 4

Onder de aanwijzing valt ook niet het verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen als dat alleen bestaat uit:

  1. het mengen, opbulken, opslaan, scheiden, herverpakken of verdichten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voorafgaand aan inzameling of afgifte;

  2. het mobiel breken van bouwafval en sloopafval, bedoeld in afdeling 7.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of

  3. het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam.

Lid 5

Onder de aanwijzing valt ook niet het verwerken van huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven.

Artikel 3.185

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het opslaan, herverpakken of opbulken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Lid 2

Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat opslaan, herverpakken of opbulken.

Lid 3

Het verbod geldt niet voor het opslaan van:

  1. afvalstoffen van gezondheidszorg bij mens of dier en gebruikte hygiënische producten, met uitzondering van infectieuze afvalstoffen, lichaamsdelen of organen, en afvalstoffen van cytotoxische of cytostatische geneesmiddelen;

  2. niet meer dan 10.000 ton banden van voertuigen;

  3. metaal voor zover de opslagcapaciteit ten hoogste 50.000 ton is en het niet gaat om gevaarlijke afvalstoffen;

  4. niet meer dan 100 m3 afgedankte elektrische of elektronische apparatuur die afkomstig is van particuliere huishoudens of die naar aard en hoeveelheid met die van particuliere huishoudens vergelijkbaar is;

  5. niet meer dan 5 m3 draagbare batterijen of accu’s;

  6. niet meer dan 5 m3 spaarlampen of gasontladingslampen;

  7. niet meer dan 5 m3 inktcassettes of tonercassettes;

  8. siervoorwerpen of gebruiksvoorwerpen op een locatie waarop het hergebruik van deze voorwerpen wordt voorbereid als de opslagoppervlakte ten hoogste 1.000 m2 is en het gaat om gevaarlijke afvalstoffen;

  9. siervoorwerpen, gebruiksvoorwerpen of tweedehands bouwmaterialen als de opslagoppervlakte ten hoogste 6.000 m2 is en het gaat om bedrijfsafvalstoffen;

  10. lege ongereinigde verpakkingen die gevaarlijke afvalstoffen zijn of niet meer dan 45 m3 lege ongereinigde verpakkingen die bedrijfsafvalstoffen zijn, op een locatie waarop olie, vet, verf, lijm, kit, hars, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, in verpakking worden opgeslagen om te worden verkocht of geleverd aan afnemers en voor zover de lege ongereinigde verpakkingen zijn ingenomen van die afnemers;

  11. ingenomen afvalstoffen van reparatiewerkzaamheden of onderhoudswerkzaamheden aan pleziervaartuigen of bilgewater bij een jachthaven;

  12. afgescheiden oliefractie of waterfractie van ingenomen bilgewater bij een jachthaven;

  13. afgewerkte olie, smeervet of oliehoudende of vethoudende afvalstoffen, ontstaan als gevolg van onderhoud aan vaartuigen bij een bunkerstation, als deze afvalstoffen zijn ingenomen van personen die brandstof, smeerolie of smeervet bij het bunkerstation aanschaffen;

  14. ontplofbare stoffen of voorwerpen door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht;

  15. metalen met aanhangende olie of emulsie van olie, afgescheiden oliefracties of emulsiefracties;

  16. niet meer dan 30 ton autobatterijen, autoaccu’s, industriële batterijen of accu’s;

  17. niet meer dan 10.000 ton van elk van de volgende bedrijfsafvalstoffen:

    1. bouwstoffen die op grond van paragraaf 3.2.25 mogen worden toegepast;

    2. textiel;

    3. verpakkingsglas;

    4. vlakglas;

    5. voedingsmiddelen afkomstig van detailhandel of groothandel;

    6. niet-geïmpregneerd hout;

    7. papier of karton; en

    8. kunststof;

  18. niet meer dan 600 m3 groenafval dat een bedrijfsafvalstof is;

  19. niet meer dan 1 m3 gebruikte frituurvetten of frituuroliën die bedrijfsafvalstoffen zijn;

  20. niet meer dan 1.000 m3 plantaardige restproducten uit de landbouw, tuinbouw, voedselbereiding of voedselverwerking voor het maken van diervoeder voor de dieren van degene die de activiteit verricht;

  21. wrakken van gemotoriseerde voertuigen bij het onderhouden of repareren van gemotoriseerde voertuigen waarop paragraaf 4.22 van toepassing is;

  22. niet meer dan vier wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen of niet meer dan vier autowrakken of andere voertuigwrakken na demontage, bij een instelling voor oefendoeleinden of opleidingsdoeleinden;

  23. autowrakken, wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen of andere voertuigwrakken bij het verlenen van hulp voor gemotoriseerde voertuigen als bedoeld in paragraaf 3.8.1 of in het kader van onderzoek door politie of justitie;

  24. autowrakken na demontage op een andere locatie dan de locatie waarop demontage heeft plaatsgevonden, behalve als wordt opgeslagen op een instelling voor oefendoeleinden of opleidingsdoeleinden; of

  25. autowrakken of wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen of de bij het demonteren van deze wrakken vrijkomende afvalstoffen, als dat opslaan gebeurt bij het demonteren van ingezamelde of afgegeven autowrakken of wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen, bedoeld in paragraaf 3.5.1.

Lid 4

Het verbod geldt ook niet voor het opbulken of herverpakken van afvalstoffen als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit artikel.

Lid 5

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten bestaan uit de activiteiten, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.186

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het demonteren van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Lid 2

Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat demonteren.

Lid 3

Het verbod geldt niet als het demonteren alleen bestaat uit:

  1. het demonteren van autowrakken of het demonteren van wrakken van tweewielige gemotoriseerde voertuigen bij een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.5.1;

  2. het demonteren van accessoires van een autowrak of wrak van een tweewielig gemotoriseerd voertuig bij een activiteit waarop paragraaf 4.22 van toepassing is;

  3. activiteiten met een autowrak, wrak van een tweewielig gemotoriseerd voertuig of ander voertuigwrak na demontage, bij een instelling voor oefendoeleinden of opleidingsdoeleinden, als de identiteit of de inhoud van de autowrakken herkenbaar blijft en de activiteit samenhangt met het oefendoel of opleidingsdoel;

  4. het voor recycling demonteren van siervoorwerpen of gebruiksvoorwerpen die bedrijfsafvalstoffen zijn en alleen bestaan uit metaal, hout, kunststof, textiel, papier, karton of verbindingsmaterialen; of

  5. het demonteren van siervoorwerpen of gebruiksvoorwerpen voor hergebruik als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer.

Lid 4

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten alleen bestaan uit de activiteiten, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.187

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het ontwateren of drogen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, die geen afvalwater zijn.

Lid 2

Het verbod geldt niet als dat ontwateren alleen bestaat uit het mechanisch ontwateren van zuiveringsslib dat een bedrijfsafvalstof is of het passief ontwateren of drogen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Lid 3

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid, behalve als die activiteiten alleen bestaan uit de activiteiten, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.188

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het verkleinen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Lid 2

Het verbod geldt niet als dat verkleinen alleen bestaat uit:

  1. het verkleinen van metaal, niet-geïmpregneerd hout, kunststof, papier of karton die bedrijfsafvalstoffen zijn, met uitzondering van autowrakken;

  2. het verkleinen van groenafval dat een bedrijfsafvalstof is, ontstaan bij werkzaamheden die zijn verricht door degene die de activiteit verricht;

  3. het voor recycling verkleinen van siervoorwerpen of gebruiksvoorwerpen die geen elektronica bevatten, bedrijfsafvalstoffen zijn en alleen bestaan uit metaal, hout, kunststof, textiel, papier, karton of verbindingsmaterialen; of

  4. het demonteren van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 3.186.

Artikel 3.189

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het reinigen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Lid 2

Het verbod geldt niet als het reinigen alleen bestaat uit:

  1. het schoonmaken als voorbereiden voor hergebruik als bedoeld in artikel 3.190;

  2. het reinigen van kunststof dat een bedrijfsafvalstof is; of

  3. het schoonbranden van een spoel uit een elektromotor.

Artikel 3.190

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het voorbereiden voor hergebruik van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van het voorbereiden voor hergebruik van onderdelen van voertuigwrakken, siervoorwerpen, gebruiksvoorwerpen of tweedehands bouwmaterialen.

Artikel 3.191

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het composteren of vergisten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Lid 2

Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat composteren of vergisten.

Lid 3

Het verbod geldt niet voor het composteren van ten hoogste 600 m3 groenafval dat een bedrijfsafvalstof is, ontstaan bij werkzaamheden die zijn verricht door degene die de activiteit verricht.

Lid 4

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten bestaan uit de activiteit, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.192

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het recyclen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, het vervaardigen van brandstoffen of opvulmateriaal uit bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen of het voorbehandelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voor nuttige toepassing, anders dan de activiteiten met afvalstoffen, bedoeld in de artikelen 3.185 tot en met 3.191 en 3.193 tot en met 3.196.

Lid 2

Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat recyclen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, vervaardigen van brandstoffen of opvulmateriaal uit bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen of het voorbehandelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voor nuttige toepassing.

Lid 3

Het verbod geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit:

  1. het vernieuwen van het loopvlak van banden van voertuigen;

  2. het extruderen of spuitgieten van kunststof dat een bedrijfsafvalstof is;

  3. het als grondstof inzetten van rubber, kunststof, metalen, steen, steenachtig materiaal, papier, karton, textiel, bont, leer, gips, kurk, hout of houtachtig materiaal of grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d van dat besluit, in een productieproces of reparatieproces, als de afvalstoffen bedrijfsafvalstoffen zijn; of

  4. het maken van diervoeder voor eigen dieren van plantaardig materiaal uit de landbouw, tuinbouw, voedselbereiding of voedselverwerking, als de capaciteit voor het maken van diervoeder van deze afvalstoffen niet meer is dan 4.000 ton/jaar.

Lid 4

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten alleen bestaan uit de activiteiten, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.193

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het verdichten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Lid 2

Het verbod geldt niet voor het verdichten van bedrijfsafvalstoffen dat geen belemmering vormt voor de nascheiding of recycling als het opslaan van de afvalstoffen die worden verdicht niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185.

Artikel 3.194

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het scheiden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Lid 2

Het verbod geldt niet als dat scheiden alleen bestaat uit:

  1. het scheiden van afvalstoffen, waarvan het opslaan niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185;

  2. het demonteren, bedoeld in artikel 3.186;

  3. het ontwateren of drogen, bedoeld in artikel 3.187;

  4. het verkleinen, bedoeld in artikel 3.188;

  5. het reinigen, bedoeld in artikel 3.189; of

  6. het voorbereiden voor hergebruik, bedoeld in artikel 3.190.

Artikel 3.195

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het mengen van bedrijfsafvalstoffen.

Lid 2

Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat mengen.

Lid 3

Het verbod geldt niet als het mengen alleen bestaat uit:

  1. het mengen van bedrijfsafvalstoffen met stoffen of materialen die geen afvalstoffen zijn, als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185 en er wordt gemengd tijdens recycling of het voorbereiden voor hergebruik;

  2. het mengen van rie-biomassa met stoffen of materialen die geen afvalstoffen zijn, als het opslaan van de rie-biomassa niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185;

  3. het bij het verbranden van rie-biomassa mengen van partijen rie-biomassa die behoren tot verschillende categorieën van afvalstoffen als bedoeld in bijlage II, als het opslaan van de afvalstoffen of het verbranden van de rie-biomassa niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.40e of 3.185; of

  4. het mengen van bedrijfsafvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie van afvalstoffen, met uitzondering van de categorieën 10 en 111, bedoeld in bijlage II, als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185.

Artikel 3.196

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het mengen van gevaarlijke afvalstoffen.

Lid 2

Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat mengen.

Lid 3

Het verbod geldt niet als dat mengen alleen bestaat uit het mengen van gevaarlijke afvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie van afvalstoffen, met uitzondering van de categorieën 11 en 110, bedoeld in bijlage II, als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185.

Artikel 3.197

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het verwijderen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen of afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.198

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.184, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

  2. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

  3. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  4. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  5. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  6. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;

  7. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  8. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  9. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  10. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  11. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  12. het shredderen van autowrakken, bedoeld in paragraaf 4.31;

  13. het opslaan van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.32, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk;

  14. het ontvangen van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.50, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk;

  15. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

  16. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

  17. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om:

    1. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen als per dag 10 ton of meer gevaarlijk afval wordt ontvangen; en

    2. het verwijderen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;

  2. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  3. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.185 tot en met 3.197; en

  4. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.

Artikel 3.199

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.184, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.200

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in categorie 6.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

  2. het houden van landbouwhuisdieren.

Lid 2

Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onder b, valt niet het houden van ten hoogste:

  1. 10 stuks rundvee die als landbouwhuisdieren worden gehouden;

  2. 15 varkens die als landbouwhuisdieren worden gehouden;

  3. 350 kippen die als landbouwhuisdieren worden gehouden; en

  4. 25 overige landbouwhuisdieren.

Lid 3

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.

Lid 4

Onder de aanwijzing valt niet het houden van landbouwhuisdieren alleen:

  1. voor natuurbeheer of beheer van de openbare ruimte;

  2. voor educatieve doeleinden; of

  3. bij onderzoeksinstellingen.

Artikel 3.201

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.200, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in categorie 6.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Artikel 3.202

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.200, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het houden van:

  1. meer dan 200 melkkoeien van 2 jaar en ouder, kalfkoeien van 2 jaar en ouder of zoogkoeien van 2 jaar en ouder;

  2. meer dan 340 stuks vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar, fokstieren jonger dan 2 jaar, melkkoeien van 2 jaar en ouder, kalfkoeien van 2 jaar en ouder of zoogkoeien van 2 jaar en ouder;

  3. meer dan 50 paarden van 3 jaar en ouder of pony’s van 3 jaar en ouder;

  4. meer dan 50 schapen van 1 jaar en ouder of geiten;

  5. meer dan 2.500 kippen, kalkoenen, eenden of parelhoenders;

  6. meer dan 50 vleesvarkens van 25 kg en meer, opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan 7 maanden of opfokzeugen van 25 kg en meer;

  7. meer dan 50 kraamzeugen, guste zeugen, dragende zeugen en opfokzeugen van 25 kg en meer;

  8. meer dan 500 gespeende biggen van minder dan 25 kg;

  9. meer dan 50 vleeskalveren jonger dan 1 jaar, overig vleesvee vanaf spenen en jonger dan 2 jaar of overig rundvee van 2 jaar en ouder; of

  10. meer dan 50 overige landbouwhuisdieren.

Artikel 3.203

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.200, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  2. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  3. het bereiden van drinkwater voor landbouwhuisdieren, bedoeld in paragraaf 4.81;

  4. dierenverblijven, bedoeld in paragraaf 4.82;

  5. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83;

  6. het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in paragraaf 4.84;

  7. het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in paragraaf 4.86;

  8. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;

  9. het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90; en

  10. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een PRTR-installatie voor het houden van pluimvee of varkens als bedoeld in categorie 6.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

  3. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.204

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.200 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op gronden die worden gebruikt voor de teelt van gewassen in de openlucht.

Lid 3

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.204a

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/172.

Artikel 3.205

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het telen van gewassen in kassen.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat telen functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet het telen van gewassen in kassen alleen:

  1. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

  2. voor educatieve doeleinden;

  3. bij onderzoeksinstellingen; of

  4. bij volkstuinen.

Artikel 3.206

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.205, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  2. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  3. het aanmaken en via vaste leidingen transporteren van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen, bedoeld in paragraaf 4.62;

  4. het behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in paragraaf 4.65;

  5. het reinigen van verpakkingen voor biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.66;

  6. het reinigen van verpakkingen voor niet-biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.67;

  7. het spoelen van gewassen, bedoeld in paragraaf 4.68;

  8. het spoelen van niet-biologisch geteelde bloembollen of bloemknollen, bedoeld in paragraaf 4.69;

  9. het spoelen van biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.70;

  10. het sorteren van niet-biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.71;

  11. het sorteren van biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.72;

  12. assimilatiebelichting, bedoeld in paragraaf 4.75;

  13. drainwater of spoelwater van filters bij substraatteelt in een kas, bedoeld in paragraaf 4.76;

  14. drainagewater of spoelwater van filters bij grondgebonden teelt in een kas, bedoeld in paragraaf 4.77;

  15. overig afvalwater van kassen, bedoeld in paragraaf 4.78;

  16. het bereiden van gietwater, bedoeld in paragraaf 4.80;

  17. het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in paragraaf 4.85;

  18. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;

  19. het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90; en

  20. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.207

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.205, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.208

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het telen van gewassen in de openlucht; en

  2. het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat telen of behandelen functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als die alleen worden verricht:

  1. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

  2. voor educatieve doeleinden;

  3. bij onderzoeksinstellingen; of

  4. bij volkstuinen.

Artikel 3.209

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.208, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  2. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  3. het aanmaken en via vaste leidingen transporteren van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen, bedoeld in paragraaf 4.62;

  4. het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op landbouwgronden, bedoeld in paragraaf 4.63;

  5. het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op braakliggende landbouwgronden en bij het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in paragraaf 4.64;

  6. het behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in paragraaf 4.65;

  7. het reinigen van verpakkingen voor biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.66;

  8. het reinigen van verpakkingen voor niet-biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.67;

  9. het spoelen van gewassen, bedoeld in paragraaf 4.68;

  10. het spoelen van niet-biologisch geteelde bloembollen of bloemknollen, bedoeld in paragraaf 4.69;

  11. het spoelen van biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.70;

  12. het sorteren van niet-biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.71;

  13. het sorteren van biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.72;

  14. substraatteelt van gewassen in de openlucht, bedoeld in paragraaf 4.73;

  15. substraatteelt van gewassen op stellingen of in een gotensysteem in de openlucht, bedoeld in paragraaf 4.74;

  16. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83;

  17. het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in paragraaf 4.85;

  18. het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in paragraaf 4.86;

  19. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;

  20. het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90; en

  21. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.210

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.208 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Lid 3

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de activiteit wordt verricht op landbouwgronden.

Artikel 3.211

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat telen functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet het telen van gewassen in een gebouw alleen:

  1. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

  2. voor educatieve doelen; of

  3. bij onderzoeksinstellingen.

Artikel 3.212

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 3.213

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.211, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  2. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  3. het aanmaken en via vaste leidingen transporteren van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen, bedoeld in paragraaf 4.62;

  4. het behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in paragraaf 4.65;

  5. het reinigen van verpakkingen voor biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.66;

  6. het reinigen van verpakkingen voor niet-biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.67;

  7. het lozen van afvalwater bij telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in paragraaf 4.79;

  8. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83;

  9. het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in paragraaf 4.85;

  10. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;

  11. het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90; en

  12. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.214

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.211, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.215

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor agrarisch loonwerk:

  1. opslaan van stoffen op een andere locatie dan de locatie van dat loonwerk; en

  2. onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen op een andere locatie dan de locatie van dat loonwerk.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.

Artikel 3.216

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.215, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  2. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  3. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  4. het aanmaken en via vaste leidingen transporteren van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen, bedoeld in paragraaf 4.62;

  5. het behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in paragraaf 4.65;

  6. het reinigen van verpakkingen voor biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.66;

  7. het reinigen van verpakkingen voor niet-biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.67;

  8. het spoelen van gewassen, bedoeld in paragraaf 4.68;

  9. het spoelen van niet-biologisch geteelde bloembollen of bloemknollen, bedoeld in paragraaf 4.69;

  10. het spoelen van biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.70;

  11. het sorteren van niet-biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.71;

  12. het sorteren van biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.72;

  13. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83;

  14. het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in paragraaf 4.84;

  15. het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in paragraaf 4.85;

  16. het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in paragraaf 4.86;

  17. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;

  18. het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90;

  19. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

  20. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.217

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.215 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.218

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor derden of voor verhuur onderhouden en repareren van werktuigen voor agrarische activiteiten.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden of repareren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.219

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.218, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

  2. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

  3. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  4. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  5. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  6. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  7. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  8. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  9. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

  10. het verwerken van thermoplastisch kunststof, bedoeld in paragraaf 4.26;

  11. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;

  12. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  13. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  14. het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90;

  15. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

  16. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.220

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.218 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.221

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het kweken van consumptievis;

  2. het kweken van ongewervelde waterdieren; en

  3. het telen van waterplanten.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat kweken of telen functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als die alleen worden verricht:

  1. in een oppervlaktewaterlichaam;

  2. voor educatieve doelen;

  3. bij onderzoeksinstellingen;

  4. voor sportdoeleinden of recreatiedoeleinden; of

  5. bij detailhandel.

Artikel 3.222

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.221, voor zover het gaat om:

  1. het kweken van consumptievis;

  2. het kweken van ongewervelde waterdieren; of

  3. het telen van waterplanten.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.223

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.221, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een PRTR-installatie voor intensieve aquacultuur, met een productiecapaciteit van 1.000 ton vis of schelpdieren per jaar of meer.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.224

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.221 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.225

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat behandelen of vergisten functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.14.

Artikel 3.226

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.225, voor zover het gaat om:

  1. het drogen of indampen van dierlijke meststoffen, met uitzondering van het drogen van pluimveemest dat deel uitmaakt van een huisvestingssysteem waarvoor bij ministeriële regeling een emissiefactor voor ammoniak is vastgesteld;

  2. het vergisten van dierlijke meststoffen in combinatie met afvalstoffen;

  3. het vergisten van plantaardig materiaal;

  4. het verbranden van dierlijke meststoffen; of

  5. het composteren van dierlijke meststoffen.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.227

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.225, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4;

  2. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83;

  3. het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in paragraaf 4.86;

  4. een mestbehandelingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.87;

  5. een mestvergistingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.88; en

  6. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  2. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.226; en

  3. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.

Artikel 3.228

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.225 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.229

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor bouwwerkzaamheden, onderhoudswerkzaamheden, reparatiewerkzaamheden of installatiewerkzaamheden:

  1. opslaan van stoffen op een andere locatie dan de locatie van die werkzaamheden; en

  2. onderhouden, repareren en schoonmaken van gemotoriseerde voertuigen of werktuigen op een andere locatie dan de locatie van die werkzaamheden.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.

Artikel 3.230

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.229, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

  2. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  3. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  4. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  5. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;

  6. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  7. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  8. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  9. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;

  10. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  11. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  12. het opslaan van verwijderd asbest, bedoeld in paragraaf 4.52;

  13. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

  14. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

  15. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.231

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.229 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.232

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het chemisch reinigen van textiel.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat chemisch reinigen functioneel ondersteunen.

Artikel 3.233

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.232, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34; en

  2. het chemisch reinigen van textiel, bedoeld in paragraaf 4.57.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.234

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.232, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.235

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum waar ondersteuning wordt gegeven voor dataverkeer of dataopslag.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.236

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.235.

Artikel 3.237

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.235, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en

  2. openbaarmaking gegevens energie-efficiëntie datacentra, bedoeld in paragraaf 5.4.1a.

Artikel 3.238

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.235, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.239

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een crematorium.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.240

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.239, wordt voldaan aan de regels over een crematorium, bedoeld in paragraaf 4.54.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.241

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.239, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.242

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een laboratorium verrichten van:

  1. wetenschappelijk onderzoek;

  2. practica voor middelbaar en hoger onderwijs;

  3. medisch onderzoek;

  4. productontwikkeling; of

  5. fysische, chemische of biologische analyses.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat verrichten functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze worden verricht in een laboratorium alleen voor huisartsen, dierenartsen, apothekers, tandartsen of tandtechnici.

Artikel 3.243

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 3.244

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.242, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over een laboratorium, bedoeld in paragraaf 4.55.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.245

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.242, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.246

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat ingeperkt gebruik functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet ingeperkt gebruik als dat alleen bestaat uit:

  1. ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of

  2. ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 in de categorie van fysische inperking, bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van dat besluit, zijn ingeschaald in S-I.

Artikel 3.247

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.246, als het gaat om ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 waarop inperkingsniveau IV als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van dat besluit van toepassing is.

Artikel 3.248

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.246, wordt voldaan aan de regels over ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen, bedoeld in paragraaf 4.53.

Artikel 3.249

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.246, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.250

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor onderhoud van de openbare ruimte:

  1. opslaan van stoffen op een andere locatie dan die openbare ruimte; en

  2. onderhouden, repareren en schoonmaken van gemotoriseerde voertuigen of werktuigen op een andere locatie dan die openbare ruimte.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.

Artikel 3.251

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.250, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  2. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  3. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  4. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;

  5. het aanmaken en via vaste leidingen transporteren van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen, bedoeld in paragraaf 4.62;

  6. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;

  7. het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90;

  8. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

  9. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.252

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.250 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.253

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor derden of voor verhuur onderhouden en repareren van gemotoriseerde werktuigen.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden of repareren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.254

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.253, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  2. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  3. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  4. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  5. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  6. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  7. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  8. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40; en

  9. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.255

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.253 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.256

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een instelling voor het verlenen van medisch-specialistische zorg.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet instellingen alleen gericht op het verlenen van geestelijke gezondheidszorg.

Artikel 3.257

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.256, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een traumahelikopter, bedoeld in paragraaf 4.56; en

  2. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.258

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.257, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.259

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het oefenen van brandbestrijdingstechnieken.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat oefenen functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het testen van geïnstalleerde brandbestrijdingssystemen;

  2. het opleiden van bedrijfshulpverleners of eigen personeel; en

  3. het demonstreren van brandbestrijdingstechnieken op een evenement.

Artikel 3.260

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.259, voor zover het gaat om het oefenen van brandbestrijdingstechnieken.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.261

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.259, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.260.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.262

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.259, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.265

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor hulpverlening voor gemotoriseerde voertuigen:

  1. opslaan van stoffen; en

  2. onderhouden, repareren en schoonmaken van gemotoriseerde voertuigen op een andere locatie dan de locatie van de pech of het ongeval.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.

Artikel 3.266

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.265, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  2. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  3. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40; en

  4. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.267

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.265 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.268

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het voor handelsdoeleinden of voor vervoer opslaan van chemicaliën of brandstoffen in opslagtanks.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan functioneel ondersteunen.

Artikel 3.269

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.268, voor zover het gaat om milieubelastende activiteiten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, die worden verricht op dezelfde locatie als een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.16, 3.22, 3.25, 3.28, 3.31, 3.34 of 3.37.

Artikel 3.270

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.268, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  2. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  3. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

  4. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104;

  5. een benzineterminal, bedoeld in paragraaf 4.105;

  6. het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 4.106; en

  7. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  2. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.269; en

  3. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.

Artikel 3.271

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.268, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.272

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het bieden van gelegenheid voor het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen:

  1. bij een bunkerstation; of

  2. vanaf de wal met een vaste installatie voor het tanken.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.

Artikel 3.273

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.272, voor zover het gaat om:

  1. het opslaan van meer dan 25 m3 gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een bunkerstation als de inhoud niet geheel bestaat uit gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger;

  2. het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met LPG;

  3. het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met LNG; of

  4. het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met waterstof.

Artikel 3.274

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.272, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het tanken en opslaan van LNG, bedoeld in paragraaf 4.36;

  2. het tanken van CNG, bedoeld in paragraaf 4.37;

  3. het opslaan van brandstoffen in bunkerstations, bedoeld in paragraaf 4.41;

  4. het kleinschalig tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.42;

  5. het grootschalig tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.43;

  6. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

  7. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.275

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.272, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.276

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het voor derden onderhouden, repareren, schoonmaken en ombouwen van gemotoriseerde voertuigen; en

  2. het bieden van gelegenheid voor het schoonmaken van gemotoriseerde voertuigen.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden, repareren, schoonmaken, ombouwen of bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen bestaan uit:

  1. het voor derden of voor verhuur onderhouden en repareren van werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 3.6.6;

  2. het onderhouden, repareren en schoonmaken van autobussen of spoorvoertuigen, bedoeld in paragraaf 3.8.7; of

  3. het voor derden onderhouden, repareren, schoonmaken of ombouwen van elektrische tweewielige voertuigen of het bieden van gelegenheid voor het schoonmaken van elektrische tweewielige voertuigen.

Artikel 3.277

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 3.278

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.276, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

  2. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  3. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  4. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  5. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  6. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  7. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  8. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

  9. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  10. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  11. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;

  12. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

  13. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104;

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.279

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.276 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.280

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het reviseren van verbrandingsmotoren of gasturbines.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat reviseren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.281

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.280, voor zover het gaat om:

  1. het proefdraaien van straalmotoren of straalturbines; of

  2. het proefdraaien met testbanken van motoren, turbines of reactoren.

Artikel 3.282

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 3.283

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.280, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

  2. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

  3. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  4. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  5. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  6. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  7. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  8. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  9. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

  10. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  11. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  12. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

  13. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  2. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.281; en

  3. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.281.

Artikel 3.284

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.280, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.285

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor het vervoer van stoffen of goederen:

  1. opslaan van stoffen of goederen;

  2. onderhouden, repareren en schoonmaken van gemotoriseerde voertuigen of werktuigen; en

  3. opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren, schoonmaken of opstellen functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. een parkeerterrein dat deel uitmaakt van een openbare weg, een gedeelte van een openbare weg of een parkeerterrein dat openstaat voor openbaar verkeer; en

  2. de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder a, als deze alleen bestaat uit het voor handelsdoeleinden of voor vervoer opslaan van chemicaliën of brandstoffen in opslagtanks, bedoeld in paragraaf 3.8.2.

Artikel 3.286

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.285, voor zover het gaat om:

  1. het opslaan van steenkool, ertsen of derivaten van ertsen;

  2. het voor meer dan 24 uur opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c;

  3. het opstellen van meer dan drie voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c;

  4. het begassen of ontgassen van containers;

  5. het tanken van voertuigen of werktuigen met LNG;

  6. het tanken van voertuigen of werktuigen met waterstof;

  7. het onverpakt in bulk opslaan van meer dan 1 kg vaste gevaarlijke stoffen van:

    1. ADR-klasse 4.1, 4.2 of 4.3;

    2. ADR-klasse 5.1;

    3. ADR-klasse 6.1;

    4. ADR-klasse 6.2;

    5. ADR-klasse 8; of

    6. ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen;

  8. het opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, in een container;

  9. het opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger;

  10. het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 door een ander dan de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger; of

  11. het buiten een Seveso-inrichting opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, in een hoeveelheid van ten minste de drempelwaarde, bedoeld in bijlage I, deel 1, kolom 2, of deel 2, kolom 2, bij de Seveso-richtlijn, met inachtneming van de aantekeningen bij die bijlage, voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger.

Lid 2

Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, die worden verricht:

  1. op dezelfde locatie als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met k; of

  2. op dezelfde locatie als een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.16, 3.22, 3.25, 3.28, 3.31, 3.34 of 3.37.

Lid 3

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 3.287

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.285, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  2. het tanken en opslaan van LPG, bedoeld in paragraaf 4.35;

  3. het tanken en opslaan van LNG, bedoeld in paragraaf 4.36;

  4. het tanken van CNG, bedoeld in paragraaf 4.37;

  5. het tanken en opslaan van waterstof, bedoeld in paragraaf 4.38;

  6. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  7. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  8. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;

  9. het opslaan van autowrakken, bedoeld in paragraaf 4.48;

  10. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104;

  11. het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 4.106; en

  12. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Lid 3

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en

  2. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.286, onder a, of pneumatische elevatoren met een verwerkingscapaciteit van 500 ton per uur of meer worden gebruikt.

Artikel 3.288

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.285 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.289

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het onderhouden, repareren en schoonmaken van gemotoriseerde autobussen of spoorvoertuigen; en

  2. het tanken van spoorvoertuigen.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden, repareren, schoonmaken of tanken functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet het onderhouden, repareren en schoonmaken van autobussen of spoorvoertuigen in noodgevallen langs de weg of het spoor.

Artikel 3.290

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.289, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

  2. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

  3. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  4. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  5. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  6. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  7. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  8. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  9. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;

  10. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  11. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  12. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;

  13. het verwijderen van graffiti, bedoeld in paragraaf 4.45;

  14. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

  15. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.291

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.289 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.292

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het onderhouden, repareren, schoonmaken en tanken van gemotoriseerde vliegtuigen.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden, repareren, schoonmaken of tanken functioneel ondersteunen.

Artikel 3.293

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.292, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het repareren van vliegtuigen.

Artikel 3.294

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.292, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  2. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  3. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  4. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  5. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  6. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  7. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;

  8. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  9. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  10. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

  11. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  2. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en

  3. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.293.

Artikel 3.295

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.292 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.295a

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een spoorwegemplacement.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.295b

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.295a.

Lid 2

Het verbod geldt niet voor het laten rijden met of opstellen van spoorvoertuigen op een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg als bedoeld in artikel 2.13a, eerste lid, onder b, van de wet, voor zover het gaat om het veroorzaken van geluid.

Artikel 3.295c

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.295a, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het verwijderen van graffiti, bedoeld in paragraaf 4.45; en

  2. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.295d

Artikel 3.295b, tweede lid, is voor een spoorwegemplacement waarvoor voor de inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend of een aanvraag om die vergunning is ingediend, van toepassing vanaf het moment waarop Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat uitvoering heeft gegeven aan artikel 12.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en het besluit tot wijziging van de geluidproductieplafonds als omgevingswaarden in werking is getreden.

Artikel 3.296

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het bieden van gelegenheid voor het tanken van voertuigen of werktuigen.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.

Artikel 3.297

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.296, voor zover het gaat om het tanken van voertuigen of werktuigen met:

  1. LNG; of

  2. waterstof.

Artikel 3.298

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.296, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het tanken en opslaan van LPG, bedoeld in paragraaf 4.35;

  2. het tanken en opslaan van LNG, bedoeld in paragraaf 4.36;

  3. het tanken van CNG, bedoeld in paragraaf 4.37;

  4. het tanken en opslaan van waterstof, bedoeld in paragraaf 4.38;

  5. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  6. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40; en

  7. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.299

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.296, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.300

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het inwendig reinigen van opslagtanks of verpakkingen waarin gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, zijn opgeslagen op een andere locatie dan de locatie waarop de opslagtanks stonden of waarop de verpakkingen zijn gebruikt; en

  2. het inwendig reinigen van voertuigen, opleggers, aanhangers, tankcontainers of bulkcontainers waarin gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, zijn vervoerd.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat inwendig reinigen functioneel ondersteunen.

Artikel 3.301

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.300, voor zover het gaat om het inwendig reinigen van:

  1. opslagtanks of verpakkingen waarin gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, zijn opgeslagen op een andere locatie dan de locatie waarop de opslagtanks stonden of waarop de verpakkingen zijn gebruikt; of

  2. voertuigen, opleggers, aanhangers, tankcontainers of bulkcontainers waarin gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, zijn vervoerd.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.302

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.300, wordt voldaan aan de regels over:

  1. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  2. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.301;

  3. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en

  4. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.301, eerste lid, onder a.

Artikel 3.303

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.300 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.304

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een terrein of gebouw voor het sporten of recreëren met gemotoriseerde voertuigen.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.305

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.304, voor zover het gaat om het sporten of recreëren met voertuigen met een verbrandingsmotor in de buitenlucht.

Artikel 3.306

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.304, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  2. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39; en

  3. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en

  2. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.305 en deze wordt uitgevoerd op een meer dan acht uur per week daarvoor opengesteld terrein, geen openbare weg zijnde, waarbij buiten beschouwing blijven terreinen die langer zijn opengesteld voor het houden van wedstrijden op die terreinen of het voorbereiden van zodanige wedstrijden gedurende ten hoogste drie weekeinden per kalenderjaar, waarbij tot het weekeinde worden gerekend daarop aansluitende dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen.

Artikel 3.307

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.304, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.308

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een jachthaven waar pleziervaartuigen afmeren.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet het exploiteren van een jachthaven met 50 ligplaatsen of minder, tenzij in de jachthaven gewoonlijk zeegaande pleziervaartuigen afmeren.

Artikel 3.309

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.308, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  2. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  3. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  4. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  5. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  6. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  7. het schoonmaken van pleziervaartuigen, bedoeld in paragraaf 4.24;

  8. een jachthaven, bedoeld in paragraaf 4.58;

  9. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

  10. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.310

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.308, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.311

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.11.5; en

  2. het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.

Artikel 3.312

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.311, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een binnenschietbaan, bedoeld in paragraaf 4.59;

  2. een buitenschietbaan, bedoeld in paragraaf 4.60; en

  3. een kleiduivenbaan, bedoeld in paragraaf 4.61.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.313

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.311, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.314

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een sneeuwbaan of ijsbaan, als daarbij een koelinstallatie wordt gebruikt.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.315

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.314, wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.316

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.314, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.317

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een openbaar zwembad.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.318

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.317, wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.319

Lid 1

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.317, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  1. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  2. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Lid 2

Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.320

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het aanleggen en het exploiteren van een mijnbouwwerk.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat aanleggen en dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.321

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.320.

Lid 2

Het verbod geldt niet voor:

  1. het alleen testen, onderhouden, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk; en

  2. het stimuleren van een voorkomen via een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk.

Artikel 3.322

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.320, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk, bedoeld in paragraaf 4.109, voor zover het gaat om:

  1. het aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk; of

  2. het stimuleren van een voorkomen via een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;

  2. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.321, eerste lid;

  3. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en

  4. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.321.

Artikel 3.323

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een militaire zeehaven, met inbegrip van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.324

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.323.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.325

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.323, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

  2. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  3. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  4. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  5. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  6. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  7. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  8. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

  9. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  10. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  11. het opslaan van brandstoffen in bunkerstations, bedoeld in paragraaf 4.41;

  12. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;

  13. een laboratorium, bedoeld in paragraaf 4.55;

  14. een jachthaven, bedoeld in paragraaf 4.58;

  15. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

  16. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104;

  17. het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 4.106; en

  18. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en

  2. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.324.

Artikel 3.326

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een militaire luchthaven, met inbegrip van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.327

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.326, als het gaat om het exploiteren van een militaire luchthaven waarvoor een luchthavenbesluit is vereist.

Artikel 3.328

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.326, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

  2. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  3. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  4. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  5. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  6. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  7. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  8. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

  9. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

  10. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  11. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  12. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;

  13. een laboratorium, bedoeld in paragraaf 4.55;

  14. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

  15. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

  16. het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 4.106.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en

  2. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.327.

Artikel 3.329

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een militaire kazerne, met inbegrip van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.330

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.329, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

  2. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  3. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  4. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  5. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  6. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  7. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  8. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

  9. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  10. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  11. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;

  12. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

  13. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.331

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1, met inbegrip van het exploiteren van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar die stoffen of voorwerpen worden opgeslagen of bewerkt, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.332

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.331, als het gaat om het opslaan en bewerken van:

  1. stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1.1 of 1.2; of

  2. meer dan 50 kg NEM in stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1.3.

Artikel 3.333

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.331, wordt voldaan aan de regels over het opslaan of bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen, bedoeld in paragraaf 4.114.

Artikel 3.334

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het gebruik van ontplofbare stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1, met inbegrip van het exploiteren van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar die stoffen of voorwerpen worden gebruikt, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.335

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.334, als het gaat om het gebruik van ontplofbare stoffen of voorwerpen op:

  1. een schietbaan of combinatie van schietbanen waar meer dan 3.000.000 schoten per jaar worden afgevuurd;

  2. een permanente voorziening waarop ontplofbare voorwerpen uit militaire vliegtuigen worden geworpen; of

  3. springterreinen.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het brengen van ontplofbare stoffen en voorwerpen in een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.334.

Artikel 3.336

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.334, wordt voldaan aan de regels over een militaire schietbaan, bedoeld in paragraaf 4.115.

Artikel 3.337

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het houden van militaire oefeningen, met inbegrip van het exploiteren van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar die oefeningen worden gehouden door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.338

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.337, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over militaire oefeningen, bedoeld in paragraaf 4.113.