Hoofdstuk 11. Activiteiten die de natuur betreffen
Artikel 11.1
Lid 1
Deze afdeling gaat over activiteiten die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben.
Lid 2
Deze afdeling gaat niet over activiteiten die onderwerp zijn van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor zover zij worden verricht in de exclusieve economische zone.
Artikel 11.2
De regels in paragraaf 11.1.2 zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming.
Artikel 11.3
Tenzij in artikel 11.4 anders is bepaald, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 11.4
Lid 1
Voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit en voor een in het tweede lid van dat artikel aangewezen activiteit die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben is Onze Minister voor Natuur en Stikstof het bevoegd gezag:
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Lid 2
Onze Minister voor Natuur en Stikstof is ook het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen of dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor een activiteit met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een bijzonder nationaal natuurgebied.
Artikel 11.5
Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 11.6
Lid 1
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang, bedoeld in artikel 11.2, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Lid 2
De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat:
voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen;
wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten;
als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen;
alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen;
tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en
het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich, ondanks de getroffen maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Artikel 11.7
Lid 1
Een maatwerkregel kan in de omgevingsverordening worden gesteld over de artikelen 11.6, 11.12, 11.13 en 11.14.
Lid 2
Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 11.13 en 11.14.
Lid 3
Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op natuurbescherming.
Artikel 11.8
Een maatwerkregel wordt niet gesteld over een activiteit waarvoor Onze Minister voor Natuur en Stikstof een bevoegdheid als bedoeld in artikel 11.4 heeft.
Artikel 11.9
Lid 1
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden verbonden, over de artikelen 11.6, 11.12, 11.13 en 11.14.
Lid 2
Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 11.13 en 11.14.
Lid 3
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.
Lid 4
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een Natura 2000-activiteit zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in paragraaf 8.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.10
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4, worden die ondertekend en voorzien van:
de aanduiding van de activiteit;
de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
de dagtekening.
Artikel 11.11
Lid 1
Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in artikel 11.10, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4.
Lid 2
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4.
Artikel 11.12
Lid 1
Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4, worden over een activiteit die wordt verricht of is voorgenomen en die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels, maatwerkregels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gelet op de instandhoudingsdoelstellingen.
Lid 2
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 11.13
Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
Artikel 11.14
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4:
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 11.15
Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 11.13 en 11.14 niet versoepeld.
Artikel 11.16
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet, als:
het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en toepassing is gegeven aan artikel 6, derde lid, of in voorkomend geval artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn; of
de activiteit onderwerp is van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en plaatsvindt in de exclusieve economische zone.
Artikel 11.17
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.
Artikel 11.18
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet voor een Natura 2000-activiteit in gevallen aangewezen in een programma.
Lid 2
Het programma:
heeft geheel of ook betrekking op de inrichting, het beheer of het gebruik van een Natura 2000-gebied en bevat maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied te bereiken; of
heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling:
de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken Natura 2000-activiteiten.
Artikel 11.19
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet voor een Natura 2000-activiteit in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening.
Lid 2
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de omgevingsverordening bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt.
Artikel 11.20
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit of als dat in het algemeen belang geboden is, in gevallen aangewezen bij ministeriële regeling.
Lid 2
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit of als dat in het algemeen belang geboden is, in gevallen aangewezen bij ministeriële regeling niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de ministeriële regeling bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt.
Artikel 11.21
Lid 1
Een Natura 2000-activiteit wordt in een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.18, 11.19 of 11.20 alleen als vergunningvrij geval aangewezen als:
op voorhand op grond van objectieve gegevens met zekerheid kan worden uitgesloten dat die activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben;
een passende beoordeling als bedoeld in artikel 8.74b van het Besluit kwaliteit leefomgeving is uitgevoerd, waaruit de zekerheid is verkregen dat die activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten; of
voor zover het een aanwijzing in een omgevingsverordening of ministeriële regeling betreft: de activiteit, met inachtneming van artikel 8.74b, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kan worden gerechtvaardigd op grond van dwingende redenen van groot openbaar belang, het ontbreken van alternatieve oplossingen en het treffen van compenserende maatregelen die waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
Lid 2
Aan artikel 11.19, tweede lid, of 11.20, tweede lid, wordt alleen toepassing gegeven, als:
op voorhand op grond van objectieve gegevens met zekerheid kan worden uitgesloten dat de Natura 2000-activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten door de betrokken factor significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben; of
een passende beoordeling als bedoeld in artikel 8.74b is uitgevoerd, waaruit de zekerheid is verkregen dat de Natura 2000-activiteit door de betrokken factor de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.
Artikel 11.22
Lid 1
Deze afdeling gaat over:
flora- en fauna-activiteiten, waarover regels zijn gesteld in de artikelen 11.27 en 11.28 en de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.5;
het handelen volgens een faunabeheerplan, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.6;
de uitoefening van de jacht, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.7;
het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methodes om dieren te vangen of te doden, waaronder het verrichten van een jachtgeweeractiviteit en een valkeniersactiviteit, en het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties om dieren te vangen of te doden, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.8;
het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.9;
activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.10; en
het vangen, doden en verwerken van walvissen, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.11.
Lid 2
De paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.4 en 11.2.8 gaan niet over activiteiten die onderwerp zijn van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor zover zij worden verricht in de exclusieve economische zone.
Artikel 11.23
Lid 1
De regels in de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.5 over flora- en fauna-activiteiten zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming.
Lid 2
De regels in de paragrafen 11.2.6 en 11.2.7 over het handelen volgens een faunabeheerplan en de uitoefening van de jacht zijn gesteld met het oog op:
de natuurbescherming;
goed jachthouderschap;
het voorkomen en bestrijden van schade door dieren; en
het waarborgen van de veiligheid.
Lid 3
De regels in paragraaf 11.2.8 over het gebruik, het onder zich hebben, het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen of te doden zijn gesteld met het oog op:
de natuurbescherming;
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de gezondheid; en
het beschermen van het milieu.
Lid 4
De regels in paragraaf 11.2.9 over het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten en producten daarvan zijn gesteld met het oog op natuurbescherming.
Lid 5
De regels in paragraaf 11.2.10 over activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben zijn gesteld met het oog op:
de natuurbescherming;
het beschermen van de gezondheid; en
het beschermen van het milieu.
Lid 6
De regels in paragraaf 11.2.11 over het vangen, doden en verwerken van walvissen zijn gesteld met het oog op het voorkomen van mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van de walvisstand.
Artikel 11.24
Tenzij in artikel 11.25 anders is bepaald, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 11.25
Lid 1
Voor een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit is Onze Minister voor Natuur en Stikstof het bevoegd gezag:
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Lid 2
Onze Minister voor Natuur en Stikstof is ook het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen of dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor:
een valkeniersactiviteit;
het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten en producten, voor zover het niet gaat om een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.38, 11.39 of 11.47;
activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben; en
het vangen, doden of verwerken van walvissen.
Artikel 11.26
Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 11.27
Lid 1
Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Lid 2
Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:
voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van:
van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;
van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;
dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en
voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;
als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;
als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;
alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;
tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en
het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.
Lid 3
Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.
Artikel 11.28
Een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt, voorkomt dat het dier onnodig lijdt.
Artikel 11.29
Lid 1
Een maatwerkregel kan in de omgevingsverordening worden gesteld over de artikelen 11.27, 11.34, 11.35 en 11.68 en de paragrafen 11.2.6 en 11.2.8 en 11.2.9.
Lid 2
Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 11.34, 11.35 en 11.68 en de paragrafen 11.2.6, 11.2.8 en 11.2.9, tenzij anders is bepaald.
Lid 3
Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 11.23.
Artikel 11.30
Een maatwerkregel wordt niet gesteld over een activiteit waarvoor Onze Minister voor Natuur en Stikstof een bevoegdheid als bedoeld in artikel 11.25 heeft.
Artikel 11.31
Lid 1
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden verbonden, over de artikelen 11.27, 11.34 en 11.35 en de paragrafen 11.2.6 en 11.2.8 tot en met 11.2.10.
Lid 2
Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 11.34 en 11.35 en de paragrafen 11.2.6 en 11.2.8 tot en met 11.2.10, tenzij anders is bepaald.
Lid 3
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.
Lid 4
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een flora- en fauna-activiteit zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in paragraaf 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.32
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24 of 11.25, worden die ondertekend en voorzien van:
de aanduiding van de activiteit;
de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
de dagtekening.
Artikel 11.33
Lid 1
Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in artikel 11.32, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24 of 11.25.
Lid 2
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24 of 11.25.
Artikel 11.34
Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24 of 11.25, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
Artikel 11.35
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24 of 11.25:
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 11.36
Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 11.34 en 11.35 niet versoepeld.
Artikel 11.37
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn;
het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels;
het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of
het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a.
Lid 2
Het verbod geldt niet, als:
het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of
de activiteit uitvoering geeft aan:
een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
Lid 3
Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.
Artikel 11.38
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of aanbieden voor verkoop van dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten.
Lid 2
Het verbod geldt niet voor vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel A, bij de vogelrichtlijn, die aantoonbaar in overeenstemming met de regels van dit hoofdstuk zijn gedood, gevangen of verkregen en op delen of producten van die vogels.
Artikel 11.39
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of vervoeren van dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten.
Lid 2
Het verbod geldt niet, als:
de vogels, delen of producten aantoonbaar in overeenstemming met de regels van dit hoofdstuk zijn gedood, gevangen, of verkregen;
het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of
de activiteit deel uitmaakt van:
een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
Artikel 11.40
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten geldt voor:
het vangen of doden van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn met:
middelen die worden genoemd in bijlage IV, onder a, bij die richtlijn;
middelen, installaties of methoden voor het massaal of niet-selectief vangen of doden van vogels; of
middelen, installaties of methoden waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen; en
het achtervolgen van vogels van deze soorten met behulp van vervoermiddelen die worden genoemd in bijlage IV, onder b, bij de vogelrichtlijn, op de daar beschreven wijze.
Lid 2
Tot de middelen, installaties of methoden, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 2° en 3°, worden in ieder geval gerekend:
eendenkooien die worden gebruikt anders dan voor de uitoefening van de jacht;
bal-chatri;
het doden met middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld;
het vangen of doden met een middel waarmee elektronisch versterkte lokgeluiden kunnen worden gemaakt; en
het vangen of doden met een geweer dat is voorzien van een geluiddemper.
Artikel 11.41
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37 of 11.39 in gevallen aangewezen in een programma.
Lid 2
Het programma:
heeft geheel of ook betrekking op de inrichting, het beheer of het gebruik van een Natura 2000-gebied en bevat maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied te bereiken; of
heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling:
de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken flora- en fauna-activiteiten.
Artikel 11.42
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor:
een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, en 11.39, eerste lid, met betrekking tot vogels van bij de omgevingsverordening aangewezen soorten, of hun nesten, rustplaatsen of eieren; of
een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.40, met betrekking tot bij de omgevingsverordening aangewezen middelen, installaties, methoden of vervoermiddelen.
Artikel 11.43
Lid 1
Vergunningvrije gevallen als bedoeld in artikel 11.42 worden aangewezen in een ministeriële regeling, als:
Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid, is; of
de flora- en fauna-activiteit wordt verricht door een grondgebruiker om schadeveroorzakende vogels van de volgende soorten te bestrijden:
de Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii);
de houtduif (Columba palumbus);
de kauw (Corvus monedula); of
de zwarte kraai (Corvus corone corone).
Lid 2
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in bij ministeriële regeling aangewezen gevallen niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.38, eerste lid, met betrekking tot:
dode of levende vogels van bij die regeling aangewezen soorten;
gemakkelijk herkenbare delen van deze vogels; of
uit deze vogels verkregen producten.
Artikel 11.44
Lid 1
Een flora- en fauna-activiteit wordt in een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.41, 11.42 of 11.43 alleen als vergunningvrij geval aangewezen als de activiteit voldoet aan artikel 8.74j, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Lid 2
Het bestrijden door de grondgebruiker van schadeveroorzakende vogels wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.42 of 11.43 en alleen als:
het bestrijden voldoet aan artikel 8.74j, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden, of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden op die gronden, in of aan die opstallen of in het omringende gebied te voorkomen;
deze schade wordt veroorzaakt door vogels van in de omgevingsverordening of ministeriële regeling genoemde soorten en is aan te merken als:
belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, of wateren; of
schade aan flora of fauna; en
voor zover het artikel 11.42 betreft, de in de omgevingsverordening genoemde vogelsoorten:
niet in hun voortbestaan worden bedreigd en niet het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd;
in de provincie schade veroorzaken; en
niet overeenkomen met de in artikel 11.43, eerste lid, onder b, genoemde soorten.
Lid 3
Het bestrijden door gemeenten van overlast veroorzakende vogels wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 11.42 en alleen als het bestrijden:
voldoet aan artikel 8.74j, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
plaatsvindt binnen een in het omgevingsplan of de omgevingsverordening begrensde bebouwingscontour;
plaatsvindt in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of de veiligheid van het luchtverkeer; en
betrekking heeft op in de omgevingsverordening genoemde vogelsoorten die:
niet in hun voortbestaan worden bedreigd en niet het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd; en
in de provincie overlast veroorzaken.
Lid 4
In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het vangen of doden van vogels wordt in ieder geval bepaald:
welke van de middelen, installaties of methoden, bedoeld in de artikelen 8.74p en 8.74q van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor het vangen of doden zijn toegestaan, waarbij alleen middelen, installaties en methoden worden toegestaan die nadelige gevolgen voor het welzijn van dieren voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken, waarbij het doden van dieren zoveel mogelijk wordt vermeden;
voor welke tijd en plaats de aanwijzing geldt;
voor welke soorten vogels, of voor de nesten, rustplaatsen of eieren van welke soorten vogels, de aanwijzing geldt; en
op welke wijze het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.
Lid 5
Een aanwijzing van vergunningvrije gevallen als bedoeld in het tweede lid geldt ook voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door de persoon of wildbeheereenheid die daarvoor een door de grondgebruiker verleende schriftelijke en gedagtekende toestemming heeft.
Lid 6
De beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren wordt niet als vergunningvrij aangewezen.
Artikel 11.45
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in bij ministeriële regeling aangewezen gevallen niet voor flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, en 11.39, eerste lid, die in een bij die regeling aangewezen gedragscode worden beschreven en die:
aantoonbaar worden uitgevoerd in overeenstemming met de gedragscode; en
plaatsvinden in het kader van:
het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw,
een bestendig gebruik; of
ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Lid 2
Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen, als:
de daarin beschreven activiteiten voldoen aan artikel 8.74j, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
daarin een wijze van verrichten van activiteiten is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof afdoende is gewaarborgd dat:
geen benutting of economisch gewin plaatsvindt van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; en
de activiteiten met betrekking tot die vogels zorgvuldig worden verricht.
Lid 3
Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als:
daarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten waartoe de vogels behoren; en
in redelijkheid alles wordt gedaan of nagelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:
de vogels worden gedood;
nesten van de vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, of rustplaatsen van vogels worden vernield; en
eieren van de vogels worden vernield.
Artikel 11.46
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn;
het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;
het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a;
het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en
het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Lid 2
Het verbod geldt niet als:
het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
de activiteit uitvoering geeft aan:
een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
Lid 3
Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn.
Artikel 11.47
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
het verkopen, vervoeren voor verkoop, verhandelen, ruilen of te koop of te ruil aanbieden van dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; en
het voor het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of vervoeren van dieren of planten als bedoeld onder a.
Lid 2
Het verbod geldt niet als:
de dieren en planten aantoonbaar zijn gefokt of gekweekt;
het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn;
de activiteit deel uitmaakt van:
een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn; of
de dieren of planten uiterlijk op 10 juni 1994 aantoonbaar in overeenstemming met de op dat moment geldende regelgeving aan de natuur waren onttrokken.
Artikel 11.48
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het vangen of doden van dieren, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, of bijlage II bij het verdrag van Bern, en het aan de natuur onttrekken van dieren van soorten, genoemd in bijlage V, onder a, bij de habitatrichtlijn, of bijlage III bij het verdrag van Bern, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, door het gebruik van niet-selectieve middelen die de plaatselijke verdwijning of ernstige verstoring van de rust van populaties van soorten tot gevolg kunnen hebben, waartoe in ieder geval behoren:
de middelen, genoemd in bijlage VI, onder a, bij de habitatrichtlijn; en
de vervoermiddelen, genoemd in bijlage VI, onder b, bij de habitatrichtlijn.
Artikel 11.49
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de artikelen 11.46, eerste lid, en 11.47, eerste lid, in gevallen aangewezen in een programma.
Lid 2
Het programma:
heeft geheel of ook betrekking op de inrichting, het beheer of het gebruik van een Natura 2000-gebied en bevat maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied te bereiken; of
heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling:
de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken flora- en fauna-activiteiten.
Artikel 11.50
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een flora- en fauna-activiteit in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening:
als bedoeld in de artikelen 11.46, eerste lid, en 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, voor dieren of planten van bij de omgevingsverordening aangewezen soorten, of met betrekking tot voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van bij de omgevingsverordening aangewezen soorten; en
als bedoeld in artikel 11.48, met betrekking tot bij de omgevingsverordening aangewezen middelen.
Artikel 11.51
Lid 1
Vergunningvrije gevallen als bedoeld in artikel 11.50 worden aangewezen in een ministeriële regeling als Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag is als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid.
Lid 2
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een in een ministeriële regeling aangewezen flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, aanhef en onder a, met betrekking tot dieren of planten van bij de ministeriële regeling aangewezen soorten, of met betrekking tot voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van bij de ministeriële regeling aangewezen soorten.
Artikel 11.52
Lid 1
Een flora- en fauna-activiteit wordt in een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.49, 11.50 of 11.51 alleen als vergunningvrij geval aangewezen als de activiteit voldoet aan artikel 8.74k, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Lid 2
Het bestrijden door de grondgebruiker van schadeveroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 11.50 en alleen als:
het bestrijden voldoet aan artikel 8.74k, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden, of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden in of aan die opstallen of in het omringende gebied te voorkomen;
deze schade wordt veroorzaakt door dieren van in de omgevingsverordening genoemde soorten en is aan te merken als:
schade aan de wilde flora of fauna, of natuurlijke habitats; of
ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; en
de in de omgevingsverordening genoemde diersoorten:
niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en
in de provincie schade veroorzaken.
Lid 3
Het bestrijden door gemeenten van overlast veroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 11.50 en alleen als het bestrijden:
voldoet aan artikel 8.74k, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
plaatsvindt binnen een in het omgevingsplan of de omgevingsverordening begrensde bebouwingscontour;
plaatsvindt in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang; en
betrekking heeft op in de omgevingsverordening genoemde diersoorten die:
niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en
in de provincie overlast veroorzaken.
Lid 4
In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het vangen of doden van dieren, wordt in ieder geval bepaald welke middelen voor het vangen of doden zijn toegestaan en worden alleen middelen toegestaan die nadelige gevolgen voor het welzijn van dieren voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken, waarbij het doden van dieren zoveel mogelijk wordt vermeden.
Lid 5
Een aanwijzing van vergunningvrije gevallen als bedoeld in het tweede lid geldt ook voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door de persoon of wildbeheereenheid die daarvoor een door de grondgebruiker verleende schriftelijke en gedagtekende toestemming heeft.
Lid 6
De beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren wordt niet als vergunningvrij aangewezen.
Artikel 11.53
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in bij ministeriële regeling aangewezen gevallen niet voor flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in de artikelen 11.46, eerste lid, en 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, die in een bij die regeling aangewezen gedragscode worden beschreven en die:
aantoonbaar worden uitgevoerd in overeenstemming met die gedragscode; en
plaatsvinden in het kader van:
het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw;
een bestendig gebruik; of
ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Lid 2
Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen, als:
de daarin beschreven activiteiten voldoen aan artikel 8.74k, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
daarin een wijze van verrichten van activiteiten is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof afdoende is gewaarborgd dat:
geen benutting of economisch gewin plaatsvindt van dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, en van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern; en
de activiteiten met betrekking tot die dieren en planten zorgvuldig worden verricht.
Lid 3
Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als:
daarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten waartoe de dieren of de planten behoren; en
in redelijkheid alles wordt gedaan of nagelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:
de dieren worden gedood;
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de dieren worden beschadigd of vernield;
eieren van de dieren worden vernield; en
de planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.
Artikel 11.54
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A;
het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en
het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B.
Lid 2
Het verbod geldt niet als:
het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden;
het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of
de activiteit deel uitmaakt van:
een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
Artikel 11.55
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54 in gevallen aangewezen in een programma.
Lid 2
Het programma:
heeft geheel of ook betrekking op de inrichting, het beheer of het gebruik van een Natura 2000-gebied en bevat maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied te bereiken; of
heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling:
de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken flora- en fauna-activiteiten.
Artikel 11.56
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in in een omgevingsverordening aangewezen gevallen niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54 met betrekking tot dieren of planten van bij de omgevingsverordening aangewezen soorten, of met betrekking tot voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van bij de omgevingsverordening aangewezen soorten.
Artikel 11.57
Vergunningvrije gevallen als bedoeld in artikel 11.56 worden aangewezen in een ministeriële regeling, als:
Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid, is; of
de flora- en fauna-activiteit wordt verricht door een grondgebruiker voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren van de volgende soorten:
het konijn (Oryctolagus cuniculus); of
de vos (Vulpes vulpes).
Artikel 11.58
Lid 1
Een flora- en fauna-activiteit wordt in een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.55, 11.56, of 11.57 alleen als vergunningvrij geval aangewezen als de activiteit voldoet aan artikel 8.74l, eerste lid, onder a, b en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Lid 2
Het bestrijden door de grondgebruiker van schadeveroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van de artikelen 11.56 en 11.57 en alleen als:
het bestrijden voldoet aan artikel 8.74l, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied te voorkomen;
deze schade wordt veroorzaakt door dieren van in de omgevingsverordening of ministeriële regeling genoemde soorten en behoort tot in de omgevingsverordening of ministeriële regeling omschreven categorieën van schade; en
voor zover het artikel 11.56 betreft, de in de omgevingsverordening genoemde diersoorten:
niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen;
in de provincie schade veroorzaken; en
niet overeenkomen met de in artikel 11.57, onder b, genoemde soorten.
Lid 3
Het bestrijden door gemeenten van overlast veroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 11.56 en alleen als het bestrijden:
voldoet aan artikel 8.74l, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
plaatsvindt binnen een in het omgevingsplan of de omgevingsverordening begrensde bebouwingscontour;
plaatsvindt in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid, of om een bij de omgevingsverordening omschreven ander algemeen belang; en
betrekking heeft op in de omgevingsverordening genoemde diersoorten die:
niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en
in de provincie overlast veroorzaken.
Lid 4
In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het doden of vangen van dieren, wordt in ieder geval bepaald welke middelen daarvoor zijn toegestaan, waarbij alleen middelen worden toegestaan die nadelige gevolgen voor het welzijn van dieren voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken, waarbij het doden van dieren zoveel mogelijk wordt vermeden.
Lid 5
In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het doden of vangen van wilde zwijnen, reeën, damherten of edelherten wordt bepaald:
dat dit niet door middel van drijven plaatsvindt; en
of en onder welke voorwaarden een methode is toegestaan, waarbij één persoon wilde zwijnen opzettelijk verontrust met het oogmerk deze dieren binnen het schootsveld van één geweerdrager te drijven, opdat deze de dieren kan doden, en waarbij geen hond wordt ingezet.
Lid 6
Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid geldt ook voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door de persoon of wildbeheereenheid die daarvoor een door de grondgebruiker verleende schriftelijke en gedagtekende toestemming heeft.
Lid 7
De beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren wordt niet aangewezen als vergunningvrij geval.
Artikel 11.59
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 11.54, geldt niet voor bij ministeriële regeling aangewezen gevallen van activiteiten die in een bij die regeling aangewezen gedragscode worden beschreven en die:
aantoonbaar worden uitgevoerd in overeenstemming met die gedragscode; en
plaatsvinden in het kader van:
het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw;
een bestendig gebruik; of
ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Lid 2
Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen als:
de daarin beschreven activiteiten voldoen aan artikel 8.74l, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een wijze van verrichten van activiteiten is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof afdoende is gewaarborgd dat:
geen benutting of economisch gewin van dieren en planten van de soorten, genoemd in bijlage IX, die zich bevinden in hun natuurlijke verspreidingsgebied plaatsvindt; en
de activiteiten met betrekking tot die dieren en planten zorgvuldig worden verricht.
Lid 3
Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als:
daarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, genoemd in bijlage IX, die zich bevinden in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waartoe de dieren of planten behoren; en
in redelijkheid alles wordt gedaan of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:
die dieren worden gedood;
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren worden beschadigd of vernield;
eieren van die dieren worden vernield; of
die planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.
Artikel 11.60
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het bijvoeren van in het wild levende edelherten, damherten, reeën, wilde zwijnen, fazanten, wilde eenden, houtduiven, hazen of konijnen.
Artikel 11.61
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het uitzetten van dieren of eieren van dieren.
Lid 2
Het verbod geldt niet voor het uitzetten van vis als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Visserijwet 1963 of voor het uitzetten van eieren van deze vis.
Lid 3
Het verbod geldt niet in bij omgevingsverordening aangewezen gevallen voor dieren of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten.
Lid 4
Vergunningvrije gevallen als bedoeld in het derde lid worden aangewezen bij ministeriële regeling:
als Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid, is; of
als het gaat om een herintroductie van soorten.
Lid 5
Een flora- en fauna-activiteit wordt op grond van het derde of vierde lid alleen als vergunningvrij geval aangewezen, als is voldaan aan artikel 8.74n, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover het het uitzetten van dieren of eieren van dieren betreft, en aan artikel 8.74n, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover het een herintroductie van soorten betreft.
Artikel 11.62
De verboden, bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, onder a en d, 11.46, eerste lid, onder a en b, en 11.54, eerste lid, gelden niet voor het bij de uitoefening van de jacht vangen, doden of verontrusten en met het oog daarop opsporen van wild in het jachtveld van een jachthouder, uitgevoerd in overeenstemming met artikel 11.64, eerste lid.
Artikel 11.63
Lid 1
Het beperken van de omvang van populaties van in het wild levende dieren, het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht worden uitgevoerd volgens het faunabeheerplan dat voor het betrokken gebied door de faunabeheereenheid is vastgesteld.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op:
het beperken van de omvang van populaties van exoten of verwilderde dieren; en
het bestrijden van schadeveroorzakende exoten of verwilderde dieren.
Lid 3
Met een maatwerkregel of een maatwerkvoorschrift wordt alleen van het eerste lid afgeweken als:
sprake is van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit die wordt verleend aan een faunabeheereenheid, een wildbeheereenheid of anderen voor het beperken van de omvang van een populatie van dieren; en
door de specifieke kenmerken van de betrokken diersoort of de aard of omvang van te verrichten activiteiten de noodzaak voor een faunabeheerplan voor die activiteiten ontbreekt, of sprake is van een opdracht van gedeputeerde staten om de omvang van de populatie terug te brengen.
Artikel 11.64
Lid 1
De verboden, bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, onder a en d, 11.46, eerste lid, onder a en b, en 11.54, eerste lid, gelden niet bij de uitoefening van de jacht door:
de jachthouder;
degenen die in het gezelschap van de jachthouder zijn;
de jachtopzichter van de jachthouder die:
beschikt over een door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming;
zorg draagt voor de bescherming van de jachtbelangen van de jachthouder; en
ook als buitengewoon opsporingsambtenaar is belast met de opsporing van de in artikel 1a van de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde feiten die betrekking hebben op de daar genoemde bepalingen van de Omgevingswet en van de overige in de akte of aanwijzing, bedoeld in artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, aangeduide strafbare feiten; of
een ander die beschikt over een daartoe door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming, in het geval dat de jachthouder:
een natuurlijke persoon is aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit is verleend die op het tijdstip van ondertekening van de toestemming geldig is;
een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van samenwerkende jachthouders is; of
een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie is, die naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof, gelet op haar doelstelling en gelet op de kennis en kunde waarover de organisatie beschikt, een duurzaam beheer van populaties in het wild levende dieren in voldoende mate verzekert.
Lid 2
De door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming, bedoeld in het eerste lid, onder c en d:
is voorzien van een aantekening van de korpschef waaruit blijkt dat het jachtveld waarop de jacht wordt uitgeoefend, voldoet aan artikel 11.76, voor zover bij de uitoefening van de jacht gebruik wordt gemaakt van een geweer;
is voorzien van de namen, voornamen en geboortedata van degenen aan wie de toestemming wordt verleend; en
heeft een geldigheidsduur die uiterlijk verstrijkt op 31 maart volgend op de datum van ondertekening van de toestemming.
Lid 3
Voor een aan een jachtopzichter gegeven toestemming als bedoeld in het eerste lid, onder c, geldt niet het vereiste dat die is voorzien van een aantekening van de korpschef.
Lid 4
Voor een aan een ander dan de jachtopzichter gegeven toestemming als bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet het vereiste dat diens personalia worden vermeld, als:
die ander de jacht uitoefent in het gezelschap van degene aan wie de jachthouder toestemming heeft verleend;
de jachthouder de uitoefening van de jacht door derden in die toestemming uitdrukkelijk heeft toegestaan; en
aan die ander een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit is verleend die op het tijdstip van uitoefening van de jacht geldig is.
Artikel 11.65
De jachthouder doet datgene wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van het in zijn jachtveld aanwezige wild als bedoeld in artikel 8.3, vierde lid, van de wet te handhaven, of, bij het ontbreken daarvan, te bereiken, en om schade door dat wild te voorkomen.
Artikel 11.66
Lid 1
De jacht wordt niet uitgeoefend:
voor zonsopgang en na zonsondergang;
op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag en de beide kerstdagen;
op begraafplaatsen;
vanaf of vanuit een voertuig;
vanaf of vanuit een vaartuig;
vanuit een luchtvaartuig; of
als de grond met sneeuw is bedekt.
Lid 2
De jacht wordt niet uitgeoefend op wild:
als dat zich als gevolg van hoge waterstand ophoudt op hoog gelegen gedeelten van het terrein;
voor zover dat zich bevindt in of in de nabijheid van wakken of bijten in het ijs;
voor zover dat als gevolg van onvoldoende bevedering niet in staat is te vliegen;
dat als gevolg van weersomstandigheden in uitgeputte toestand verkeert; of
binnen een straal van 200 m rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt om dat wild te lokken.
Artikel 11.67
Lid 1
In afwijking van artikel 11.66, eerste lid, aanhef en onder a, mag de jacht op de wilde eend ook gedurende een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang worden uitgeoefend.
Lid 2
In afwijking van artikel 11.66, eerste lid, aanhef en onder e, mag de jacht ook worden uitgeoefend vanaf of vanuit een vaartuig dat vaart met een snelheid van ten hoogste 5 km/u.
Lid 3
In afwijking van artikel 11.66, eerste lid, aanhef en onder g, mag de jacht ook als de grond met sneeuw is bedekt worden uitgeoefend op:
wilde eenden of houtduiven; of
konijnen, hazen of fazanten, als deze dieren anders worden bejaagd dan voor de voet.
Lid 4
In afwijking van artikel 11.66, tweede lid, aanhef en onder e, mag de jacht ook worden uitgeoefend binnen een straal van 200 m rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt om wild te lokken, als gebruik wordt gemaakt van een eendenkooi.
Artikel 11.68
De jacht op een wildsoort wordt alleen uitgeoefend als de jacht op die wildsoort bij ministeriële regeling is geopend.
Artikel 11.69
Met een maatwerkregel kan de jacht op wildsoorten alleen worden gesloten, in de gehele provincie of een gedeelte daarvan, zolang bijzondere weersomstandigheden dat noodzakelijk maken.
Artikel 11.70
Bij het aangaan van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, onder d, van de wet mag worden bedongen dat, als een onroerende zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft wordt opgenomen in een herverkavelingsakte als bedoeld in artikel 16.136, eerste lid, van de wet, en deze akte voor het einde van de duur van de overeenkomst in de openbare registers is ingeschreven, de huurovereenkomst, voor zover het die zaak betreft, eindigt met ingang van de datum waarop deze akte is ingeschreven.
Artikel 11.71
Lid 1
Bij de uitoefening van de jacht worden geen andere middelen gebruikt dan:
geweren;
honden, met uitzondering van lange honden;
aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis) of slechtvalken (Falco peregrinus);
eendenkooien;
lokeenden of lokduiven, die niet blind of verminkt zijn;
fretten;
buidels; of
schermen.
Lid 2
De jacht wordt niet uitgeoefend als zich in het veld andere middelen bevinden die geschikt zijn voor het vangen of doden van dieren dan de in het eerste lid genoemde middelen.
Lid 3
Degene die zich in het veld bevindt met voor de jacht toegestane middelen of met andere middelen waarmee kan worden gejaagd, wordt geacht zich daarmee bij de uitoefening van de jacht in het veld te bevinden, tenzij het tegendeel blijkt.
Lid 4
De jacht wordt niet uitgeoefend met het geweer binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour jacht, bedoeld in artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of op terreinen die onmiddellijk aan die bebouwingscontour grenzen.
Artikel 11.72
Lid 1
Het is verboden zich buiten gebouwen te bevinden met een of meer van de volgende middelen of met materialen waarmee die middelen direct kunnen worden gemaakt, als moet worden aangenomen dat die middelen of materialen zullen worden gebruikt voor het doden of vangen van dieren:
hagelpatronen die metallisch lood bevatten;
klemmen, met uitzondering van klemmen die:
alleen geschikt en bestemd zijn voor het vangen en doden van mollen, zwarte ratten, bruine ratten of huismuizen; of
worden gebruikt bij het voorkomen van schade aan waterstaatswerken, veroorzaakt door muskus- en beverratten, door personen die in dienst zijn of handelen in opdracht van een waterschap en die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak doeltreffend uit te voeren;
vallen, met uitzondering van kastvallen;
strikken;
vangkooien, met uitzondering van vangkooien geschikt en bestemd voor het vangen van verwilderde katten en verwilderde duiven binnen de bebouwde kom;
lijm;
netten, geschikt en bestemd om te worden gebruikt voor het vangen van vogels; of
rodenators.
Lid 2
Het is verboden zich in een veld te bevinden met een dier dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat en dat in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt, tenzij het betreft:
de uitoefening van de jacht met dieren als bedoeld in artikel 11.71, eerste lid; of
het vangen of doden van dieren overeenkomstig een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit of overeenkomstig de omgevingsverordening of ministeriële regeling waarbij op grond van dit hoofdstuk vergunningvrije gevallen zijn aangewezen.
Lid 3
Als met een maatwerkvoorschrift of maatwerkregel wordt afgeweken van het eerste lid, wordt rekening gehouden met het voorkomen van onnodig lijden bij het te doden of te vangen dier.
Artikel 11.73
Het is verboden netten, in banen, aan het stuk of in bepaalde vorm, vervaardigd van garens van synthetische of van kunstmatige vezels met een totale dikte van minder dan 150 deniers (16,2 mg/m) en waarvan de maaswijdte, gemeten over het garen, van knoop tot knoop, kleiner is dan 35 mm, te vervoeren, te verkopen, te koop aan te bieden, te kopen of onder zich te hebben.
Artikel 11.74
Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift kan alleen worden afgeweken van artikel 11.73, als dit in overeenstemming is met de bij of krachtens de benelux-overeenkomst over jacht en vogelbescherming gestelde regels.
Artikel 11.75
Lid 1
Een geweer wordt ter uitvoering van de wet alleen gebruikt voor:
de uitoefening van de jacht;
het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die betrekking heeft op het doden van dieren in overeenstemming met de daarvoor verleende omgevingsvergunning of in overeenstemming met de omgevingsverordening of ministeriële regeling waarbij op grond van dit hoofdstuk vergunningvrije gevallen zijn aangewezen;
het bestrijden van exoten of verwilderde dieren, als dat in opdracht van Onze Minister voor Natuur en Stikstof of van gedeputeerde staten gebeurt, of als de betrokken diersoorten zijn aangewezen bij ministeriële regeling;
het bestrijden van de zwarte rat, de bruine rat of de huismuis;
het schieten van kleiduiven; of
jachthondenproeven.
Lid 2
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder f, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een jachtgeweeractiviteit te verrichten, geldt niet in bij omgevingsverordening aangewezen gevallen. Bij de aanwijzing wordt rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming, het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu. Vergunningvrije gevallen worden aangewezen bij ministeriële regeling als Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag is als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid.
Artikel 11.76
Lid 1
Een geweer wordt ter uitvoering van de wet alleen gebruikt op een jachtveld met:
een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 40 ha, per jachthouder die in zijn hoedanigheid als jachthouder is gerechtigd tot het uitoefenen van de jacht in dat jachtveld; en
afmetingen waarbinnen een cirkel met een straal van ten minste 150 m kan worden beschreven.
Lid 2
Als het ook anderen dan de jachthouder of de jachtopzichter, bedoeld in artikel 11.64, eerste lid, onder d, is toegestaan om in het jachtveld de jacht uit te oefenen, wordt de aaneengesloten oppervlakte van het jachtveld vermeerderd met 40 ha per ander aan wie het is toegestaan in dat jachtveld de jacht uit te oefenen.
Lid 3
Bij het berekenen van de oppervlakte van het jachtveld worden niet meegerekend:
gronden die liggen op een afstand van meer dan 350 m van het middelpunt van een cirkel met een straal van 150 m die het dichtst bij die gronden in het jachtveld kan worden beschreven;
andere gronden dan die, bedoeld onder a, die van het middelpunt, bedoeld onder a, uit in rechte lijn slechts bereikbaar zijn over grond die tot een ander jachtveld behoort;
openbare, verharde verkeerswegen, met uitzondering van grindwegen;
begraafplaatsen; en
de in een omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour jacht, bedoeld in artikel 5.165a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en onmiddellijk aan die bebouwingscontour grenzende terreinen.
Lid 4
Als afzonderlijke jachtvelden worden beschouwd, ook als zij grenzen aan gronden waarop het aan dezelfde persoon of personen is toegestaan de jacht uit te oefenen:
gronden als bedoeld in het derde lid, onder a of b;
delen van gronden waarbij de verbinding tussen deze delen op enig punt smaller is dan 50 m; en
delen van gronden die van elkaar worden gescheiden door een autosnelweg als bedoeld in artikel 1, onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of door een water, breder dan 10 m, als de jachthouder niet is gerechtigd daarop de jacht uit te oefenen.
Artikel 11.77
Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift wordt niet afgeweken van artikel 11.76 als het geweer wordt gebruikt bij de uitoefening van de jacht.
Artikel 11.78
Lid 1
Een geweer wordt ter uitvoering van de wet alleen gebruikt als de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de schade waartoe het gebruik van het geweer leidt, is gedekt door een verzekering, die is gesloten met een financiële onderneming die ingevolge artikel 2.48 van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang mag uitoefenen.
Lid 2
De verzekering geeft dekking van 1 april tot 1 april van het jaar daaropvolgend en geldt voor geheel Nederland.
Lid 3
De verzekering dekt de aansprakelijkheid voor een bedrag van ten minste € 1.000.000 per gebeurtenis.
Lid 4
De polis, bedoeld in artikel 932 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, van de verzekering bevat in ieder geval de volgende gegevens:
de naam en het adres van de verzekeraar;
de naam en het adres van de verzekeringnemer;
het polisnummer;
de dagtekening en het jaar van de ingang en van het einde van de dekking;
de aanduiding van de personen die als verzekerden worden aangemerkt;
het gebied waarin de verzekering van kracht is; en
het verzekerde bedrag.
Lid 5
De houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit informeert de korpschef onverwijld over een wijziging van deze gegevens van de polis.
Artikel 11.79
Lid 1
Een geweer en munitie worden ter uitvoering van de wet alleen gebruikt als is voldaan aan de eisen, bedoeld in dit artikel en in de artikelen 11.80 en 11.81.
Lid 2
Een geweer heeft een gladde loop met een kaliber van ten minste 24 en ten hoogste 12 of een getrokken loop met een nominaal kaliber van ten minste .22 inch of 5,58 mm.
Lid 3
Een enkelloops hagelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten.
Lid 4
Een kogelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten, tenzij het is voorzien van een grendelinrichting waarmee het wapen handmatig schot voor schot wordt geladen.
Lid 5
Een geweer is niet voorzien van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten.
Lid 6
De munitie die wordt gebruikt in een geweer bestaat uit hagelkorrels met een doorsnede van 3,5 mm of minder of uit kogelpatronen, mits:
de hagelkorrels geen metallisch lood bevatten; en
de kogelpatronen geen militaire kogelpatronen zijn, met inbegrip van fosfor- of lichtspoorpatronen, kogelpatronen met volmantel of kogels die niet vervormen bij het treffen.
Artikel 11.80
Lid 1
Voor dieren van de volgende soorten voldoen de te gebruiken geweren en munitie ook aan de volgende eisen:
reeën: geweren met ten minste een getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 980 J op 100 m afstand van de loopmond bedraagt; en
edelherten, damherten en wilde zwijnen: geweren met ten minste een getrokken loop en kogelpatronen van een kaliber van ten minste 6,5 mm voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 2.200 J op 100 m afstand van de loopmond bedraagt.
Lid 2
Voor konijnen en houtduiven te gebruiken kogelpatronen hebben een kaliber van .22 inch of 5,58 mm.
Lid 3
Voor hazen, fazanten en wilde eenden worden alleen hagelpatronen gebruikt.
Artikel 11.81
In afwijking van de artikelen 11.79 en 11.80 kan voor het voorkomen van schade aan waterstaatswerken, bestrijding van muskus- en beverratten plaatsvinden met gebruikmaking van het luchtdrukgeweer door personen die in dienst zijn of handelen in opdracht van een waterschap en die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak doeltreffend uit te voeren.
Artikel 11.82
Als met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift wordt afgeweken van de regels over de te gebruiken munitie in artikel 11.79, zesde lid, of 11.80, wordt rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming, het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
Artikel 11.83
Lid 1
Het geweer wordt niet gebruikt:
voor zonsopgang en na zonsondergang;
binnen de in een omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour jacht, bedoeld in artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of op terreinen die onmiddellijk aan die bebouwingscontour grenzen;
binnen de afpalingskring van een eendenkooi als bedoeld in artikel 11.86, vierde lid;
vanaf of vanuit een rijdend voertuig; of
vanuit een luchtvaartuig.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, mag het geweer bij de uitoefening van de jacht op wilde eenden ook worden gebruikt gedurende een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang.
Artikel 11.84
Lid 1
Een geweer of een gedeelte van een geweer wordt niet in het veld gedragen als de drager geen houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is, tenzij de drager om een andere reden het recht heeft daar een geweer te gebruiken.
Lid 2
De houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit draagt geen geweer op gronden waarop hij niet het recht heeft een geweer te gebruiken.
Artikel 11.85
Vogels worden voor het vangen of doden van dieren ter uitvoering van de wet alleen gebruikt voor:
de uitoefening van de jacht, in overeenstemming met de over de uitoefening van de jacht gestelde regels;
het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die betrekking heeft op het doden van dieren in overeenstemming met de daarvoor verleende omgevingsvergunning of in overeenstemming met de omgevingsverordening of ministeriële regeling waarbij op grond van dit hoofdstuk vergunningvrije gevallen zijn aangewezen;
het bestrijden van verwilderde dieren of exoten, als dat in opdracht van Onze Minister voor Natuur en Stikstof of van gedeputeerde staten gebeurt, of als de betrokken diersoorten zijn aangewezen bij ministeriële regeling; of
het bestrijden van de zwarte rat, de bruine rat of de huismuis, voor zover dat gebeurt met aantoonbaar gefokte haviken of slechtvalken.
Artikel 11.86
Lid 1
Eendenkooien worden alleen gebruikt als daartoe met goed gevolg een door Onze Minister voor Natuur en Stikstof erkend examen is afgelegd.
Lid 2
Een eendenkooi voldoet aan de volgende voorwaarden:
er is een open wateroppervlakte aanwezig van ten minste 200 m2, waarin een cirkel met een straal van ten minste 7,50 m kan worden beschreven;
het water is ten minste 50 cm diep;
rondom het water ligt een rand van bos of struweel; en
in open verbinding met het water is ten minste één vangpijp aanwezig die onmiddellijk als vangmiddel kan worden gebruikt.
Lid 3
Met een eendenkooi gevangen dieren worden onverwijld na het vangen in vrijheid gesteld of gedood.
Lid 4
De eigenaar van een eendenkooi gebruikt voor de afpaling van de eendenkooi palen die zijn voorzien van het opschrift «Eendenkooi van x, met recht van afpaling op y m, gerekend uit het midden der kooi», waarbij wordt ingevuld voor:
x: de naam van de eigenaar van de eendenkooi;
y: het aantal meters waarop het afpalingsrecht betrekking heeft.
Lid 5
Het eerste lid is niet van toepassing als de gebruiker van de eendenkooi vanwege het met gunstig gevolg behalen van een krachtens de Jachtwet erkend jachtexamen:
in de periode van 1 januari 1977 tot en met 31 maart 2002 een jachtakte als bedoeld in de Jachtwet is uitgereikt; of
in de periode van 1 april 2002 tot en met 30 september 2004 een jachtakte als bedoeld in de Flora- en faunawet is uitgereikt.
Artikel 11.87
Lid 1
Een examen voor jachtgeweeractiviteiten komt alleen in aanmerking voor een erkenning als bedoeld in artikel 3.71 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het een theoretisch gedeelte en een praktisch gedeelte bevat die voldoen aan de eisen in het tweede en derde lid.
Lid 2
Het theoretisch gedeelte van het examen voor een jachtgeweeractiviteit bevat een toetsing op kennis van:
het wild en dieren van andere soorten die schade kunnen veroorzaken aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren en van hierop gelijkende diersoorten;
de leefomgeving van het wild en andere diersoorten, bedoeld in dit lid;
het beheer van het wild;
het beheer van het edelhert, de ree, het damhert en het wilde zwijn;
de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de jacht en de natuurbescherming;
de belangrijkste wettelijke voorschriften over het voorhanden hebben van geweren en munitie;
landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen die gevoelig zijn voor schade aangericht door wild en andere diersoorten, bedoeld in dit lid, en de perioden gedurende het jaar waarin deze schade zich kan voordoen;
de maatregelen die kunnen worden getroffen om schade aan landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen aangericht door wild en andere dieren, bedoeld in dit lid, te voorkomen;
het geweer, de daarbij gebruikte munitie en het gebruik van het geweer;
de middelen, bedoeld in de artikelen 11.44, vierde lid, 11.52, vierde lid, 11.58, vierde lid, en 11.71, eerste lid, onder b tot en met h, van dit besluit en de artikelen 8.74p, 8.74q en 8.74r van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en het gebruik van deze middelen;
kennis van de jachtmethoden en van de verzorging van voor consumptie bestemde dieren; en
kennis van hetgeen een goed jager betaamt.
Lid 3
Het praktisch gedeelte van het examen voor jachtgeweeractiviteiten bevat een toetsing op schietvaardigheid en bekwaamheid in de omgang met vuurwapens, waarbij onderscheid kan worden gemaakt al naar gelang de aard van het gebruik van de munitie.
Artikel 11.88
Een examen voor valkeniersactiviteiten komt alleen in aanmerking voor een erkenning als bedoeld in artikel 3.71 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het:
een theoretisch gedeelte bevat met toetsing op kennis als bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a tot en met c, e, g, h en j tot en met l; en
een praktisch gedeelte, waarin wordt getoetst op bekwaamheid in de omgang met roofvogels.
Artikel 11.89
Een examen voor het gebruik van eendenkooien komt alleen in aanmerking voor erkenning als bedoeld in artikel 3.71 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het een theoretisch gedeelte bevat met toetsing op kennis als bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a tot en met c, e, j, k en l.
Artikel 11.90
Een examen voor jachtgeweeractiviteiten, een examen voor valkeniersactiviteiten en een examen voor het gebruik van eendenkooien komen alleen in aanmerking voor een erkenning als bedoeld in artikel 3.71 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als zij voldoen aan de bij ministeriële regeling gestelde nadere regels over:
de wijze van toetsing van kennis, vaardigheid en bekwaamheid; en
de wijze van beoordeling van examenresultaten.
Artikel 11.91
Lid 1
Een examen voor jachtgeweeractiviteiten, een examen voor valkeniersactiviteiten en een examen voor het gebruik van eendenkooien komen alleen in aanmerking voor een erkenning als bedoeld in artikel 3.72 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als zij worden afgenomen door een door Onze Minister voor Natuur en Stikstof erkende organisatie die voldoet aan de volgende eisen:
zij bezit rechtspersoonlijkheid;
de bestuursleden zijn naar evenredigheid afkomstig uit de kringen van jagers en natuurbescherming-landbouw;
zij beschikt over een itembank met ten minste vijfhonderd meerkeuzevragen die betrekking hebben op de examens, waarvan de relatieve samenstelling overeenkomt met de eisen die aan het examen worden gesteld;
zij beschikt over een beeldbank met ten minste twee afbeeldingen van elk dier van een soort dat tot het wild behoort dat kan worden bejaagd en ten minste een afbeelding van de dieren van andere soorten, voor het vangen of doden waarvan, behoudens in op grond van artikel 5.2, eerste of tweede lid, van de wet aangewezen gevallen, een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is vereist; en
zij beschikt over:
een kwaliteitszorgsysteem;
een reglement waarin is vastgelegd aan welke eisen moet worden voldaan om een examen te mogen afleggen, wanneer examens worden afgenomen, de wijze waarop het resultaat van het examen wordt beoordeeld en wie gerechtigd is de examens bij te wonen; en
een geschillenregeling.
Lid 2
Het bestuur van een organisatie die examens afneemt, verstrekt aan door Onze Minister voor Natuur en Stikstof met het toezicht belaste personen desgevraagd inlichtingen over de inhoud van en de wijze van afnemen van examens en laat desgevraagd deze personen het afleggen van examens bijwonen.
Artikel 11.92
Lid 1
Een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt binnen vijf dagen nadat een besluit tot intrekking is bekendgemaakt en binnen vijf dagen nadat een rechterlijke uitspraak waarin de bevoegdheid tot het gebruik van het geweer is ontzegd voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingeleverd bij de korpschef of degene die de omgevingsvergunning namens de korpschef heeft verleend.
Lid 2
Een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit wordt binnen vijf dagen nadat een besluit tot intrekking is bekendgemaakt en binnen vijf dagen nadat een rechterlijke uitspraak waarin de bevoegdheid tot het gebruik van de roofvogel is ontzegd voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingeleverd bij Onze Minister voor Natuur en Stikstof of degene die namens die Minister de omgevingsvergunning heeft verleend.
Artikel 11.93
Lid 1
Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, eerste lid, eerste zin, tweede lid, eerste zin, derde en vierde lid, 5, eerste en vierde lid, eerste zin, 6, derde lid, 8, eerste lid in samenhang met het vijfde lid, en 9, eerste, vierde en vijfde lid, van de cites-basisverordening.
Lid 2
Het is verboden te handelen in strijd met de voorwaarden en vereisten, bedoeld in artikel 11, derde lid, van de cites-basisverordening.
Artikel 11.94
Dieren, planten, producten, nesten of eieren van dieren of producten van planten van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, of genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het verdrag van Bonn of bijlage A, B, C, of D bij de cites-basisverordening worden alleen via bij ministeriële regeling aangewezen douanekantoren binnen of buiten het grondgebied van Nederland gebracht.
Artikel 11.95
In plaats van een uitvoervergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de cites-basisverordening wordt aanvaard een fytosanitair certificaat dat is afgegeven door Onze Minister voor Natuur en Stikstof of een bevoegde administratieve instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie en dat voldoet aan artikel 17, tweede lid, van de cites-uitvoeringsverordening.
Artikel 11.96
Lid 1
Gefokte vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, die niet zijn genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan worden niet onder zich gehouden of verhandeld.
Lid 2
Dieren of planten van de soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, producten of eieren van deze dieren of producten van deze planten worden niet onder zich gehouden.
Lid 3
Dieren of planten van de soorten, genoemd in bijlage C of D bij de cites-basisverordening, producten of eieren van deze dieren of producten van deze planten worden niet verhandeld.
Lid 4
Het tweede en het derde lid gelden niet voor:
uit het wild afkomstige dieren en planten, die na 10 juni 1994 aantoonbaar overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving aan de natuur zijn onttrokken, van de soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn;
uit het wild afkomstige dieren en planten, die na 10 juni 1994 aantoonbaar overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving aan de natuur zijn onttrokken, van de soorten, genoemd in bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, niet zijnde soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; en
uit het wild afkomstige vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn.
Artikel 11.97
Lid 1
Artikel 11.96, eerste, tweede en derde lid, geldt niet voor:
het onder zich hebben of verhandelen van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, die niet is genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan;
het onder zich hebben van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort die is genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening; en
het verhandelen van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort, genoemd in bijlage C of D bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan.
Lid 2
Voor een aantoonbaar gefokte vogel die behoort of mede behoort tot een soort als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn geldt het eerste lid alleen:
als de vogel is voorzien van:
een gesloten pootring die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels;
een gesloten pootring die, of een ander merkteken dat aantoonbaar rechtmatig is afgegeven door een bevoegde instantie van een andere staat dan Nederland, of een door een bevoegde instantie van een andere staat dan Nederland erkende organisatie, in overeenstemming met de wettelijke eisen van de betreffende staat, of als het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is; of
een microchiptransponder in overeenstemming met artikel 66, tweede lid, van de cites-uitvoeringsverordening, voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, tenzij Onze Minister voor Natuur en Stikstof een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht;
voor een levende vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, als is voldaan aan artikel 11.103; en
voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, als de vogel aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening binnen het grondgebied van Nederland is gebracht of verkregen.
Lid 3
Voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, en die geen soort als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn is, geldt het eerste lid:
voor een levende gefokte vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, alleen als:
is voldaan aan het tweede lid, onder a, onder 1°, 2° of 3°, of als het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is;
is voldaan aan artikel 11.103; en
de vogel aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen;
voor een dode vogel, een product of een ei van een vogel, behorend tot een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, alleen als die vogel of dat product of ei aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen; of
voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage B, C of D bij de cites-basisverordening, alleen als:
de vogel aantoonbaar is gefokt of het product of het ei van een dergelijke vogel afkomstig is of de vogel, het product of het ei aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening binnen het grondgebied van Nederland is gebracht of verkregen; en
de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, en is voldaan aan artikel 11.103.
Lid 4
Het eerste, tweede en derde lid gelden niet voor:
het onder zich hebben in het veld van een levende vogel van een soort, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn:
van het geslacht Cygnus; of
van de orde roofvogels of uilen, tenzij degene die de vogel onder zich heeft de vogel op grond van het bepaalde bij of krachtens de wet mag gebruiken voor het vangen of doden van dieren; en
voor het onder zich hebben van een levende havik.
Artikel 11.98
Lid 1
Met een maatwerkregel wordt niet afgeweken van artikel 11.96 voor het onder zich hebben van een levende havik.
Lid 2
Met een maatwerkvoorschrift kan alleen worden afgeweken van artikel 11.96 voor het onder zich hebben of verhandelen van een levende havik, als dat maatwerkvoorschrift inhoudt dat DNA-fingerprints worden overgelegd van zowel de oudervogels als de jonge vogel als bewijs dat de havik in gevangenschap is gefokt.
Artikel 11.99
Lid 1
Artikel 11.96, tweede lid, geldt niet voor het onder zich hebben van:
een dood gewerveld dier, een ongewerveld dier of een plant, behorende tot een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan;
een levend, aantoonbaar gefokt gewerveld dier dat niet een vogel is als bedoeld in artikel 11.97, eerste lid, onder a of b, van een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan; of
een dier dat niet een vogel als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn is, of een plant van een soort, genoemd in bijlage B, C of D bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan.
Lid 2
Het eerste lid geldt alleen:
als het dier of de plant:
aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen en, als sprake is van een aal (Anguilla anguilla), is voldaan aan het bij of krachtens de Visserijwet 1963 bepaalde; of
aantoonbaar in Nederland is gefokt of gekweekt en het dier ongewerveld is, of, als het een levend, gefokt gewerveld dier van een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening is, is voorzien van een microchiptransponder in overeenstemming met artikel 66, derde lid, van de cites-uitvoeringsverordening, tenzij Onze Minister voor Natuur en Stikstof een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht;
als is voldaan aan artikel 11.103 en desgevraagd inzage in de administratie wordt verschaft aan de met toezicht op de naleving van de wet belaste ambtenaren; en
als sprake is van een levend uit het wild afkomstig dier van een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, en over dat dier een administratie wordt bijgehouden.
Lid 3
Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor botten en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris) en hoorns en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de soorten van de familie neushoorns (Rhinocerotidea).
Lid 4
Het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor dieren van soorten behorende tot de orde van de primaten (Primates) of de familie van de katachtigen (Felidae).
Lid 5
Het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor levende dieren van de soorten:
Bengaalse kat (Prionailurus bengalensis);
Canadese lynx (Lynx canadensis);
caracal (Caracal caracal);
poema (Puma concolor);
roestkat (Prionailurus rubiginosus);
rode lynx (Lynx rufus);
jagoearoendi of otterkat (Herpailurus yaguarondi);
leeuw (Panthera leo);
fretkat (Cryptoprocta ferox); en
soorten behorende tot de orde van de primaten (Primates).
Artikel 11.100
Lid 1
Artikel 11.96, derde lid, geldt niet voor het verhandelen van een dier, met uitzondering van een vogel als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, of een plant van een soort, genoemd in bijlage C of D bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan.
Lid 2
Het eerste lid geldt alleen als het dier of de plant aantoonbaar:
op het grondgebied van Nederland is gebracht of verkregen met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening; of
in Nederland is gefokt of gekweekt.
Artikel 11.101
Lid 1
Uit het wild afkomstige dieren van de volgende soorten worden niet onder zich gehouden of verhandeld:
boommarter (Martes martes);
bunzing (Mustela putorius);
damhert (Dama dama);
edelhert (Cervus elaphus);
haas (Lepus europaeus);
hermelijn (Mustela erminea);
konijn (Oryctolagus cuniculus);
ree (Capreolus capreolus);
steenmarter (Martes foina);
vos (Vulpes vulpes);
wezel (Mustela nivalis); of
wild zwijn (Sus scrofa).
Lid 2
Het eerste lid geldt niet voor het onder zich hebben of verhandelen van een dood dier of voor het onder zich hebben van een levend dier, als het dier:
aantoonbaar is verkregen in Nederland op grond van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit of in overeenstemming met de eisen verbonden aan een aanwijzing van de flora- en fauna-activiteit als vergunningvrij geval; of
een dood dier is, aantoonbaar in het wild is gestorven buiten schuld of medeweten van degene die zich het dier heeft toegeëigend.
Artikel 11.102
Lid 1
Een uit het wild afkomstige vogel als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn wordt niet geprepareerd.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op degene die:
aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof binnen drie dagen na ontvangst de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens verstrekt over de vogel die hem ter preparatie wordt aangeboden, op een bij die regeling bepaalde wijze; en
een door Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt merkteken aanbrengt op de geprepareerde vogels.
Artikel 11.103
Lid 1
Degene die een levend gefokt dier of een levende gekweekte plant onder zich heeft, houdt een administratie bij over dat dier of die plant die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels, als het dier of de plant behoort tot:
de soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn;
de soorten, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, met uitzondering van de in bijlage X bij de cites-uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de hybriden daarvan;
de diersoorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, met uitzondering van:
gefokte vogels die van een gesloten pootring zijn voorzien; en
de soorten, genoemd in bijlage X; of
de kunstmatig gekweekte hybriden van niet van een annotatie voorziene soorten, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, als voor die soorten een fytosanitair certificaat als bedoeld in artikel 17 van de cites-uitvoeringsverordening is afgegeven.
Lid 2
Degene die een administratie als bedoeld in het eerste lid bijhoudt, verschaft op verzoek inzage in die administratie aan de toezichthouder.
Lid 3
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene die een uit het wild afkomstig levend dier van een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, onder zich heeft.
Artikel 11.104
Lid 1
Degene die een vogel van een soort als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening fokt, voorziet de vogel van een gesloten pootring.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op vogels van de soorten, genoemd in bijlage X bij de cites-uitvoeringsverordening.
Lid 3
De pootringen:
zijn afgegeven door Onze Minister voor Natuur en Stikstof of een door die minister aangewezen organisatie; en
voldoen aan bij ministeriële regeling gestelde regels.
Artikel 11.105
Lid 1
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de zeehonden-basisverordening.
Lid 2
Het is verboden de producten, genoemd in de bijlage bij richtlijn 83/129/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de Lid-Staten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde produkten (PbEG 1983, L 91), voor handelsdoeleinden binnen Nederland te brengen.
Lid 3
Het tweede lid geldt niet voor producten die afkomstig zijn van de traditionele jacht van de Inuit.
Artikel 11.106
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de wildklemverordening.
Artikel 11.107
Met een maatwerkvoorschrift kan alleen worden afgeweken van de artikelen 11.93, 11.105 en 11.106, als dit in overeenstemming is met de bij of krachtens de cites-basisverordening, de Europese zeehondenregelgeving en de wildklemverordening gestelde regels.
Artikel 11.108
Lid 1
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, d, e, f, g of h, van de invasieve-exoten-basisverordening.
Lid 2
Het eerste lid geldt niet voor beheersmaatregelen als bedoeld in artikel 19 van de invasieve-exoten-basisverordening voor activiteiten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, d, e en f, van die verordening voor bij ministeriële regeling aangewezen diersoorten en onder de daarin vastgestelde voorwaarden bij:
bevissing van de dieren in Nederlandse binnenwateren en kustwateren, de opslag, de handel, het transport, het houden, het gebruik of de vernietiging van de opgeviste dieren, en alle onmiddellijk daarmee samenhangende handelingen; en
handelingen als bedoeld onder a ten aanzien van dieren die als beheersmaatregel zijn opgevist en in de handel zijn gebracht in andere lidstaten van de Europese Unie in overeenstemming met de in die lidstaten geldende wetgeving.
Lid 3
Het is verboden te handelen in strijd met bij ministeriële regeling vastgestelde noodmaatregelen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de invasieve-exoten-basisverordening.
Lid 4
Het eerste lid geldt niet voor de houder van dieren van de soorten Amerikaanse voseekhoorn (Sciurus niger), grijze eekhoorn (Sciurus carolinensis) en Pallas eekhoorn (Callosciurus erythraeus), als de houder op 1 januari 2017 aantoonbaar voldeed aan artikel 8a, tweede en derde lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.
Artikel 11.109
Met een maatwerkvoorschrift kan alleen worden afgeweken van artikel 11.108, als dit in overeenstemming is met de bij of krachtens de invasieve-exoten-basisverordening gestelde regels.
Artikel 11.109a
Lid 1
Planten, of delen of producten daarvan, die zich kunnen voortplanten, van de volgende soorten worden niet verhandeld:
Japanse duizendknoop (Fallopia japonica);
Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis); en
bastaardduizendknoop (Fallopia x bohemica).
Lid 2
Het eerste lid geldt niet voor zover het verhandelen plaatsvindt in het kader van uitroeiing, bestrijding of beheersing van die soort, onder de bij ministeriële regeling vastgestelde voorwaarden.
Artikel 11.110
Walvissen worden niet vanuit een schip dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren gevangen of gedood, of aan boord van een schip dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren verwerkt.
Artikel 11.111
Lid 1
Deze afdeling gaat over het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond na het vellen van houtopstanden of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan, en over handel in en bezit van hout of houtproducten.
Lid 2
De afdeling gaat niet over:
houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
houtopstanden op erven of in tuinen;
bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld;
houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen;
naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, als deze niet ouder zijn dan 20 jaar;
kweekgoed;
uit populieren of wilgen bestaande:
wegbeplantingen;
beplantingen langs waterwegen; en
eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;
het dunnen van een houtopstand voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand;
uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, als zij:
ten minste eens per 10 jaar worden geoogst;
bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid, die bestaat uit aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m; en
zijn aangelegd na 1 januari 2013; en
houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10 a, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.
Artikel 11.112
Lid 1
De regels in paragraaf 11.3.2 over het vellen en herbeplanten van houtopstanden zijn gesteld met het oog op:
de natuurbescherming;
de instandhouding van het bosareaal in Nederland; en
het beschermen van landschappelijke waarden.
Lid 2
De regels in paragraaf 11.3.2 over de handel in het bezit van hout of houtproducten zijn gesteld met het oog op:
de natuurbescherming;
het beschermen van het milieu;
het tegengaan van klimaatverandering; en
het beheer van natuurlijke hulpbronnen.
Artikel 11.113
Tenzij in artikel 11.114 anders is bepaald, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:
waaraan een melding wordt gedaan;
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 11.114
Onze Minister voor Natuur en Stikstof is het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan, dat een maatwerkvoorschrift kan stellen of dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor:
het vellen van houtopstanden en herbeplanten van de grond als deze activiteit een activiteit is als beschreven in artikel 4.12, tweede lid, onder a tot en met k, van het Omgevingsbesluit, daarvan onderdeel uitmaakt of in samenhang daarmee wordt verricht; en
het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van hout of houtproducten.
Artikel 11.115
Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 11.116
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.111, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.112, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Artikel 11.117
Lid 1
Een maatwerkregel kan in de omgevingsverordening worden gesteld over de artikelen 11.116, 11.123 en 11.124 en paragraaf 11.3.2.
Lid 2
Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 11.123 en 11.124 en paragraaf 11.3.2, tenzij anders is bepaald.
Lid 3
Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 11.112.
Artikel 11.118
Een maatwerkregel wordt niet gesteld over een activiteit waarvoor Onze Minister voor Natuur en Stikstof een bevoegdheid als bedoeld in artikel 11.114 heeft.
Artikel 11.119
Lid 1
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 11.116 en paragraaf 11.3.2.
Lid 2
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 11.123 en 11.124 en paragraaf 11.3.2, tenzij anders is bepaald.
Artikel 11.120
Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:
de aanduiding van de activiteit;
de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
de dagtekening.
Artikel 11.121
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.113 of 11.114, worden die ondertekend en voorzien van:
de aanduiding van de activiteit;
de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
de dagtekening.
Artikel 11.122
Lid 1
Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in artikel 11.120, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.113 of 11.114.
Lid 2
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.113 of 11.114.
Artikel 11.123
Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.113 of 11.114, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
Artikel 11.124
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.113 of 11.114:
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 11.125
Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 11.123 en 11.124 niet versoepeld.
Artikel 11.126
Lid 1
Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder dit ten minste vier weken maar niet eerder dan een jaar voor het begin daarvan te melden.
Lid 2
Dit artikel is niet van toepassing op het periodiek vellen van griend- of hakhout.
Artikel 11.127
Lid 1
Als de minister het bevoegd gezag is waaraan een melding voor het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand, bedoeld in artikel 11.126, wordt gedaan, worden uiterlijk gelijktijdig met de melding de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de startdatum van de activiteit;
een toelichting waarom het vellen van de houtopstand nodig is;
de oppervlakte van de te kappen houtopstand in vierkante meters;
een specificatie van:
het aantal te kappen bomen;
de soortaanduiding van de bomen; en
de leeftijd van de bomen;
als sprake is van rijbeplanting: de onderlinge plantafstand in de rij in meters;
een plan hoe aan de plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129, wordt voldaan met ten minste de volgende gegevens:
de oppervlakte van de herbeplante houtopstand in m2;
een specificatie van:
het aantal herbeplante bomen;
de soortaanduiding van de herbeplante bomen; en
de kwaliteit van de herbeplante bomen; en
een toelichting over geplande uitvoering van de herbeplanting; en
als herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, gewenst is:
een afschrift van een gesteld maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 11.130; of
een afschrift van een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 11.130.
Lid 2
Ten minste vier weken voor de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 11.128
Een maatwerkvoorschrift verbiedt het vellen van een houtopstand:
alleen als dat nodig is voor de bescherming van bijzondere natuurwaarden of landschappelijke waarden; en
telkens voor ten hoogste vijf jaar.
Artikel 11.129
Lid 1
Als een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of als een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan, wordt zorg gedragen voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand.
Lid 2
Binnen drie jaar na de herbeplanting wordt de beplanting die niet is aangeslagen vervangen.
Lid 3
Degene die de eigendom overdraagt van grond waarvoor een plicht tot herbeplanting geldt, of een beperkt recht op die grond vestigt of overdraagt, stelt de verkrijger op de hoogte van de plicht tot herbeplanting en neemt die plicht uitdrukkelijk op in de akte van levering.
Artikel 11.130
Het met een maatwerkvoorschrift toestaan van herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, kan:
als gedeputeerde staten bevoegd zijn: alleen als de herbeplanting voldoet aan bij omgevingsverordening gestelde eisen; en
als Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd is: alleen als:
de grond die de eigenaar wil beplanten in hetzelfde gebied ligt als dat waar de gevelde houtopstand zich bevond, waarbij wordt aangesloten bij de voor de toepassing van deze bepaling bij ministeriële regeling vastgestelde gebiedsindeling;
de grond die de eigenaar wil beplanten niet van mindere kwaliteit is dan die waarop de gevelde houtopstand zich bevond;
de grond die de eigenaar wil beplanten ten minste een gelijke oppervlakte heeft als die waarop de gevelde houtopstand zich bevond;
de gevelde houtopstand geen deel uitmaakte van een boskern; en
de belangen van de landbouw en de bosbouw niet worden geschaad.
Artikel 11.131
Lid 1
De artikelen 11.126 en 11.129 zijn niet van toepassing op:
het vellen van houtopstanden ter uitvoering van:
een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn;
het vellen van houtopstanden ter uitvoering van:
een maatwerkvoorschrift of een maatwerkregel die de verplichting bevat de preventieve of herstelmaatregelen te treffen die nodig zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied;
een maatwerkvoorschrift verbonden aan een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; of
regels gesteld in een ministeriële regeling of omgevingsverordening als bedoeld in de artikelen 11.19, 11.20, 11.42, 11.43, 11.50, 11.51, 11.56 en 11.57;
het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen;
het vellen van houtopstanden en herbeplanten aantoonbaar wordt uitgevoerd in overeenstemming met de wijze die is beschreven in een bij ministeriële regeling aangewezen gedragscode; of
het vellen van een houtopstand, als:
het vellen is te beschouwen als een activiteit als bedoeld in artikel 4.12, tweede lid, onder a tot en met k, van het Omgevingsbesluit of als een onderdeel van die activiteit;
de houtopstand niet is aangelegd om te voldoen aan artikel 11.129, eerste lid, artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming of artikel 3, eerste lid, van de Boswet;
voordat tot aanleg van de houtopstand was overgegaan, aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof kennis is gegeven van het tijdstip en de plaats van de aanleg en die Minister de ontvangst van de kennisgeving heeft bevestigd; en
de houtopstand blijkens de kennisgeving binnen een periode van 40 jaar na het op het formulier vermelde tijdstip van aanleg in zijn geheel zou worden geveld.
Lid 2
De gedragscode, bedoeld in het eerste lid, onder d, waarborgt dat:
geen afbreuk wordt gedaan aan bijzondere natuurwaarden of landschappelijke waarden;
de te vellen houtopstanden geen deel uitmaken van een boskern;
herbeplanting op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaatsvindt;
de grond waarop herbeplanting plaatsvindt ten minste dezelfde kwaliteit heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond; en
de grond waarop de herbeplanting plaatsvindt ten minste een gelijke oppervlakte heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond.
Artikel 11.132
Het is verboden te handelen in strijd met:
artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningen-systeem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2005, L 347); en
de artikelen 4 en 5 van verordening (EU) nr. 995/2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PbEU 2010, L 295).
Artikel 11.133
Met een maatwerkvoorschrift kan alleen worden afgeweken van artikel 11.132 als dit in overeenstemming is met de bij of krachtens de daar genoemde verordening (EG) nr. 2173/2005 of verordening (EU) nr. 995/2010 gestelde regels.