Hoofdstuk 7. Activiteiten in de Noordzee
Wordt genoemd in:
Artikel 7.1
Lid 1
Dit hoofdstuk gaat over de volgende activiteiten in de Noordzee:
beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk;
beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk;
lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam;
stortingsactiviteiten op zee;
ontgrondingsactiviteiten;
mijnbouwlocatieactiviteiten; en
wateronttrekkingsactiviteiten.
Lid 2
Dit hoofdstuk gaat niet over:
lozingsactiviteiten aan boord van vaartuigen of luchtvaartuigen in zee, voor zover die activiteiten samenhangen met of voortvloeien uit het normale gebruik van het vaartuig of luchtvaartuig en dat gebruik niet als doel heeft het zich ontdoen van stoffen; en
activiteiten aan boord van vaartuigen of drijvende werktuigen die in gebruik zijn voor het uitoefenen van defensietaken, ongeacht hun nationaliteit.
Artikel 7.2
Lid 1
De regels in dit hoofdstuk over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en stortingsactiviteiten op zee zijn gesteld met het oog op:
het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid zijn de regels over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk, voor zover die plaatsvinden buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, gesteld met het oog op de doelen van de wet.
Lid 3
De regels in dit hoofdstuk over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid.
Lid 4
De regels in dit hoofdstuk over mijnbouwlocatieactiviteiten zijn gesteld met het oog op:
het waarborgen van de veiligheid; en
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Lid 5
De regels in dit hoofdstuk over ontgrondingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op de doelen van de wet.
Artikel 7.3
Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een andere installatie dan een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk, een stortingsactiviteit op zee, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam, een ontgrondingsactiviteit en een wateronttrekkingsactiviteit is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:
waaraan een melding wordt gedaan;
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 7.4
Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk en een mijnbouwlocatieactiviteit is Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag:
waaraan een melding wordt gedaan;
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 7.5
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 7.6
Lid 1
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 7.2, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Lid 2
Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat:
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;
nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk worden voorkomen;
na beëindiging van een activiteit het deel van het waterstaatswerk dat is gebruikt zo veel mogelijk in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
het waterstaatswerk tijdens het verrichten van de activiteit bereikbaar blijft voor het bevoegd gezag; en
het gebruikte materiaal en materieel op tijd wordt verwijderd als overstroming of wegslag hiervan dreigt.
Lid 3
Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk dat de functie vaarweg heeft, houdt deze plicht, in aanvulling op het tweede lid, in ieder geval in dat:
de veilige en vlotte doorvaart van de scheepvaart niet wordt belemmerd;
de zichtlijnen voor de scheepvaart niet worden gehinderd; en
geen hinder voor navigatieapparatuur wordt veroorzaakt.
Lid 4
Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor het veilig en doelmatig gebruik van installaties in een waterstaatswerk worden voorkomen.
Lid 5
Voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam houdt deze plicht in ieder geval in dat:
alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
de beste beschikbare technieken worden toegepast;
geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt;
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;
lozingen op een oppervlaktewaterlichaam doelmatig kunnen worden bemonsterd;
metingen representatief zijn; en
meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.
Lid 6
Voor mijnbouwlocatieactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:
het belang van de scheepvaartveiligheid is gewaarborgd; en
de belangen van het uitoefenen van defensietaken en van het veilig kunnen verrichten van de daarop betrekking hebbende activiteiten zijn gewaarborgd.
Lid 7
Voor mijnbouwlocatieactiviteiten die bestaan uit het gebruiken van een locatie voor het plaatsen van een mijnbouwinstallatie houdt deze plicht in ieder geval ook in dat:
het belang van de elektriciteitsopwekking met behulp van wind in een windpark is gewaarborgd; en
zichthinder veroorzaakt door nieuwe mijnbouwinstallaties wordt geminimaliseerd.
Lid 8
Voor wateronttrekkingsactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt.
Artikel 7.7
Lid 1
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de artikelen 7.6, 7.12 en 7.13 en afdeling 7.2, met uitzondering van bepalingen:
waarin het toepassingsbereik van een paragraaf voor beperkingengebiedactiviteiten, stortingsactiviteiten, lozingsactiviteiten, ontgrondingsactiviteiten of mijnbouwlocatieactiviteiten wordt bepaald; en
over meldingen.
Lid 2
Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 7.12 en 7.13 en afdeling 7.2, tenzij anders is bepaald.
Lid 3
Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam voor een periode van ten hoogste negen maanden ook worden afgeweken van artikel 7.6, vijfde lid, onder a en b, voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld:
een hoger of ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu kan opleveren; en
grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de voor de die activiteit bestaande beste beschikbare technieken.
Lid 4
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
Lid 5
De volgende beoordelingsregels en bepalingen over vergunningvoorschriften zijn van overeenkomstige toepassing op het stellen van een maatwerkvoorschrift:
als het gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk: artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;
als het gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk: artikel 8.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;
als het gaat om een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam: de artikelen 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31, 8.33, 8.84, 8.88, 8.92 en 8.98 tot en met 8.100 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;
als het gaat om een stortingsactiviteit op zee: de artikelen 8.84, 8.87 en 8.99, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;
als het gaat om een mijnbouwlocatieactiviteit: artikel 8.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
als het gaat om een wateronttrekkingsactiviteit: de artikelen 8.84 en 8.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit.
Lid 6
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over een ontgrondingsactiviteit wordt rekening gehouden met de gronden, bedoeld in artikel 8.76, tweede lid, onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op het stellen van dat maatwerkschrift zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.84 en 8.87 van dat besluit en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.8
Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:
de aanduiding van de activiteit;
de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
de dagtekening.
Artikel 7.9
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, worden die ondertekend en voorzien van:
de aanduiding van de activiteit;
de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
de dagtekening.
Artikel 7.10
Lid 1
Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in de artikelen 7.8 en 7.9, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.
Lid 2
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.
Artikel 7.11
Lid 1
Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, worden over lozingsactiviteiten als bedoeld in artikel 7.1 de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen met betrekking tot die kwaliteit.
Lid 2
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 7.12
Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3 of 7.4, en het Kustwachtcentrum worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
Artikel 7.13
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3 of 7.4, en aan het Kustwachtcentrum:
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 7.14
Met een maatwerkvoorschrift worden de artikelen 7.12 en 7.13 niet versoepeld.
Artikel 7.15
Lid 1
Met het oog op het belang van wijziging van een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot dat waterstaatswerk is vereist, verplaatst of verlegd als die een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de wijziging van dat waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
Lid 2
Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.
Artikel 7.16
Lid 1
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot de Noordzee:
het bouwen, in stand houden of slopen van bouwwerken;
het aanleggen, plaatsen, in stand houden, veranderen of verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn; en
het plaatsen, in stand houden of verwijderen van andere objecten.
Lid 2
Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het brengen van stoffen, water of warmte afkomstig van het bouwen, reinigen, conserveren of slopen van bouwwerken in de Noordzee.
Lid 3
Het eerste en tweede lid gelden niet voor:
een windpark als bedoeld in artikel 7.33;
een uitstroomvoorziening als bedoeld in de artikelen 7.48, tweede lid, en 7.59, tweede lid;
een installatie voor het kweken van consumptievis, het kweken of houden van ongewervelde waterdieren, het telen van waterplanten of het invangen van mosselzaad als bedoeld in artikel 7.55;
een mijnbouwinstallatie; en
een pijpleiding als bedoeld in de artikelen 94 en 95 van het Mijnbouwbesluit.
Lid 4
Het eerste lid geldt ook niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
Artikel 7.17
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, die worden verricht in de Noordzee buiten de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn, voor zover het gaat om:
het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een bodemverharding;
het bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een kunstmatig eiland, een installatie of een inrichting als bedoeld in artikel 60 van het VN-Zeerechtverdrag;
het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van een kabel of leiding; en
het bouwen of in stand houden van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is en het plaatsen of in stand houden van een ander object, anders dan bedoeld onder a tot en met c.
Lid 2
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, die worden verricht in de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn van de Noordzee, voor zover het gaat om:
het in de periode van 1 oktober tot 1 april bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden van een bouwbord of het plaatsen van materiaal en materieel om een werk te kunnen aanleggen, plaatsen of veranderen of onderhouden;
het bouwen of in stand houden van een niet-permanent bouwwerk van 1 oktober tot 1 april;
het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van een kabel of leiding; en
het bouwen of in stand houden van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is en het plaatsen of in stand houden van een ander object, anders dan bedoeld onder a tot en met c.
Artikel 7.18
Lid 1
Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 2
Een melding bevat:
de oppervlakte van het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is, of het andere object; en
een situatietekening op een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven.
Lid 3
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Lid 4
Dit artikel is niet van toepassing:
als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 7.17;
op het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en in stand houden van andere objecten, die kleiner zijn dan 1 m3;
op het slopen van bouwwerken, het verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn en het verwijderen van andere objecten; en
op het voor niet meer dan een week aanleggen, plaatsen of in stand houden van werken die geen bouwwerken zijn en het voor niet meer dan een week plaatsen of in stand houden van andere objecten, met uitzondering van visnetten en fuiken in een vaarweg.
Artikel 7.19
Lid 1
Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 7.16, tweede lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 2
Een melding bevat:
als het gaat om het lozen afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken: de werkinstructie, bedoeld in artikel 7.22; of
als het gaat om het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van bouwwerken: de werkinstructie, bedoeld in artikel 7.23.
Lid 3
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Lid 4
Dit artikel is niet van toepassing op reinigingswerkzaamheden die periodiek worden verricht en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Artikel 7.20
Lid 1
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.16 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de verwachte datum van het begin van de activiteit;
de verwachte duur ervan; en
als het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 7.16, tweede lid: de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Lid 2
Dit artikel is niet van toepassing:
als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 7.17;
op het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en in stand houden van andere objecten, die kleiner zijn dan 1 m3;
op het slopen van bouwwerken, het verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn en het verwijderen van andere objecten;
op het voor niet meer dan een week aanleggen, plaatsen of in stand houden van werken die geen bouwwerken zijn en het voor niet meer dan een week plaatsen of in stand houden van andere objecten, met uitzondering van visnetten en fuiken in een vaarweg; en
op reinigingswerkzaamheden die periodiek worden verricht en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Artikel 7.21
Het afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd, tenzij het gaat om:
afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of
afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.
Artikel 7.22
Lid 1
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de Noordzee bij het reinigen of conserveren van bouwwerken:
is een werkinstructie opgesteld; en
wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
Lid 2
In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:
welke technieken worden toegepast;
welke stoffen worden gebruikt; en
welke stoffen kunnen vrijkomen.
Lid 3
Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook beschreven:
op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd;
de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd en de omvang van de hulpconstructie;
of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft;
als natte technieken worden gebruikt: de wijze van opvang van afvalwater; en
als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s: de aanvullende maatregelen die worden getroffen.
Artikel 7.23
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de Noordzee bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is beschreven:
op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en
welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in de Noordzee terechtkomen.
Artikel 7.24
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de Noordzee bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.
Artikel 7.25
Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.
Artikel 7.26
Lid 1
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk:
het ontgraven of verplaatsen van grond of baggerspecie in de Noordzee; en
het toepassen van grond of baggerspecie in de Noordzee.
Lid 2
Deze paragraaf is ook van toepassing op ontgrondingsactiviteiten die bestaan uit het ontgronden in de Noordzee.
Lid 3
Het eerste lid geldt niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
Lid 4
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel 7.27
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor de activiteit, bedoeld in artikel 7.26, tweede lid, die wordt verricht in de Noordzee, voor zover het gaat om:
het ontgronden voor het bouwen, onderhouden of slopen van bouwwerken en het aanleggen, onderhouden, veranderen en verwijderen van wegen of waterstaatswerken anders dan watergangen en vaargeulen;
het aanleggen, onderhouden, veranderen of verwijderen van watergangen en vaargeulen door of namens de waterbeheerder;
het ontgronden voor het plaatsen, onderhouden, wijzigen of verwijderen van buizen, kabels, palen of daarmee vergelijkbare werken;
het doen van een opgraving als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
het graven van slikgruppen om aanwas te bevorderen; of
het ontgronden voor het testen van materieel of het verrichten van onderzoek naar winbare hoeveelheden van andere vaste stoffen dan schelpen, als:
zeewaarts van de doorgaande NAP-min 20 meterdieptelijn die is aangewezen bij ministeriële regeling wordt ontgrond;
wordt ontgrond op een afstand van ten minste 500 m van een oefen- en schietgebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling, buisleidingen, kabels, oevers, andere vaste werken of objecten of bekende of te verwachten archeologische monumenten;
niet meer dan tien reizen worden verricht; en
de hoeveelheid vaste stoffen die wordt ontgrond niet meer is dan 40.000 m3.
Artikel 7.28
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.26, eerste lid, die worden verricht in de Noordzee buiten de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn, voor zover het gaat om:
het aanleggen of in stand houden van een bodemophoging of landaanwinning; en
het aanleggen van een suppletie of het verrichten van een andere handeling die een landwaartse verplaatsing van de kustlijn tot gevolg kan hebben.
Lid 2
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.26, eerste lid, die worden verricht in de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn van de Noordzee, voor zover het gaat om:
het aanleggen of in stand houden van een zandbanket op het strand dat hoger is dan 6 m boven NAP of, kustdwars, breder is dan 25 m, gemeten boven op het banket vanaf het duinfront;
het verplaatsen van meer dan 20 m3 per strekkende meter zand op het strand, anders dan bedoeld onder a; en
het gecombineerd binnen een kalenderjaar verrichten van de activiteiten, bedoeld onder a en b, die elk voor zich onder de in die onderdelen genoemde maatvoering blijven.
Artikel 7.29
Lid 1
Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 7.26, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 2
Een melding bevat:
de maximale oppervlakte en het maximale volume van de activiteit; en
een situatietekening op een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven.
Lid 3
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Lid 4
Dit artikel is niet van toepassing:
als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 7.28; en
op het ontgraven, verplaatsen of toepassen van ten hoogste 5 m3 grond of baggerspecie.
Artikel 7.30
Lid 1
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.26, eerste lid, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, gegevens en bescheiden verstrekt over:
de verwachte datum van het begin van de activiteit; en
de verwachte duur ervan.
Lid 2
Dit artikel is niet van toepassing:
als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 7.28; en
op het ontgraven, verplaatsen of toepassen van ten hoogste 5 m3 grond of baggerspecie.
Artikel 7.31
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 7.27, eerste lid, onder f, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, ook gegevens en bescheiden verstrekt over:
de naam, het type en registratiegegevens van de vaartuigen of drijvende werktuigen die worden gebruikt;
een kaart op een schaal van ten minste 1:5.000, met daarop de locatie van de ontgronding, de locaties van buisleidingen, kabels, oevers, vaste werken of bekende of te verwachten archeologische monumenten en de coördinaten ervan;
gegevens waaruit is afgeleid dat er binnen 500 m rond de ontgronding geen bekende of te verwachten archeologische monumenten zijn;
de manier van ontgronden, de maximale oppervlakte en maximale diepte van de ontgronding; en
de verwachte hoeveelheid en het soort stoffen die met de ontgronding zullen worden gewonnen en de bestemming van die stoffen.
Artikel 7.32
Als bij het verrichten van de activiteit waarnemingen worden gedaan waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat die van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, wordt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap daarover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Artikel 7.33
Deze paragraaf is van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk die bestaan uit het aanleggen, in stand houden of verwijderen van windparken in de Noordzee.
Artikel 7.34
Lid 1
Het is verboden een windpark als bedoeld in artikel 7.33 aan te leggen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 2
Een melding bevat:
het ontwerp van de turbines en andere installaties die deel uitmaken van het windpark;
het tracé van de windparkexportkabel en de kabels die deel uitmaken van het windpark;
een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat het ontwerp van de windturbines en andere installaties die deel uitmaken van het windpark voldoet aan artikel 7.39;
een beschrijving van de veiligheidsvoorzieningen die worden aangebracht en de plaatsing daarvan aan de windturbines en andere installaties in overeenstemming met artikel 7.40; en
de plannen, bedoeld in de artikelen 7.38 en 7.44.
Lid 3
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 7.35
Lid 1
Uiterlijk drie maanden na het aanbrengen van de funderingen van het windpark worden gegevens over de feitelijke positie van de funderingen en van de andere voorzieningen die deel uitmaken van het windpark verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3.
Lid 2
Uiterlijk drie maanden na het aanleggen van een windparkexportkabel worden aan het bevoegd gezag gegevens verstrekt over de feitelijke ligging van de windparkexportkabel.
Lid 3
Uiterlijk drie maanden nadat een windpark of windparkexportkabel is verwijderd, worden aan het bevoegd gezag de gegevens verstrekt waaruit dit blijkt.
Artikel 7.36
Ten minste vier weken voor het onderhouden van een windpark worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, gegevens en bescheiden verstrekt over:
de registratiegegevens van de vaartuigen of drijvende werktuigen die worden gebruikt;
de verwachte datum van het begin van het onderhoud; en
de verwachte duur ervan.
Artikel 7.37
Als bij het verrichten van de activiteit waarnemingen worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat die van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, wordt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap daarover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Artikel 7.38
Lid 1
Met het oog op de veiligheid op de Noordzee wordt een windpark of een windparkexportkabel aangelegd, onderhouden en verwijderd volgens een uitvoeringsplan.
Lid 2
Het uitvoeringsplan bevat in ieder geval de volgende gegevens:
een omschrijving van de werkzaamheden;
een tijdschema voor het verrichten van de werkzaamheden;
de registratiegegevens van de vaartuigen die worden gebruikt;
een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om het scheepvaartverkeer te waarschuwen.
Artikel 7.39
Lid 1
Met het oog op de veiligheid op de Noordzee zijn windturbines en andere installaties die deel uitmaken van een windpark voldoende sterk om de krachten die worden verwacht als gevolg van windsterkte, golfslag, zeestroming en gebruik van de turbines te weerstaan.
Lid 2
De sterkte van de windturbines en andere installaties blijkt uit een verklaring die is opgesteld door een onafhankelijke deskundige. De deskundige toetst aan een in de praktijk beproefd stelsel van normen die betrekking hebben op het ontwerp van installaties van een windpark.
Artikel 7.40
Lid 1
Met het oog op het veilige gebruik van de Noordzee door luchtvaartverkeer en scheepvaartverkeer heeft een windpark herkenningstekens en bakens.
Lid 2
De herkenningstekens en bakens voldoen aan de International Association of Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities Recommendation O-139 Marking of Man-Made Offshore Structures, en de Civil Aviation Authority Policy and Guidelines on Wind Turbines.
Lid 3
Het windpark heeft controlesystemen, waarschuwingssystemen en besturingssystemen, met inbegrip van een noodvoorziening voor het kunnen bedienen en bewaken van het windpark, zowel ter plaatse als vanaf de wal.
Artikel 7.41
Lid 1
Met het oog op de veiligheid op de Noordzee wordt zorg gedragen voor een goede staat van onderhoud van het windpark en worden daarvoor periodiek de turbines, andere installaties en veiligheidsvoorzieningen onderzocht.
Lid 2
Als een deel van het windpark een gebrek vertoont waardoor de veiligheid in het geding is, worden passende maatregelen getroffen. Bij direct gevaar voor de veiligheid van personen wordt het windpark of het deel van het windpark onverwijld buiten werking gesteld.
Artikel 7.42
Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, wordt onverwijld geïnformeerd over een gebrek als bedoeld in artikel 7.41, tweede lid.
Artikel 7.43
Lid 1
Met het oog op de vervulling van maatschappelijke functies door de Noordzee ligt een windparkexportkabel:
op een diepte van ten minste 3 m in de zeebodem voor zover de windparkexportkabel zich binnen een afstand van 3 km vanaf de laagwaterlijn, bedoeld in artikel 1 van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, of de basislijn, bedoeld in artikel 2 van die wet, bevindt;
op een diepte van ten minste 1 m in de zeebodem voor zover de windparkexportkabel zich bevindt op 3 km of meer van de lijn, bedoeld onder a; en
bij kruising van een vaargeul ten minste 1 m beneden de door de beheerder van de vaargeul vastgestelde onderhoudsdiepte.
Lid 2
De ligging van een windparkexportkabel wordt periodiek onderzocht.
Artikel 7.44
Lid 1
Met het oog op de veiligheid op de Noordzee en het beschermen van het milieu is een plan opgesteld dat een beschrijving bevat van de maatregelen die worden getroffen als zich een ongewoon voorval voordoet in, of in de directe omgeving van een windpark, dat een gevaar oplevert voor dat windpark.
Lid 2
Het plan bevat in ieder geval:
een vermelding van de materialen die worden ingezet;
de naam en het adres van degene die de maatregelen treft; en
de naam en het adres van degene die toezicht houdt op de maatregelen.
Artikel 7.45
Lid 1
Met het oog op de vervulling van maatschappelijke functies door de Noordzee wordt een windpark dat of een windparkexportkabel die niet meer in gebruik is, verwijderd.
Lid 2
Materiaal dat ter plaatse of in de directe omgeving is terechtgekomen bij het aanleggen, onderhouden, gebruiken of verwijderen van het windpark, wordt verwijderd.
Artikel 7.46
Deze paragraaf is van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in de Noordzee.
Artikel 7.47
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.46, die worden verricht in het beperkingengebied met betrekking tot die installatie, voor zover het gaat om:
het zich bevinden in dat beperkingengebied; en
het aanwezig hebben van een object, anders dan voor het verrichten van een milieubelastende activiteit met betrekking tot een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 3.320.
Lid 2
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een andere installatie dan een mijnbouwinstallatie te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.46, die worden verricht in het beperkingengebied met betrekking tot die installatie, voor zover het gaat om het zich bevinden in dat beperkingengebied.
Lid 3
Het verbod, bedoeld in het eerste en tweede lid, geldt niet voor een vaartuig of drijvend werktuig dat in het beperkingengebied vaart:
in verband met het aanleggen, inspecteren, testen, repareren, onderhouden, veranderen of verwijderen van onderzeese kabels of leidingen;
om diensten te verlenen voor de installatie of om personen of goederen te vervoeren van of naar de installatie;
om de installatie te inspecteren;
om levens of eigendommen te redden;
gedwongen door de weersomstandigheden;
als het in nood verkeert;
voor de bestuursrechtelijke of strafrechtelijke handhavingstaak; of
als het toestemming heeft van degene die de installatie exploiteert.
Artikel 7.48
Lid 1
Deze paragraaf is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het lozen van huishoudelijk afvalwater in de Noordzee en het in samenhang daarmee lozen van afvalwater afkomstig van voedselbereiding met grootkeukenapparatuur.
Lid 2
Deze paragraaf is ook van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk die bestaan uit het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor het huishoudelijk afvalwater, bedoeld in het eerste lid, in de Noordzee.
Lid 3
Het eerste lid geldt niet voor het maken en bewerken van levensmiddelen of voeder waarop paragraaf 4.28 van toepassing is.
Artikel 7.49
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.48, tweede lid.
Artikel 7.50
Lid 1
Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 7.48, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 2
De melding bevat:
het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; en
de zuiveringsvoorziening die wordt gebruikt.
Lid 3
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Lid 4
Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater vanaf een pleziervaartuig.
Artikel 7.51
Lid 1
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 7.48, eerste lid, worden gegevens en bescheiden over de verwachte datum van het begin van de activiteit verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3.
Lid 2
Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater vanaf een pleziervaartuig.
Artikel 7.52
Lid 1
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de Noordzee wordt het afvalwater, bedoeld in artikel 7.48, eerste lid, anders dan afkomstig van een pleziervaartuig, dat wordt geloosd in de Noordzee, geleid via een zuiveringsvoorziening.
Lid 2
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden voor biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l en voor chemische zuurstofverbruik 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Lid 3
Als het afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat, kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:
met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of
die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Lid 4
Als in samenhang met het huishoudelijke afvalwater ook afvalwater afkomstig van voedselbereiding wordt geloosd, is de zuiveringsvoorziening daarop berekend.
Artikel 7.53
Lid 1
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Lid 2
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Lid 3
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2; en
voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.
Artikel 7.54
Lid 1
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten in de Noordzee:
het kweken van consumptievis;
het kweken of houden van ongewervelde waterdieren;
het telen van waterplanten; en
het invangen van mosselzaad.
Lid 2
Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het in de Noordzee brengen van stoffen, water of warmte afkomstig van:
het kweken van consumptievis;
het kweken of houden van ongewervelde dieren; of
het telen van waterplanten.
Artikel 7.55
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.54, eerste lid.
Artikel 7.56
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de Noordzee worden bij het kweken van consumptievis, het kweken of houden van ongewervelde waterdieren of het telen van waterplanten geen stoffen aan de Noordzee toegevoegd.
Artikel 7.57
Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 7.54, tweede lid, is paragraaf 5.3.1 over PRTR van overeenkomstige toepassing, als het gaat om het exploiteren van een PRTR-installatie voor intensieve aquacultuur met een productiecapaciteit van 1.000 ton vis of schelpdieren per jaar of meer.
Artikel 7.58
Lid 1
Deze paragraaf is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het brengen van stoffen, water of warmte in de Noordzee, anders dan bedoeld in de paragrafen 7.2.1, 7.2.5 en 7.2.6.
Lid 2
Deze paragraaf is ook van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk die bestaan uit het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor de lozingsactiviteit, bedoeld in het eerste lid, in de Noordzee.
Artikel 7.59
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 7.58, tweede lid.
Artikel 7.60
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op het oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor de activiteit, bedoeld in artikel 7.58, eerste lid, die wordt verricht in de Noordzee, voor zover het gaat om:
het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen;
het lozen van meer dan 5.000 m3 water per uur; en
het lozen van water door een uitstroomvoorziening, behalve voor het lozen van:
afvalwater afkomstig van een gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
afstromend hemelwater en ander afvalwater afkomstig van een verhard oppervlak;
afvalwater afkomstig van het schoonmaken van drinkwaterleidingen;
afvalwater afkomstig van ontwateren;
water afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam waaraan geen stoffen of warmte zijn toegevoegd, in datzelfde oppervlaktewaterlichaam;
afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening; en
afvalwater afkomstig van graven of saneringen.
Lid 2
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren of schoonmaken van vaartuigen of drijvende werktuigen en het behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in artikel 3.145.
Lid 3
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor baggerwerkzaamheden en het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Lid 4
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor het lozen van stoffen, water of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.1.
Artikel 7.61
Lid 1
Ten minste 48 uur voor het lozen van afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
gegevens waaruit blijkt of er bij de oefening blusschuim wordt gebruikt; en
als er bij de oefening blusschuim wordt gebruikt: welke stoffen dat blusschuim bevat.
Lid 2
Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259.
Artikel 7.61a
Lid 1
Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 7.61b, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 2
De melding bevat:
een aanduiding van het soort goederen; en
de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.
Lid 3
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 7.61b
In afwijking van artikel 4.1058, eerste lid, kan het te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van uitlogende goederen, ingedeeld in bijlage IVA, deel B, ook worden geloosd in de Noordzee, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
Artikel 7.61c
Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 7.61b, dat wordt geloosd in de Noordzee, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 7.61c, gemeten in een steekmonster.
Tabel 7.61c EmissiegrenswaardenStof
Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l
Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink
1 mg/l
Minerale olie
10 mg/l
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen
50 μg/l
Onopgeloste stoffen
100 mg/l
Som van stikstofverbindingen
10 mg/l
Som van fosforverbindingen
2 mg/l
Chemisch zuurstofverbruik
200 mg/l
Artikel 7.61d
Lid 1
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Lid 2
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Lid 3
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;
voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;
voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;
voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en
voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.
Artikel 7.61e
Lid 1
Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 7.61f, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 2
De melding bevat de maximale teeltoppervlakte.
Lid 3
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 7.61f
In afwijking van artikel 4.795, eerste lid, kan het te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
Artikel 7.61g
Voor het afvalwater, bedoeld in artikel 7.61f, dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 7.61g, gemeten in een steekmonster.
Tabel 7.61g EmissiegrenswaardenStof
Emissiegrenswaarde in mg/l
Onopgeloste stoffen
100 mg/l
Biochemisch zuurstofverbruik
60 mg/l
Chemisch zuurstofverbruik
300 mg/l
Artikel 7.61h
Lid 1
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Lid 2
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Lid 3
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
voor biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2; en
voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.
Artikel 7.61i
Lid 1
Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden:
het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit;
het lozen van afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem; en
het lozen van afvalwater afkomstig van een grondwatersanering.
Lid 2
Een melding bevat:
de resultaten van de beschikbare voorafgaande bodemonderzoeken;
de locaties van de lozingspunten; en
het maximale lozingsdebiet in kubieke meters per uur.
Lid 3
Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als de lozing minder dan 48 uur duurt.
Artikel 7.61j
Lid 1
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 7.61i, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.3, gegevens en bescheiden verstrekt over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als de lozing minder dan 48 uur duurt.
Artikel 7.61k
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de Noordzee wordt afvalwater afkomstig van een voorafgaand onderzoek voor een grondwatersanering niet geloosd op de Noordzee.
Artikel 7.61l
Voor het afvalwater afkomstig van saneren van de bodem, grondwatersanering of graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit dat wordt geloosd op de Noordzee zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 7.61l, gemeten in een steekmonster.
Tabel 7.61l Emissiegrenswaarden afvalwaterStoffen
Emissiegrenswaarde in μg/l
Naftaleen
0,2
PAK’s
1
BTEX
50
Tetrachlooretheen
3
Trichlooretheen
20
1,2-dichlooretheen
20
1,1,1-trichloorethaan
20
Vinylchloride
8
Som van de vijf hier bovenstaande stoffen
20
Monochloorbenzeen
7
Dichloorbenzenen
3
Trichloorbenzenen
1
Minerale olie
1.000
Cadmium
4
Kwik
1
Koper
10
Nikkel
40
Lood
50
Zink
100
Chroom
20
Onopgeloste stoffen
50.000
Artikel 7.61m
Lid 1
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Lid 2
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Lid 3
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor naftaleen en BTEX: NEN-EN-ISO 15680;
voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan en vinylchloride de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen en trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride alleen NEN-EN-ISO 15680 kan worden gebruikt;
voor minerale olie: NEN-ISO 9377-2;
voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.
Artikel 7.62
Deze paragraaf is van toepassing op stortingsactiviteiten op zee.
Artikel 7.63
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een stortingsactiviteit op zee te verrichten, geldt niet voor een stortingsactiviteit als bedoeld in artikel 7.62, die wordt verricht in de Noordzee, voor zover het gaat om een activiteit die wordt verricht vanaf een vaartuig of drijvend werktuig dat in gebruik is voor het uitoefenen van defensietaken.
Artikel 7.64
Lid 1
Binnen vier weken na afloop van de maand waarin de afgifte heeft plaatsgevonden, worden aan de instantie, bedoeld in de artikelen 10.38, derde lid, en 10.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, gegevens en bescheiden verstrekt over de afgifte van gevaarlijke afvalstoffen die zijn afgegeven met de bedoeling om zich ervan te ontdoen in zee.
Lid 2
De artikelen 5 tot en met 7 van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen zijn van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van de gegevens en bescheiden.
Artikel 7.65
Gevaarlijke afvalstoffen worden niet in ontvangst genomen zonder omschrijving en begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39 van de Wet milieubeheer.
Artikel 7.66
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende mijnbouwlocatieactiviteiten in de Noordzee:
het gebruiken van een locatie voor een mijnbouwinstallatie, met inbegrip van het voor die installatie geldende beperkingengebied; en
het gebruiken van een locatie voor een verkenningsonderzoek met gebruikmaking van kunstmatig opgewekte trillingen, met uitzondering van het bij dat onderzoek gebruiken van ontplofbare stoffen.
Artikel 7.66a
De activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder a, wordt niet verricht als het gaat om een mijnbouwinstallatie voor het opsporen of winnen van delfstoffen en de locatie voor die mijnbouwinstallatie, met uitsluiting van het voor die installatie geldende beperkingengebied, ligt in het in de territoriale zee gelegen deel van het op grond van artikel 2.44, eerste lid, van de wet aangewezen Natura 2000-gebied Noordzeekustzone.
Artikel 7.67
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een mijnbouwlocatieactiviteit te verrichten, geldt voor:
de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder a, als het gaat om een mijnbouwinstallatie voor het opsporen of winnen van delfstoffen, met uitsluiting van het voor die installatie geldende beperkingengebied, in de territoriale zee ten noorden van het op grond van artikel 2.44, eerste lid, van de wet aangewezen Natura 2000-gebied Noordzeekustzone en die mijnbouwinstallatie geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt;
de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder a, voor zover de mijnbouwinstallatie geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt en die activiteit wordt verricht in:
een bij ministeriële regeling aangewezen oefen- en schietgebied;
een bij ministeriële regeling aangewezen drukbevaren deel van de zee; of
een gebied dat is aangewezen in een kavelbesluit of een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, respectievelijk 9, eerste lid, van de Wet windenergie op zee; en
de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder b, voor zover die wordt verricht in een bij ministeriële regeling aangewezen:
oefen- en schietgebied;
aanloopgebied; of
ankergebied in de buurt van een aanloophaven.
Artikel 7.68
Lid 1
Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder a, te verrichten als de mijnbouwinstallatie niet geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 2
Een melding bevat de coördinaten van de onderzeese installatie.
Lid 3
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 7.69
Lid 1
Ten minste 48 uur voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder b, worden aan de inspecteur-generaal der mijnen de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
gegevens over de wijze waarop het verkenningsonderzoek wordt verricht;
de locatie waarop en de vaarlijnen waarlangs het verkenningsonderzoek wordt verricht, aangegeven op een kaart;
de data waarop het verkenningsonderzoek wordt verricht;
de namen, nationaliteit en registratiekenmerken van de vaartuigen;
gegevens over de bekwaamheid en ervaring van de personen die contact houden met de overige scheepvaart in en om de onderzoekslocatie; en
gegevens over de radarapparatuur, navigatieapparatuur en telecommunicatieapparatuur van het vaartuig waarop de personen, bedoeld onder e, zich bevinden.
Lid 2
Als het verkenningsonderzoek wordt verricht in de bij ministeriële regeling aangewezen drukbevaren delen van de zee, worden ook gegevens en bescheiden verstrekt over:
de ervaring en bekwaamheid van de personen die de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder e, bijstaan; en
de radarapparatuur, navigatieapparatuur en telecommunicatieapparatuur van het vaartuig waarop die personen zich bevinden.
Lid 3
Ten minste 48 uur voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens en bescheiden, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan de inspecteur-generaal der mijnen.
Artikel 7.70
Lid 1
Met het oog op de veiligheid van de scheepsvaart is er aan boord van een verkenningsvaartuig een persoon die contact houdt met de andere scheepvaart in en om het onderzoeksgebied.
Lid 2
Een verkenningsvaartuig wordt begeleid door een ander vaartuig waarmee die persoon bij de begeleiding van de andere scheepvaart wordt bijgestaan.
Lid 3
Een verkenningsvaartuig dat onderzoek verricht in de bij ministeriële regeling aangewezen drukbevaren delen van de zee, wordt begeleid door twee andere vaartuigen waarmee die persoon bij de begeleiding van de andere scheepvaart wordt bijgestaan.
Artikel 7.71
Met het oog op het voorkomen van storende geluidseffecten voor zeezoogdieren wordt bij het gebruik van kunstmatig opgewekte trillingen bij een verkenningsonderzoek met een laag geluidsvolume begonnen en verloopt de versterking van dat volume geleidelijk.
Artikel 7.72
Bij toezicht op de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder b, wordt voorzien in het vervoer van toezichthouders, bedoeld in artikel 130, aanhef en onder a, van de Mijnbouwwet.
Artikel 7.73
De artikelen 7.66a en 7.67, aanhef en onder a, zijn niet van toepassing op het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116, op een locatie waarop zich een mijnbouwinstallatie voor het opsporen of winnen van delfstoffen bevindt die op grond van het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit besluit rechtmatig aanwezig is.