Artikelen 5-7
Artikel 2.5
Voor het aanleggen en het gebruiken van een open bodemenergiesysteem, bedoeld in paragraaf 3.2.6, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:
waaraan een melding wordt gedaan;
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 2.6
Lid 1
Voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk en het exploiteren van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 3.4.3, is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:
waaraan een melding wordt gedaan;
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Lid 2
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is ook het bevoegd gezag voor een milieubelastende activiteit die geheel of in hoofdzaak wordt verricht:
in de territoriale zee die buiten een gemeente of provincie ligt;
in de exclusieve economische zone;
op een locatie als bedoeld in artikel 5.28, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of
op een militair terrein of een terrein met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 2.7
Voor het aanleggen en het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in paragraaf 3.10.1, is Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag:
waaraan een melding wordt gedaan;
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 3.5
Lid 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.4, voor zover het gaat om het exploiteren van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW, waarin een andere stof wordt verstookt dan:
aardgas;
propaangas;
butaangas;
vergistingsgas;
biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214;
lichte olie;
halfzware olie;
gasolie;
rie-biomassa en pellets gemaakt uit rie-biomassa, voor zover wordt gestookt in een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 15 MW; en
waterstof.
Lid 2
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.4.
Artikel 3.6
Lid 1
Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.4, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:
een grote stookinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.3;
een kleine en middelgrote stookinstallatie voor standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.126; en
een middelgrote stookinstallatie voor niet-standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.127.
Lid 2
Ook wordt voldaan aan de regels over:
de kosten-batenanalyse energie-efficiëntie, bedoeld in paragraaf 5.2.3;
zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.5; en
emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.5.
Artikel 3.7
Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een natte koeltoren.
Artikel 4.5
Lid 1
Binnen een jaar nadat deze paragraaf van toepassing is geworden op een Seveso-inrichting, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:
de naam en functie van de met de leiding van de Seveso-inrichting belaste persoon, als dat een ander is dan degene die de activiteit verricht;
de gegevens die nodig zijn om de gevaarlijke stoffen en de categorie van gevaarlijke stoffen te identificeren die in de Seveso-inrichting aanwezig zijn of kunnen zijn;
een lijst met de hoeveelheden, aard en fysische vormen van de gevaarlijke stoffen die aanwezig zijn of kunnen zijn in de Seveso-inrichting;
de activiteiten die in de Seveso-inrichting worden verricht;
informatie over de directe omgeving van de Seveso-inrichting en de factoren die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken, met gegevens over inrichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Seveso-richtlijn, milieubelastende activiteiten waarop deze paragraaf niet van toepassing is en gebieden en ontwikkelingen die de bron kunnen zijn van of het risico of de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen vergroten; en
de gegevens, bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, onder a en b, als de Seveso-inrichting een hogedrempelinrichting is.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al zijn verstrekt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en deze niet zijn gewijzigd.
Lid 3
De lijst, bedoeld in het eerste lid, onder c, kan door een ieder worden geraadpleegd.
Lid 4
Voor de aard en fysische vormen van de gevaarlijke stoffen op de lijst, bedoeld in het eerste lid, onder c, kan de gevaarscategorie respectievelijk de chemische naam en het CAS-nummer worden vermeld als:
uit die gegevens de fysisch-chemische eigenschappen en gevaareigenschappen kenbaar zijn; en
kan worden bepaald om welke gevaarlijke stof of categorie, bedoeld in bijlage I bij de Seveso-richtlijn, het gaat.
Artikel 4.6
Lid 1
Ruim voor een wijziging als bedoeld onder a tot en met f worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:
een significante wijziging van de hoeveelheid, aard of fysische vorm van een gevaarlijke stof die in de Seveso-inrichting aanwezig is of kan zijn;
een significante wijziging van een proces waarbij een gevaarlijke stof wordt gebruikt;
de sluiting of de ontmanteling van de Seveso-inrichting;
een wijziging die significante gevolgen kan hebben voor de gevaren van zware ongevallen;
een wijziging van de naam, de handelsnaam of het adres van degene die de activiteit verricht; of
een wijziging van de naam of functie van de met de leiding van de Seveso-inrichting belaste persoon, als dat een ander is dan degene die de activiteit verricht.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al zijn verstrekt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en deze niet zijn gewijzigd.
Artikel 4.7
Lid 1
Als een zwaar ongeval heeft plaatsgevonden, worden zo spoedig mogelijk aan de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, gegevens en bescheiden verstrekt over:
datum, tijd, plaats en omstandigheden van het zware ongeval;
de gevaarlijke stoffen die het betreft en de hoeveelheid;
de gevolgen voor de werknemers, die zich op korte en lange termijn kunnen voordoen;
het aantal gewonde werknemers, dat voor ten minste 24 uur in een ziekenhuis is opgenomen, en het aantal overleden werknemers;
de maatregelen ter bescherming van de werknemers, die zijn getroffen of worden getroffen om herhaling te voorkomen; en
de materiële schade in de Seveso-inrichting.
Lid 2
Gegevens en bescheiden uit nader onderzoek die afwijken van eerder verstrekte gegevens en bescheiden, worden verstrekt aan de toezichthouder, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 5.5
Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van de activiteit wordt een rapport van het bodemonderzoek verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.
Artikel 5.6
Lid 1
Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het bodemonderzoek bij het beëindigen van de activiteit de bodemkwaliteit hersteld tot:
de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld voor het begin van de activiteit:
voor zover een activiteit plaatsvindt op de landbodem: in een rapport volgens NEN 5740; of
voor zover een activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam: in een rapport volgens NEN 5720;
de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of
de volgende kwaliteitsklasse, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit:
voor zover een activiteit plaatsvindt op de landbodem: de kwaliteitsklasse landbouw/natuur; of
voor zover een activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam: de kwaliteitsklasse niet verontreinigd.
Lid 2
Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
Lid 3
Het herstel wordt milieukundig begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.
Artikel 5.6a
Lid 1
Ten minste vier weken voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 5.6, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de verwachte datum van het begin van de herstelwerkzaamheden;
een omschrijving van de herstelwerkzaamheden, waaronder in ieder geval:
de begrenzing van de locatie waarop de herstelwerkzaamheden worden verricht met een aanduiding op een kaart en op een dwarsprofiel;
het bodemvolume in kubieke meters waarbinnen de herstelwerkzaamheden worden verricht;
de hoeveelheid af te voeren grond of baggerspecie per kwaliteitsklasse als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit in kubieke meters; en
de herstelwaarde voor de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit volgens artikel 5.6, eerste lid; en
als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes.
Lid 2
Ten minste een week voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 5.6, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de naam en het adres van degene die de herstelwerkzaamheden gaat verrichten;
de naam en het adres van de onderneming die de milieukundige begeleiding gaat verrichten; en
de naam van de natuurlijke persoon die de milieukundige begeleiding gaat verrichten.
Lid 3
Onverwijld na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste of tweede lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt.
Artikel 5.7
Ten hoogste vier weken na het beëindigen van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 5.6, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt in de vorm van een evaluatieverslag volgens BRL SIKB 6000 dat in ieder geval de volgende gegevens bevat:
de resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens het saneren van de bodem; en
de resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel verificatie van het eindresultaat van de saneringsaanpak.
Artikel 5.7a
Lid 1
Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 of 4 wordt een vooronderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.
Lid 2
Het vooronderzoek bodem voldoet aan NEN 5725.
Artikel 5.7b
Lid 1
Als uit het vooronderzoek bodem blijkt dat er een verdenking bestaat van de aanwezigheid van een verontreiniging van de bodem, wordt een verkennend bodemonderzoek verricht.
Lid 2
Een verkennend bodemonderzoek voldoet aan NEN 5740.
Lid 3
Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Lid 4
De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Artikel 5.7c
Lid 1
Als uit het vooronderzoek bodem of het verkennend bodemonderzoek blijkt dat er een verdenking bestaat op aanwezigheid van asbest in de bodem, wordt een verkennend bodemonderzoek asbest verricht.
Lid 2
Een verkennend bodemonderzoek asbest voldoet aan NEN 5707.
Lid 3
Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Lid 4
De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Artikel 5.7d
Lid 1
Als uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat een nader bodemonderzoek nodig is, wordt een nader bodemonderzoek verricht.
Lid 2
Een nader bodemonderzoek voldoet aan NTA 5755.
Lid 3
Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Lid 4
De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Artikel 5.7e
Lid 1
Als uit het verkennend bodemonderzoek asbest blijkt dat er een nader bodemonderzoek nodig is, wordt een nader bodemonderzoek asbest verricht.
Lid 2
Een nader bodemonderzoek asbest voldoet aan NEN 5707.
Lid 3
Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Lid 4
De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Artikel 5.7f
Lid 1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van bodemonderzoek als bedoeld in de artikelen 5.7b, 5.7c, 5.7d en 5.7e geloosd in een vuilwaterriool.
Lid 2
Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 5.7g
Lid 1
Met het oog op het doelmatig gebruik van energie wordt een kosten-batenanalyse uitgevoerd als een stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW:
wordt opgericht, om de kosten en baten te berekenen van de werking van die stookinstallatie als een hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallatie als bedoeld in artikel 2, onder 34, van de richtlijn energie-efficiëntie; of
ingrijpend wordt gerenoveerd als bedoeld in artikel 2, onder 44, van de richtlijn energie-efficiëntie, om de kosten en baten te berekenen van het ombouwen van die stookinstallatie tot een hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallatie als bedoeld in artikel 2, onder 34, van de richtlijn energie-efficiëntie.
Lid 2
Als de stookinstallatie, bedoeld in het eerste lid, restwarmte op een bruikbare temperatuur genereert, worden ook de kosten en baten berekend van:
het gebruik van restwarmte om te voldoen aan een economisch aantoonbare vraag naar warmte als bedoeld in artikel 2, onder 31, van de richtlijn energie-efficiëntie; en
de aansluiting van die stookinstallatie op een warmtenet of een koudenet.
Artikel 5.7h
Met het oog op het doelmatig gebruik van energie wordt een kosten-batenanalyse uitgevoerd om de kosten en baten te berekenen van het gebruik van restwarmte van stookinstallaties in de nabijheid van een warmtenet of een koudenet, als:
een warmtenet of een koudenet wordt opgericht of ingrijpend wordt gerenoveerd als bedoeld in artikel 2, onder 44, van de richtlijn energie-efficiëntie; of
een stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW in een warmtenet of een koudenet wordt opgericht of ingrijpend wordt gerenoveerd als bedoeld in artikel 2, onder 44, van de richtlijn energie-efficiëntie.
Artikel 5.7i
Lid 1
De kosten-batenanalyse wordt uitgevoerd volgens de beginselen, bedoeld in deel 2 van bijlage IX bij de richtlijn energie-efficiëntie.
Lid 2
Op het berekenen van de kosten en baten zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 5.7j
Lid 1
De artikelen 5.7g, tweede lid, en 5.7h zijn niet van toepassing als:
de afstand tussen de stookinstallatie en het warmtenet of koudenet tussen 1 en 3 km is en de beschikbare hoeveelheid nuttige warmte of de warmtevraag minder dan 2.500 GJ per jaar is; of
de afstand tussen de stookinstallatie en het warmtenet of koudenet meer dan 3 km is en de beschikbare hoeveelheid nuttige warmte of de warmtevraag minder dan 25.000 GJ per jaar is.
Lid 2
De artikelen 5.7g en 5.7h zijn niet van toepassing op:
een installatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, die bestemd is voor de productie van elektriciteit, voor zover deze installatie:
fungeert als noodvoorziening en de opvang van piekverbruik; en
volgens plan minder dan 1.500 bedrijfsuren per jaar, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, in bedrijf is; of
een stookinstallatie die ligt nabij een CO2-opslagcomplex als bedoeld in artikel 1, onder s, van de Mijnbouwwet waarvoor een opslagvergunning is verleend op grond van hoofdstuk 3 van die wet.
Artikel 5.7k
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.2.1, 3.3.13 of 3.4.3 wordt de kosten-batenanalyse, bedoeld in de artikelen 5.7g en 5.7h, verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.
Artikel 5.7l
Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 5.7g, 5.7h, 5.7i en 5.7k niet versoepeld.