Afdeling 9.1. Algemeen
Wordt genoemd in:
Artikel 9.1
Lid 1
Dit hoofdstuk gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot:
een hoofdspoorweg;
een lokale spoorweg; en
een bijzondere spoorweg.
Lid 2
Dit hoofdstuk gaat niet over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een bijzondere spoorweg:
met een nominale spoorwijdte van minder dan 500 mm;
die een attractie of speeltoestel als bedoeld in het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen is;
die ligt binnen een terrein van een bedrijf dat niet vrij toegankelijk is voor het publiek; of
die is verwijderd of op een andere wijze voor gebruik ontoegankelijk is gemaakt.
Artikel 9.2
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en bijzondere spoorwegen voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorwegen, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die spoorwegen behoort.
Artikel 9.3
Tenzij in artikel 9.6 anders is bepaald, is voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg binnen de gebieden die op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 zijn aangewezen, het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in dat artikel het bevoegd gezag:
waaraan een melding wordt gedaan;
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 9.4
Tenzij in artikel 9.6 anders is bepaald, zijn voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg buiten de gebieden die op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 zijn aangewezen, gedeputeerde staten het bevoegd gezag:
waaraan een melding wordt gedaan;
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 9.5
Tenzij in artikel 9.6 anders is bepaald, is voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg of een bijzondere spoorweg Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:
waaraan een melding wordt gedaan;
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 9.6
Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg, een lokale spoorweg of een bijzondere spoorweg, die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit als bedoeld in afdeling 3.3 waarvoor een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning geldt, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag:
waaraan een melding wordt gedaan;
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 9.7
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 9.8
Lid 1
Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg, een lokale spoorweg of een bijzondere spoorweg verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 9.2, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Lid 2
Deze plicht houdt in ieder geval in dat:
het veilig en doelmatig gebruik van de spoorweg wordt verzekerd;
alle passende maatregelen worden getroffen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet;
de spoorweg tijdens het verrichten van de activiteit bereikbaar blijft voor de beheerder en voor hulpdiensten;
vluchtwegen worden vrijgehouden;
objecten zo worden geplaatst dat zij niet op de spoorweg terecht kunnen komen of daaraan schade kunnen veroorzaken;
zichtlijnen niet worden gehinderd; en
het gebruikte materiaal en materieel na beëindiging van de activiteit onverwijld wordt verwijderd.
Artikel 9.9
Lid 1
Een maatwerkregel kan worden gesteld over de artikelen 9.8, 9.14 en 9.15 en in aanvulling op artikel 9.8, voor zover het betreft beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een lokale spoorweg.
Lid 2
Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 9.14 en 9.15, tenzij anders is bepaald.
Lid 3
Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 9.2.
Lid 4
Een maatwerkregel wordt gesteld in:
het omgevingsplan voor de gebieden die op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 zijn aangewezen; en
de omgevingsverordening voor andere gebieden.
Artikel 9.10
Lid 1
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een vergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de artikelen 9.8, 9.14 en 9.15 en afdeling 9.2, met uitzondering van bepalingen over meldingen.
Lid 2
Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 9.14 en 9.15 en afdeling 9.2, tenzij anders is bepaald.
Lid 3
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een vergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
Lid 4
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift is de beoordelingsregel in artikel 8.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9.11
Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:
de aanduiding van de activiteit;
de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
de dagtekening.
Artikel 9.12
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, worden die ondertekend en voorzien van:
de aanduiding van de activiteit;
de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
de dagtekening.
Artikel 9.13
Lid 1
Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in de artikelen 9.11 en 9.12, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.
Lid 2
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.
Artikel 9.14
Het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, en de spoorwegbeheerder worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
Artikel 9.15
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling, en de spoorwegbeheerder:
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het voorval zich heeft voorgedaan;
gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten;
de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet; en
de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om te voorkomen dat een zodanig voorval zich nog een keer kan voordoen.
Artikel 9.16
Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 9.14 en 9.15 niet versoepeld.
Artikel 9.17
Lid 1
Met het oog op het belang van verruiming of wijziging van een spoorweg worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot die spoorweg is vereist, verplaatst of verlegd als deze een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de verruiming of wijziging van die spoorweg door of namens de spoorwegbeheerder.
Lid 2
Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag deze termijn bij maatwerkvoorschrift vast.