Afdeling 3.2. Activiteiten die bedrijfstakken overstijgen

Artikel 3.3a

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het gebruiken van energie als:

    1. het energiegebruik in enig kalenderjaar ten minste 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgasequivalenten is; en

    2. het energiegebruik wordt verricht op dezelfde locatie als waar zich een gebouw bevindt of op het gebouwerf van dat gebouw; en

  2. het gelegenheid bieden tot het gebruiken van energie in een gebouw of op het gebouwerf van dat gebouw als het energiegebruik in enig kalenderjaar ten minste 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgasequivalenten is.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet het gebruiken van energie of het gelegenheid bieden tot het gebruiken van energie:

  1. ten behoeve van een woonfunctie; of

  2. als de activiteit is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11.

Lid 3

Op het berekenen van de aardgasequivalenten zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 3.3b

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.3a, wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.4

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het verbranden van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;

  2. het verbranden van dierlijke meststoffen;

  3. het exploiteren van een stookinstallatie bij een huishouden; en

  4. het exploiteren van een stookinstallatie waarvoor regels gelden op grond van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (PbEU 2016, L 252).

Artikel 3.5

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.4, voor zover het gaat om het exploiteren van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW, waarin een andere stof wordt verstookt dan:

  1. aardgas;

  2. propaangas;

  3. butaangas;

  4. vergistingsgas;

  5. biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214;

  6. lichte olie;

  7. halfzware olie;

  8. gasolie;

  9. rie-biomassa en pellets gemaakt uit rie-biomassa, voor zover wordt gestookt in een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 15 MW; en

  10. waterstof.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.4.

Artikel 3.6

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.4, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een grote stookinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.3;

  2. een kleine en middelgrote stookinstallatie voor standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.126; en

  3. een middelgrote stookinstallatie voor niet-standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.127.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. de kosten-batenanalyse energie-efficiëntie, bedoeld in paragraaf 5.2.3;

  2. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.5; en

  3. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.5.

Artikel 3.7

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een natte koeltoren.

Artikel 3.8

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.7, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over een natte koeltoren, bedoeld in paragraaf 4.46.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.9

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie, als het elektrisch vermogen groter is dan 4 kW.

Artikel 3.10

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.9.

Artikel 3.11

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m.

Lid 2

Onder de aanwijzing valt niet het opwekken van elektriciteit met een windturbine die deel uitmaakt van een windpark in de Noordzee als bedoeld in paragraaf 7.2.3.

Artikel 3.12

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 3.13

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.11, voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 3.14

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.11, wordt voldaan aan de regels over een windturbine, bedoeld in paragraaf 4.30.

Artikel 3.14a

In afwijking van artikel 3.14 zijn de regels over een windturbine, bedoeld in paragraaf 4.30, niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13.

Artikel 3.14b

Lid 1

De regels over een windturbine, bedoeld in de paragrafen 4.30, 4.30a en 4.30b, zijn tot en met 31 december 2026 of zoveel eerder als bij koninklijk besluit is bepaald van toepassing, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13 en daarvoor:

  1. uiterlijk op 30 juni 2021 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  2. een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in het windpark voorziet op grond van een besluit dat op 30 juni 2021 was vastgesteld; en

  3. sinds 30 juni 2021 geen wijziging van kracht is geworden in de omgevingsvergunning, bedoeld onder a, of, voor zover dat op het windpark betrekking had, het besluit, bedoeld onder b.

Lid 2

Het eerste lid geldt niet vanaf het tijdstip waarop met betrekking tot de windturbine of het windpark waarvan de windturbine deel uitmaakt, een wijziging van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van kracht wordt.

Lid 3

Met een maatwerkvoorschrift kan voor een windpark als bedoeld in het eerste lid niet worden afgeweken van de regels over een windturbine, bedoeld in paragrafen 4.30, 4.30a en 4.30b.

Lid 4

Als op 30 juni 2022 een maatwerkvoorschrift van kracht was op grond van een besluit krachtens artikel 3.14a, tweede lid of derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer waarin normen met een andere waarde voor geluidhinder waren vastgesteld, voldoet het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark aan de normen met die andere waarde.

Artikel 3.15

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een koelinstallatie met meer dan:

  1. 10 kg kooldioxide;

  2. 5 kg koolwaterstoffen; of

  3. 10 kg ammoniak.

Lid 2

Onder de aanwijzing valt niet het exploiteren van een koelinstallatie met:

  1. een gefluoreerd broeikasgas als bedoeld in de verordening gefluoreerde broeikasgassen, afzonderlijk of in een mengsel; of

  2. een ozonafbrekende stof als bedoeld in de verordening ozonlaagafbrekende stoffen of een isomeer ervan, afzonderlijk of in een mengsel.

Artikel 3.16

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.15, voor zover het gaat om een koelinstallatie met meer dan:

  1. 100 kg koolwaterstoffen; of

  2. 1.500 kg ammoniak.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.15.

Artikel 3.17

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.15, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over een koelinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.33, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.16, eerste lid.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.18

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het aanleggen van een bodemenergiesysteem; en

  2. het gebruiken van een bodemenergiesysteem.

Artikel 3.19

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.18, voor zover het gaat om het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.20

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.18, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een gesloten bodemenergiesysteem, bedoeld in paragraaf 4.111; en

  2. een open bodemenergiesysteem, bedoeld in paragraaf 4.112.

Artikel 3.21

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het opslaan van giftige, bijtende, brandbare of oxiderende gassen van ADR-klasse 2 die tot vloeistof zijn verdicht in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 l;

  2. het opslaan van verstikkende gassen van ADR-klasse 2 die tot vloeistof zijn verdicht in een opslagtank met een inhoud van meer dan 300 l; en

  3. het opslaan van tot vloeistof verdichte gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 l.

Artikel 3.22

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.21, voor zover het gaat om het opslaan van:

  1. giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2;

  2. gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening;

  3. meer dan 13 m3 propaan of propeen in een opslagtank;

  4. propaan of propeen, als propaan of propeen in de vloeistoffase wordt afgetapt;

  5. brandbare gassen van ADR-klasse 2, met uitzondering van propaan of propeen; of

  6. meer dan 100 m3 oxiderende gassen van ADR-klasse 2.

Lid 2

Het verbod geldt niet voor:

  1. het opslaan van LPG, bedoeld in artikel 4.472, tweede lid; of

  2. het opslaan van vloeibaar gemaakt vergistingsgas, bedoeld in paragraaf 4.88.

Artikel 3.23

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.21, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het opslaan van propaan of propeen in opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.91, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.22; en

  2. het opslaan van oxiderende en verstikkende gassen in opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.92, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.22.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.22, eerste lid.

Artikel 3.24

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 250 l of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt en een inhoud heeft van meer dan 250 l, van:

  1. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3;

  2. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 4.2;

  3. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 4.3;

  4. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.1;

  5. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2;

  6. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1;

  7. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 8;

  8. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9 die het aquatisch milieu verontreinigen;

  9. vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening;

  10. oliën of vetten; of

  11. pekel.

Artikel 3.25

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.24, voor zover het gaat om het opslaan:

  1. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3;

  2. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 4.2;

  3. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 4.3;

  4. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2;

  5. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1;

  6. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep I;

  7. van vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening; of

  8. in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 m3 of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt en een inhoud heeft van meer dan 150 m3.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor:

  1. het opslaan in een ondergrondse opslagtank;

  2. het opslaan van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger; of

  3. het opslaan in een opslagtank die:

    1. een inhoud heeft van 300 l of minder; en

    2. niet vanuit een tankwagen wordt gevuld.

Lid 3

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder e tot en met h.

Artikel 3.26

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.24, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.93, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder h;

  2. het opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in bovengrondse opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.94, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder h;

  3. het opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt, bedoeld in paragraaf 4.95, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder h;

  4. het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in ondergrondse opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.96, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder h; en

  5. het opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in ondergrondse opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.97, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder h.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste of derde lid.

Lid 3

Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met e, is niet van toepassing op het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening.

Artikel 3.27

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan van:

  1. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2 of 8;

  2. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9 die het aquatisch milieu verontreinigen; of

  3. gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. de milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in de artikelen 3.21, 3.24 en 3.36; en

  2. het opslaan van minder dan:

    1. 1 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, 6.1, verpakkingsgroep I, 6.2, categorie I1 of I2, of 8, verpakkingsgroep I;

    2. 25 kg vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3, verpakkingsgroep I of II;

    3. 25 l giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2;

    4. 125 l brandbare gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen; en

    5. 1.000 kg in totaal van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.28

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.27, voor zover het gaat om het in een opslagplaats opslaan van:

  1. meer dan 1.500 l giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen;

  2. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, type A of B;

  3. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, type C tot en met F, waarvoor volgens de ADR temperatuurbeheersing is vereist;

  4. meer dan 1.000 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, type C tot en met F, waarvoor volgens de ADR geen temperatuurbeheersing is vereist;

  5. meer dan 1.000 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1, verpakkingsgroep I;

  6. meer dan 1.000 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep I;

  7. meer dan 1.500 l tot vloeistof verdichte gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, in gasflessen; of

  8. 10.000 kg of meer in totaal van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c.

Artikel 3.29

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.27, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking, bedoeld in paragraaf 4.98, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.28; en

  2. het opslaan van organische peroxiden in verpakking, bedoeld in paragraaf 4.99, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.28.

Artikel 3.30

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

Lid 2

Onder de aanwijzing valt niet het opslaan, herverpakken of bewerken van:

  1. minder dan 200 kg in totaal van vuurwerk van categorie F1 en fop- en schertsvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;

  2. minder dan 25 kg vuurwerk van categorie F2 en F3; of

  3. vuurwerk dat door de krijgsmacht, de politie of de brandweer wordt gebruikt voor instructiedoeleinden.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt ook niet het voor het vervoer van goederen, bedoeld in paragraaf 3.8.6, opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger.

Lid 4

Voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van het vuurwerk met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

Artikel 3.31

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.30, voor zover het gaat om het opslaan, herverpakken of bewerken van:

  1. meer dan 25 kg pyrotechnische artikelen voor theatergebruik van categorie T1 of T2;

  2. meer dan 10.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3;

  3. vuurwerk van categorie F4; of

  4. ander vuurwerk dan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Lid 2

Voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van het vuurwerk of van de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

Artikel 3.32

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.30, wordt voldaan aan de regels over het opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in paragraaf 4.102.

Artikel 3.33

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.11.4;

  2. het opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in paragraaf 3.2.10;

  3. het voor het vervoer van goederen opslaan van stoffen, bedoeld in paragraaf 3.8.6, voor zover het gaat om ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger; en

  4. het opslaan van airbags of gordelspanners.

Artikel 3.34

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.33, voor zover het gaat om het opslaan van:

  1. meer dan 1 kg zwart kruit of rookzwak kruit van ADR-klasse 1.1;

  2. meer dan 50 kg rookzwak kruit van ADR-klasse 1.3 of 1.4;

  3. meer dan 50 kg NEM noodsignalen van ADR-klasse 1.3 of 1.4;

  4. meer dan 250.000 munitiepatronen of hagelpatronen voor vuurwapens van ADR-klasse 1.4;

  5. meer dan 250.000 patronen voor schiethamers van ADR-klasse 1.4; of

  6. andere ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1.

Artikel 3.35

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.33, wordt voldaan aan de regels over het opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik, bedoeld in paragraaf 4.103.

Artikel 3.36

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan van meer dan:

  1. 250.000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 1.2 of 1.3 van PGS 7;

  2. 50.000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 2 van PGS 7; of

  3. 50 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 3 of 4 van PGS 7.

Artikel 3.37

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.36, voor zover het gaat om het opslaan van meer dan:

  1. 100.000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 2 van PGS 7; of

  2. 50 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 3 of 4 van PGS 7.

Artikel 3.38

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.36, wordt voldaan aan de regels over het opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen, bedoeld in paragraaf 4.100, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.37.

Artikel 3.39

Lid 1

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen de volgende activiteiten met bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als die worden verricht voorafgaand aan de inzameling of afgifte van die afvalstoffen:

  1. het opslaan van meer dan 50 ton gevaarlijke afvalstoffen op een andere locatie dan de locatie van productie;

  2. het opslaan van meer dan 45 m3 bedrijfsafvalstoffen op een andere locatie dan de locatie van productie;

  3. het scheiden van de onder a of b bedoelde afvalstoffen op een andere locatie dan de locatie van productie;

  4. het op de locatie van productie mengen van gevaarlijke afvalstoffen met afvalstoffen die vallen onder een andere categorie van afvalstoffen als bedoeld in bijlage II dan de categorie waartoe de gevaarlijke afvalstoffen behoren;

  5. het op de locatie van productie mengen van bedrijfsafvalstoffen met afvalstoffen die vallen onder een andere categorie van afvalstoffen als bedoeld in bijlage II dan de categorie waartoe de bedrijfsafvalstoffen behoren, als het gescheiden houden en gescheiden afgeven gelet op de hoeveelheden en de manier van vrijkomen van deze afvalstoffen en de kosten van het gescheiden houden en gescheiden afgeven op grond van het circulair materialenplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer, kan worden gevergd;

  6. het mengen van afvalstoffen met afvalstoffen die vallen onder een andere categorie van afvalstoffen als bedoeld in bijlage II dan de categorie waartoe de eerstgenoemde afvalstoffen behoren op een andere locatie dan de locatie van productie;

  7. het mengen van afvalstoffen binnen een van de categorieën 10, 11, 110 of 111 van bijlage II;

  8. het mengen van afvalstoffen met andere stoffen dan afvalstoffen; en

  9. het verdichten van gevaarlijke afvalstoffen.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het mengen of scheiden van bouwafval en sloopafval, voor zover het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is;

  2. een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.5.11;

  3. de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, met huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven; en

  4. het opslaan van CO2 voor het permanent opslaan van CO2 als bedoeld in artikel 1, onder u, van de Mijnbouwwet.

Artikel 3.40

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.39.

Lid 2

Het verbod geldt niet voor:

  1. het opslaan en samenvoegen van grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit van kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen of industrie als bedoeld in artikel 25d van dat besluit;

  2. het opslaan en samenvoegen van baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit van kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar, licht verontreinigd of matig verontreinigd als bedoeld in artikel 25d van dat besluit;

  3. het opslaan van niet meer dan 600 m3 groenafval dat een bedrijfsafvalstof is; of

  4. het opslaan van niet meer dan 45 m3 per stroom gescheiden gehouden bedrijfsafvalstoffen die horen bij dezelfde categorie van afvalstoffen, bedoeld in bijlage II.

Lid 3

Het verbod geldt ook niet voor het scheiden van afvalstoffen als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit artikel.

Artikel 3.40a

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.39 wordt voldaan aan de regels over het opslaan van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.32, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.40b

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het op of in de bodem brengen van meststoffen, bedoeld in paragraaf 3.2.20, voor zover dat een nuttige toepassing is;

  2. het toepassen van bouwstoffen, bedoeld in paragraaf 3.2.25, voor zover dat een nuttige toepassing is;

  3. het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 3.2.26, voor zover dat een nuttige toepassing is;

  4. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen in de voormalige mijnbouwgebieden in de provincie Limburg, bedoeld in paragraaf 3.2.27, voor zover dat een nuttige toepassing is;

  5. een stortplaats of winningsafvalvoorziening als bedoeld in paragraaf 3.3.12;

  6. het lozen van afvalwater op of in de bodem;

  7. het op of in de bodem brengen van huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven; en

  8. het op of in de bodem brengen van CO2 in het kader van het permanent opslaan van CO2 als bedoeld in artikel 1, onder u, van de Mijnbouwwet.

Artikel 3.40c

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.40b.

Lid 2

Het verbod geldt niet voor het op of in de bodem brengen van plantenresten, dat op grond van artikel 3, tweede lid, onder c, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen is aangewezen.

Lid 3

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen of afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.40b.

Artikel 3.40d

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen:

  1. in een andere milieubelastende installatie; of

  2. buiten een installatie.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het verbranden van afvalstoffen in een ippc-installatie, bedoeld in paragraaf 3.3.13;

  2. het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven; en

  3. het verbranden van dierlijke meststoffen.

Artikel 3.40e

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.40d.

Lid 2

Het verbod geldt niet als het verbranden van afvalstoffen alleen bestaat uit het verbranden van rie-biomassa in een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van niet meer dan 15 MW, voor zover het recyclen van rie-biomassa niet de voorkeur heeft boven verbranden en de vrijkomende warmte nuttig wordt gebruikt.

Lid 3

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid, tenzij die activiteiten alleen bestaan uit de activiteit, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.40f

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.40d, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. een grote stookinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.3, als het verbranden gebeurt in een stookinstallatie en geen andere afvalstoffen worden verbrand dan rie-biomassa;

  2. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4;

  3. een kleine of middelgrote stookinstallatie voor standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.126, als het verbranden gebeurt in een stookinstallatie en geen andere afvalstof wordt verbrand dan rie-biomassa;

  4. een middelgrote stookinstallatie voor niet-standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.127, als het verbranden gebeurt in een stookinstallatie en geen andere afvalstof wordt verbrand dan rie-biomassa; en

  5. het ontvangen van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.50, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.40e, eerste of derde lid; en

  2. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.

Artikel 3.41

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in categorie 6.11 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

  2. het exploiteren van een zuiveringsvoorziening voor het zuiveren van ingezameld of afgegeven afvalwater, anders dan voor het uitoefenen van de taken, bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder 1°, 2° en 3°, en derde lid, van de wet.

Artikel 3.42

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.41.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.43

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.41, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in categorie 6.11 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

  2. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in categorie 6.11 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Artikel 3.44

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van stoffen, voorwerpen of producten met organische oplosmiddelen, bedoeld in categorie 6.7 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Artikel 3.45

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.44.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.46

Lid 1

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.44, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34.

Lid 2

Ook wordt voldaan aan de regels over:

  1. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1;

  2. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;

  3. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.45; en

  4. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.

Artikel 3.47

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  1. het exploiteren van een ippc-installatie voor het afvangen van CO2-stromen voor geologische opslag, bedoeld in categorie 6.9 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

  2. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het afvangen van CO2-stromen voor geologische opslag.

Artikel 3.48

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.47.

Artikel 3.48a

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem brengen van meststoffen.

Lid 2

De aanwijzing van de milieubelastende activiteit omvat ook het vernietigen van de zode van gras op weidegronden.

Artikel 3.48b

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.48a, voor zover het gaat om het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib afkomstig van zuiveringsinstallaties voor huishoudelijk of stedelijk afvalwater.

Artikel 3.48c

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.48a, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het op of in de bodem brengen van meststoffen, bedoeld in paragraaf 4.116;

  2. het vernietigen van de zode van gras op weidegronden, bedoeld in paragraaf 4.118; en

  3. het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib, bedoeld in paragraaf 4.117, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.48b.

Artikel 3.48d

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook:

  1. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie;

  2. het tijdelijk opslaan van grond op de locatie van het graven; en

  3. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen van grond.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet het graven in de waterbodem.

Lid 4

In deze paragraaf wordt onder grond verstaan: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 3.48e

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.48d, wordt voldaan aan de regels over graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in paragraaf 4.119.

Artikel 3.48f

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3.

Lid 2

De aanwijzing omvat ook:

  1. het zeven van uitkomende grond op de locatie;

  2. het tijdelijk opslaan van grond op de locatie van het graven; en

  3. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen van grond.

Lid 3

Onder de aanwijzing valt niet het graven in de waterbodem.

Lid 4

In deze paragraaf wordt onder grond verstaan: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 3.48g

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.48f, wordt voldaan aan de regels over graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in paragraaf 4.120.

Artikel 3.48h

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het saneren van de bodem als het oogmerk saneren van de bodem is.

Lid 2

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. een grondwatersanering;

  2. het beperken of ongedaan maken van verontreiniging van de waterbodem;

  3. herstelwerkzaamheden na een eindonderzoek bodem volgens artikel 5.6; en

  4. maatregelen direct na een ongewoon voorval.

Artikel 3.48i

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.48h, wordt voldaan aan de regels over het saneren van de bodem, bedoeld in paragraaf 4.121.

Artikel 3.48j

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het anders dan in een oppervlaktewaterlichaam opslaan van grond of baggerspecie.

Lid 2

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam opslaan van grond of baggerspecie, voor zover het gaat om het opslaan van:

  1. grond van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd of sterk verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;

  2. baggerspecie van de kwaliteitsklasse sterk verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit; of

  3. grond of baggerspecie, die niet beschikt over een milieuverklaring bodemkwaliteit, tenzij:

    1. de locatie van herkomst bekend is; en

    2. de bodemkwaliteit van de locatie van herkomst voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie voor landbodem of de kwaliteitsklasse matig verontreinigd voor waterbodem, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.

Lid 3

Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam opslaan van grond of baggerspecie.

Lid 4

De aanwijzing, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, omvat ook:

  1. het zeven en samenvoegen van grond bij het opslaan; en

  2. het zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van baggerspecie bij het opslaan.

Lid 5

Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, vallen niet:

  1. het opslaan van grond op de locatie van het graven; en

  2. het opslaan van baggerspecie op de locatie van het baggeren.

Lid 6

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

  2. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 3.48k

Lid 1

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.48j, eerste en tweede lid, voor zover het gaat om het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren of samenvoegen van:

  1. grond van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd of sterk verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;

  2. baggerspecie van de kwaliteitsklasse sterk verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit; of

  3. grond of baggerspecie, die niet beschikt over een milieuverklaring bodemkwaliteit, tenzij:

    1. de locatie van herkomst bekend is; en

    2. de bodemkwaliteit van de locatie van herkomst voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie voor landbodem of de kwaliteitsklasse matig verontreinigd voor waterbodem, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.

Lid 2

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.48l

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.48j, wordt voldaan aan de regels over:

  1. het ontvangen van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.50, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk; en

  2. het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 4.122.

Artikel 3.48m

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem toepassen van bouwstoffen.

Lid 2

Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van bouwstoffen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen in de voormalige mijnbouwgebieden in de provincie Limburg, bedoeld in paragraaf 3.2.27; en

  2. het toepassen van bouwstoffen binnen een gebouw, als de bouwstoffen zo worden toegepast dat geen contact met hemelwater, oppervlaktewater of grondwater kan optreden.

Artikel 3.48n

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.48m, wordt voldaan aan de regels over het toepassen van bouwstoffen, bedoeld in paragraaf 4.123.

Artikel 3.48o

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem toepassen van grond of baggerspecie.

Lid 2

Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond of baggerspecie.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het toepassen van grond of baggerspecie als die is verwerkt in een product dat als meststof op grond van hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet mag worden verhandeld;

  2. het tijdelijk uitnemen van grond, volgens artikel 4.1222a of 4.1230a, voor zover het gaat om het terugbrengen van grond op of in de bodem;

  3. het onder dezelfde omstandigheden en zonder te zijn bewerkt terugbrengen van ten hoogste 25 m3 grond op of nabij het ontgravingsprofiel na het tijdelijk uitnemen daarvan; en

  4. het onder dezelfde omstandigheden en zonder te zijn bewerkt terugbrengen van baggerspecie op of nabij het ontgravingsprofiel na het tijdelijk uitnemen daarvan.

Lid 4

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

  2. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 3.48p

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het brengen van grond of baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 3.48o, tweede lid, voor zover het gaat om het opvullen van een diepe plas voor het bevorderen van de natuurwaarde of recreatieve waarde van de diepe plas, het ontwikkelen tot landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden of recreatieterreinen of het stabiliseren van wanden.

Artikel 3.48q

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.48o, wordt voldaan aan de regels over het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 4.124.

Artikel 3.48r

Lid 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen.

Lid 2

Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen.

Lid 3

Onder de aanwijzing vallen niet:

  1. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen die afkomstig is uit een gebied buiten een bij ministeriële regeling aangewezen herkomstgebied in de provincie Limburg;

  2. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen buiten een bij ministeriële regeling aangewezen toepassingsgebied; en

  3. het onder dezelfde omstandigheden en zonder te zijn bewerkt terugbrengen van mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de bodem na het tijdelijk uitnemen daarvan.

Artikel 3.48s

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.48r, wordt voldaan aan de regels over het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen in de voormalige mijnbouwgebieden in de provincie Limburg, bedoeld in paragraaf 4.125.