Afdeling 12.4. Overig overgangsrecht

Artikel 12.26d

Uiterlijk op het tijdstip bedoeld in artikel 22.5, eerste lid, van de wet geeft het bevoegd gezag uitvoering aan artikel 5.161bc.

Artikel 12.26e

Lid 1

Dit artikel is van toepassing op huurwoningen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit betaalbare huur op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit rechtmatig aanwezig waren of waren toegestaan en waarvoor:

  1. bij de toelating in dat omgevingsplan respectievelijk die omgevingsvergunning regels of voorschriften voor geliberaliseerde woningen voor middenhuur zijn gesteld:

    1. met toepassing van artikel 5.161c, eerste lid, aanhef en onder c, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van het Besluit betaalbare huur; of

    2. op grond van artikel 1.1.1, eerste lid, onder j, van het Besluit ruimtelijke ordening zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

  2. de termijn voor instandhouding, gesteld bij de regels of de voorschriften, bedoeld onder b, nog niet is verstreken.

Lid 2

In afwijking van artikel 5.161c, eerste lid, aanhef en onder c, kan een omgevingsplan regels bevatten over huurwoningen met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste een in het omgevingsplan bepaalde, jaarlijks te indexeren aanvangshuurprijs.

Artikel 12.27

Uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit geeft het bevoegd gezag uitvoering aan artikel 5.164.

Artikel 12.27a

Bij de toepassing van artikel 8.0a, tweede lid, is in ieder geval sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

Artikel 12.27b

Lid 1

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn de artikelen 12.2a, 12.5a, 12.7, tweede en derde lid, 12.8, 12.9, 12.10, 12.13e, 12.13f, 12.13h, 12.13i, 12.13ia, 12.13j, 12.13m en 12.14 op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing.

Lid 2

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van nationaal belang, is artikel 12.26 op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12.27c

Lid 1

Dit artikel is van toepassing op een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als de regels voor de locatie deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet.

Lid 2

Als op de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning artikel 5.14 overeenkomstig wordt toegepast op grond van artikel 8.0b, aanhef en eerste lid, onder a, 8.0c, aanhef en eerste lid, onder a, of 8.0d, aanhef en eerste lid, onder a:

  1. kan als die vergunning een beperkt kwetsbaar of kwetsbaar gebouw toelaat aan die vergunning het voorschrift worden verbonden dat die locatie een brand- of explosievoorschriftengebied is; en

  2. wordt als die vergunning een zeer kwetsbaar gebouw toelaat aan die vergunning het voorschrift verbonden dat die locatie een brand- of explosievoorschriftengebied is.

Artikel 12.28

Artikel 8.76, tweede lid, onder c, is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit als:

  1. de regels voor die locatie deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, en die regels niet voorzien in een regeling voor de voorgenomen inrichting van die locatie na afloop van de ontgronding; of

  2. de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit die de ontgronding toelaat is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet en de voorschriften van die vergunning niet voorzien in een regeling voor de voorgenomen inrichting van de locatie na afloop van de ontgronding.

Artikel 12.29

De verplichting op grond van artikel 8.97a, tweede lid, van dit besluit geldt niet tot het bij koninklijk besluit bepaalde tijdstip, bedoeld in artikel 22.5, tweede lid, van de wet, tenzij sprake is van een regel of een instructie waarin een termijn is gesteld als bedoeld in artikel 8.97a, derde lid, van dit besluit.

Artikel 12.30

De verplichting op grond van artikel 8.97b, tweede lid, van dit besluit geldt niet tot het bij koninklijk besluit bepaalde tijdstip, bedoeld in artikel 22.5, tweede lid, van de wet, tenzij sprake is van een regel of een instructie waarin een termijn is gesteld als bedoeld in artikel 8.97b, derde lid, van dit besluit.

Artikel 12.31

De verplichting op grond van artikel 8.97c, tweede lid, van dit besluit geldt niet tot het bij koninklijk besluit bepaalde tijdstip, bedoeld in artikel 22.5, tweede lid, van de wet, tenzij sprake is van een regel of een instructie waarin een termijn is gesteld als bedoeld in artikel 8.97c, derde lid, van dit besluit.

Artikel 12.32

Lid 1

De artikelen 12.2a, 12.5a, 12.7, tweede en derde lid, 12.8, 12.9, 12.10, 12.13e, 12.13f, 12.13h, 12.13i, 12.13ia, 12.13j, 12.13m en 12.14 zijn van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit.

Lid 2

Artikel 12.26 is van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap of gedeputeerde staten.

Artikel 12.33

Lid 1

Dit artikel is van toepassing op een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 8.6, eerste lid, onder e of f, van het Omgevingsbesluit die:

  1. op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet onherroepelijk is; of

  2. voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is aangevraagd en daarna onherroepelijk wordt.

Lid 2

Het bevoegd gezag wijzigt binnen twee jaar na het hierna in onderdeel a respectievelijk b genoemde tijdstip de voorschriften van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid door aan die vergunning het voorschrift te verbinden dat degene die de activiteit verricht financiële zekerheid stelt:

  1. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a: het tijdstip van inwerkingtreding van de wet; of

  2. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b: het tijdstip van het onherroepelijk worden van de vergunning.