Hoofdstuk 10. Bijzondere instrumenten en instructieregels

Artikel 10.1

Lid 1

Bepalingen in deze afdeling die gaan over landbouwgronden, zijn van overeenkomstige toepassing op gronden waarop onmiddellijk enige vorm van landbouw kan worden uitgeoefend.

Lid 2

Bepalingen in deze afdeling die gaan over bos, zijn van overeenkomstige toepassing op heidevelden, hoogveenterreinen, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruiglanden en laagveenmoerassen, voor zover het geen gronden zijn waarop enige vorm van landbouw wordt of onmiddellijk kan worden uitgeoefend.

Artikel 10.2

Lid 1

Gedeputeerde staten stellen per herverkavelingsblok de agrarische verkeerswaarde van gronden vast op basis van het prijsniveau van de landbouwgronden die in het jaar voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpruilbesluit in het herverkavelingsblok zijn verkocht.

Lid 2

Als in een herverkavelingsblok in het jaar voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpruilbesluit geen verkopen van landbouwgronden hebben plaatsgevonden, stellen gedeputeerde staten de agrarische verkeerswaarde vast op basis van de prijs waarvoor in dat jaar vergelijkbare gronden buiten het herverkavelingsblok zijn verkocht.

Lid 3

Als in een herverkavelingsblok in het jaar voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpruilbesluit onvoldoende verkopen van landbouwgronden hebben plaatsgevonden, stellen gedeputeerde staten de agrarische verkeerswaarde vast op basis van de prijs waarvoor in dat jaar binnen het herverkavelingsblok gronden zijn verkocht en de prijs waarvoor vergelijkbare gronden buiten het herverkavelingsblok zijn verkocht.

Artikel 10.3

In een ruilbesluit wordt bij toedeling van een naastgelegen perceel de grens van een perceel waarop een gebouw staat niet aangepast als dat voor de eigenaar of gebruiker van het gebouw zou leiden tot een onevenredige beperking van het gebruik van het gebouw.

Artikel 10.4

Lid 1

In een ruilbesluit zijn tegen een nihil inbreng uitruilbaar:

  1. een waterloop met een bovenbreedte van ten minste 5 m;

  2. een plas met een oppervlakte van ten minste 25 m2; en

  3. een lijnvormig landschapselement bestaande uit een houtopstand met een gemiddelde breedte van ten minste 5 m.

Lid 2

In een ruilbesluit zijn als aangrenzende gronden uitruilbaar:

  1. een waterloop met een gemiddelde bovenbreedte van minder dan 5 m;

  2. een plas met een oppervlakte van minder dan 25 m2; en

  3. een lijnvormig landschapselement bestaande uit een houtopstand met een gemiddelde breedte van minder dan 5 m.

Lid 3

In een ruilbesluit kan voor het gehele herverkavelingsblok voor waterlopen, plassen of lijnvormige landschapselementen een andere breedte of oppervlakte worden aangehouden dan de breedten en oppervlakten, bedoeld in het eerste en tweede lid, als dat vanwege de specifieke kenmerken van dat herverkavelingsblok nodig is voor een doelmatige herverkaveling.

Artikel 10.5

In een ruilbesluit is een openbare weg als bedoeld in artikel 4 van de Wegenwet en een weg die anderszins een openbaar karakter heeft in zijn geheel uitruilbaar tegen een nihil inbreng.

Artikel 10.6

In een ruilbesluit is een openbare weg als bedoeld in artikel 4 van de Wegenwet uitruilbaar als die weg volgens het inrichtingsbesluit aan het openbaar verkeer wordt onttrokken.

Artikel 10.7

In een ruilbesluit is een waterloop met een openbaar gebruik uitruilbaar als dat openbaar gebruik volgens het inrichtingsbesluit vervalt.

Artikel 10.8

Lid 1

In een ruilbesluit zijn uitruilbaar gronden die in een gebied liggen waarvoor op grond van artikel 2 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies of een provinciale verordening subsidie is of kan worden verstrekt voor natuurbeheer of agrarisch natuurbeheer.

Lid 2

Als geen subsidie voor natuurbeheer of agrarisch natuurbeheer is verstrekt, wordt in het ruilbesluit de volgende rangorde in acht genomen voor het ruilen van de betrokken gronden:

  1. ruil met landbouwgronden die zijn verworven voor de veiligstelling, aanleg of ontwikkeling van bos of waarvoor de eigenaar of pachter bereid is om een aanvraag in te dienen voor subsidie als bedoeld in het eerste lid; en

  2. ruil met de overige landbouwgronden.

Lid 3

Als subsidie voor natuurbeheer is verstrekt, worden in het ruilbesluit de betrokken gronden geruild met landbouwgronden die zijn verworven voor de veiligstelling, aanleg of ontwikkeling van bos of met landbouwgronden waarvoor aan de eigenaar of pachter subsidie voor natuurbeheer is verstrekt.

Lid 4

Als subsidie voor agrarisch natuurbeheer is verstrekt, worden in het ruilbesluit de betrokken gronden geruild met landbouwgronden waarvoor aan de eigenaar of pachter subsidie voor agrarisch natuurbeheer is verstrekt.

Lid 5

Als subsidie voor natuurbeheer is verstrekt en een publiekrechtelijke rechtspersoon voor de betrokken gronden in een overeenkomst tot veiligstelling, aanleg of ontwikkeling van bos een verplichting als bedoeld in artikel 252 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek heeft bedongen en die gronden zijn gelegen op een locatie waaraan in het omgevingsplan niet een functie voor natuur of bos is toegedeeld of volgens een ontwerp daarvan niet een dergelijke functie zal worden toegedeeld, worden die gronden, in afwijking van het derde lid, geruild met gronden waarvoor ook een dergelijke verplichting is bedongen of met gronden die zijn gelegen op een locatie waaraan in het omgevingsplan een functie voor natuur of bos is toegedeeld of volgens een ontwerp daarvan een dergelijke functie zal worden toegedeeld.

Artikel 10.9

In een ruilbesluit zijn niet uitruilbaar:

  1. gronden waar voorafgaand aan een activiteit een bodemonderzoek als bedoeld in de artikelen 5.7b tot en met 5.7e van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt verricht dat nog niet is afgerond; en

  2. gronden met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, als de locatie niet is gesaneerd volgens de Wet bodembescherming, het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een maatwerkvoorschrift of een omgevingsvergunning.

Artikel 10.10

In een ruilbesluit zijn niet uitruilbaar:

  1. gronden met een uitzonderlijk slechte cultuurtoestand;

  2. gronden met een zeer oneffen maaiveld;

  3. heidevelden, hoogveenterreinen, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruiglanden en laagveenmoerassen, die niet als cultuurgrond in gebruik zijn;

  4. te diep ontgronde percelen;

  5. gronden waarop sport- of recreatieterreinen liggen;

  6. gronden waarop spoorwegen liggen;

  7. de volgende gronden waarvoor op grond van afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving een herbeplantingsplicht geldt:

    1. gronden met een houtopstand groter dan 10 are; en

    2. gronden waarop een houtopstand groter dan 10 are heeft gestaan; en

  8. boomgaarden en andere gronden met meerjarige gewassen.

Artikel 10.11

Lid 1

In een ruilbesluit worden de rechten op kavels zodanig aan rechthebbenden toegewezen dat een doelmatig gebruik van de kavels wordt bevorderd.

Lid 2

Bij de toewijzing wordt de volgende rangorde in acht genomen:

  1. toewijzing gericht op een zo groot mogelijke concentratie van kavels bij de landbouwbedrijfskavel;

  2. toewijzing gericht op een zo groot mogelijke concentratie van kavels bij de huiskavel;

  3. toewijzing gericht op een zo gering mogelijke afstand tussen de bedrijfsgebouwen en de kavels; en

  4. toewijzing gericht op een zo gering mogelijke afstand tussen het woonhuis en de kavels.

Artikel 10.12

In een ruilbesluit worden kavels die ten dienste staan van één gebruiker niet samengevoegd als die samenvoeging voor een betrokken eigenaar zou leiden tot een onevenredige versnippering van zijn eigendom.

Artikel 10.13

In een ruilbesluit wordt bij toewijzing van het recht op een huis- of landbouwbedrijfskavel de grens van de kavel niet aangepast als dat voor de eigenaar of gebruiker zou leiden tot een onevenredige beperking van het gebruik van het gebouw.

Artikel 10.14

In een ruilbesluit wordt aangegeven met welk percentage op grond van artikel 12.29 van de wet de totale oppervlakte van alle in het herverkavelingsblok opgenomen gronden is verminderd.

Artikel 10.15

Lid 1

In een ruilbesluit worden erfdienstbaarheden gehandhaafd of gevestigd als niet door herverkaveling of uitvoering van werkzaamheden kan worden tegemoetgekomen aan de behoefte waarin deze rechten voorzien.

Lid 2

In een ruilbesluit worden zakelijke rechten als bedoeld in artikel 150, eerste lid, van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek gehandhaafd voor zover het belang van de landinrichting zich hiertegen niet verzet.

Artikel 10.16

Lid 1

In een ruilbesluit wordt in de bepalingen over de ingebruikneming van de kavels, bedoeld in artikel 12.24, eerste lid, onder f, van de wet, rekening gehouden met het belang van een doelmatige uitvoering van werkzaamheden en een doelmatig gebruik van de kavels.

Lid 2

Als een ruilbesluit voorziet in tijdelijke ingebruikneming van een kavel, wordt bepaald dat die kavel in gebruik wordt genomen door de eigenaar aan wie het recht op de kavel is toegewezen.

Lid 3

In afwijking van het tweede lid bepaalt een ruilbesluit dat een kavel tijdelijk in gebruik wordt genomen door een andere eigenaar dan de eigenaar aan wie het recht op de kavel is toegewezen, als dat nodig is:

  1. voor een evenwichtige verdeling van de tijdelijke gebruiksmogelijkheden binnen het herverkavelingsblok; of

  2. om onevenredig nadeel voor die andere eigenaar te voorkomen.

Artikel 10.17

Een besluit geldelijke regelingen bevat alle aan de betrokken eigenaren toe te rekenen kosten en toe te kennen vergoedingen, waaronder kosten en vergoedingen die zijn overeengekomen met eigenaren van gronden die buiten het herverkavelingsblok liggen.

Artikel 10.18

Lid 1

In een besluit geldelijke regelingen wordt bij de schatting, bedoeld in artikel 12.38, eerste lid, van de wet, de toestand van de gronden en de overige onroerende zaken vastgelegd aan de hand van een of meer van de factoren, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, en een of meer van de factoren, bedoeld in het tweede lid, onder c tot en met g.

Lid 2

De factoren zijn:

  1. de ontsluiting van huiskavels, landbouwbedrijfskavels of veldkavels;

  2. de waterhuishoudkundige toestand van kavels;

  3. de kavelconcentratie;

  4. de afstand van de veldkavels tot de landbouwbedrijfskavel;

  5. het aantal kavels per bedrijf;

  6. de grootte van de kavels; en

  7. de vorm van de kavels.

Artikel 10.19

Lid 1

In een besluit geldelijke regelingen kunnen verrekenposten worden opgenomen tussen:

  1. de bij het ruilbesluit betrokken eigenaren onderling; en

  2. de gezamenlijke eigenaren in het herverkavelingsblok en de individuele eigenaar die is betrokken bij een ruilbesluit.

Lid 2

Verrekenposten zijn in ieder geval:

  1. de aanwezigheid van opstallen, opstanden en obstakels, waaronder bunkers, hoogspanningsmasten, kabels en leidingen;

  2. de waarde van gebouwen, werken, beplantingen en houtopstanden;

  3. de algehele vergoeding in geld voor de inbreng van gronden voor de korting, bedoeld in artikel 12.29, aanhef en onder c of d, van de wet;

  4. de algehele vergoeding in geld voor de inbreng van kavels met een te kleine oppervlakte;

  5. de regeling en de opheffing van de beperkte rechten, het recht van huur en de lasten, bedoeld in artikel 12.35, eerste lid, van de wet;

  6. de afkoop van ruilverkavelings-, herinrichtings-, reconstructie- en landinrichtingsrenten, bedoeld in artikel 12.35, eerste lid, van de wet;

  7. de vestiging van beperkte rechten, bedoeld in artikel 12.35, tweede lid, van de wet;

  8. andere dan agrarische waarden;

  9. het verhaal van kosten in verband met gronden die niet op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld in de kwaliteitsklasse landbouw/natuur; en

  10. schadevergoeding wanneer bij de uitvoering van werkzaamheden geen vervangende gronden tijdelijk in gebruik kunnen worden gegeven.

Artikel 10.20

Lid 1

In een besluit geldelijke regelingen wordt bij de verrekenposten die betrekking hebben op een in de openbare registers ingeschreven recht en de waardering van de factoren, bedoeld in artikel 10.18, uitgegaan van de situatie op het in het artikel 16.125, tweede lid, van de wet eerstbedoelde tijdstip.

Lid 2

In een besluit geldelijke regelingen wordt bij de waardering van verrekenposten die verband houden met de cultuurtoestand van de bodem uitgegaan van de situatie op het tijdstip van de kavelovergang.

Lid 3

In een besluit geldelijke regelingen wordt bij de waardering van de overige verrekenposten, voor zover de hoogte van de verrekenpost niet is overeengekomen, uitgegaan van de situatie bij de terinzagelegging van het ontwerpruilbesluit.

Artikel 10.21

In een besluit geldelijke regelingen worden de factoren, bedoeld in artikel 10.18, gewaardeerd om de bijdrage van een eigenaar in de kosten, bedoeld in artikel 13.9, vierde lid, van de wet, te berekenen.

Artikel 10.22

Lid 1

In een besluit geldelijke regelingen worden de verrekenposten gewaardeerd op basis van de waarde in het maatschappelijk verkeer.

Lid 2

Een verrekenpost die het gevolg is van de overgang van een zaak of een recht naar een andere eigenaar wordt voor de inbrengende eigenaar en de eigenaar die de zaak of het recht krijgt toegewezen, op dezelfde waarde geschat, tenzij een andere waardering noodzakelijk is vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval.

Artikel 10.23

Lid 1

Een besluit geldelijke regelingen bevat per eigenaar de in rekening te brengen kosten.

Lid 2

Deze kosten bestaan uit de som van:

  1. het saldo van de verrekenposten; en

  2. het totaal van de geldbedragen, die aan hem worden toegerekend aan de hand van de factoren, bedoeld in artikel 10.18, vermenigvuldigd met de uitkomst van de deling van het totaal van aan de eigenaren toe te rekenen kosten door het totaal van alle geldbedragen die zijn vastgesteld aan de hand van die factoren.

Lid 3

Als de waardeverandering door de factoren, bedoeld in artikel 10.18, met een puntensysteem is bepaald, wordt in het besluit geldelijke regelingen voor de toepassing van het tweede lid, onder b, de waarde van een punt omgerekend in een geldbedrag door het totaal van de aan de eigenaren toe te rekenen kosten te delen door het totaal van de aan de eigenaren toegerekende punten.

Artikel 10.24

Lid 1

Een plan als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn wordt alleen vastgesteld, als uit de passende beoordeling, bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid, van de wet, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid kan, als uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan toch worden vastgesteld, als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. er zijn geen alternatieve oplossingen;

  2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en

  3. het plan bevat de nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

Lid 3

In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder b, geldt, als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege:

  1. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, met de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; of

  2. andere dwingende redenen van groot openbaar belang, als de procedure van artikel 10.6d van het Omgevingsbesluit is toegepast.

Artikel 10.25

Lid 1

Er is een register stikstofdepositieruimte, met de naam AERIUS Register.

Lid 2

Het register wordt beheerd door Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

Lid 3

Het register bevat gegevens over stikstofdepositieruimte als bedoeld in artikel 2.46 van de wet, verkregen door de bij ministeriële regeling aangewezen maatregelen of categorieën van maatregelen die leiden tot het verminderen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Lid 4

Het register bevat compartimenten voor de bestemming van stikstofdepositieruimte voor de bij ministeriële regeling aangewezen categorieën van projecten. Binnen elk compartiment kan nader onderscheid worden gemaakt.

Artikel 10.26

Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur of het bij ministeriële regeling aangewezen bestuursorgaan neemt in AERIUS Register ten hoogste het bij die regeling vastgestelde percentage van de vermindering van stikstofdepositie door een maatregel als bedoeld in artikel 10.25, derde lid, op.

Artikel 10.27

Lid 1

Het bevoegd gezag voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 8.74e reserveert stikstofdepositieruimte in AERIUS Register in de volgorde waarin de aanvragen voor de omgevingsvergunning zijn ontvangen.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders in de betrokken gemeente stikstofdepositieruimte reserveren voor een cluster van ruimtelijk samenhangende woningbouwprojecten.

Lid 3

Stikstofdepositieruimte kan, nadat zij weer beschikbaar is gekomen, alleen nogmaals worden gereserveerd met toepassing van de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 10.28

Lid 1

Het bevoegd gezag voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 8.74e, voor een projectbesluit of voor een kavelbesluit als bedoeld in artikel 1 van de Wet windenergie op zee deelt de stikstofdepositieruimte voor een project toe in die vergunning of dat besluit.

Lid 2

De stikstofdepositieruimte wordt alleen toegedeeld voor zover zij eerder is gereserveerd als bedoeld in artikel 10.27 en niet meer bedraagt dan de in AERIUS Register beschikbare stikstofdepositieruimte.

Lid 3

Stikstofdepositieruimte wordt voor onbepaalde tijd toegedeeld en kan, nadat zij weer beschikbaar is gekomen, alleen nogmaals worden toegedeeld met toepassing van de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Lid 4

De stikstofdepositieruimte voor een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat die wordt toegedeeld, is niet groter dan de hoogste stikstofdepositie op die hectare die het project in een jaar kan veroorzaken.

Artikel 10.29

De artikelen 10.27, eerste lid, en 10.28, tweede lid, zijn niet van toepassing op een projectbesluit of op een kavelbesluit als bedoeld in artikel 1 van de Wet windenergie op zee.