Hoofdstuk 12. Overgangsrecht

Artikel 12.1

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. aanwezig industrieterrein: op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat rondom dat industrieterrein met toepassing van artikel 12.2 geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of in het omgevingsplan is bepaald dat een activiteit als bedoeld in artikel 5.78b niet wordt verricht;

  2. grenswaarde Wet geluidhinder:

    1. hogere waarde als bedoeld in artikel IX van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet;

    2. grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde op elk punt van de buitengrens van een geluidaandachtsgebied als bedoeld in artikel 12.7, derde lid; en

    3. de ten hoogste toelaatbare waarden van de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, die op grond van artikel 63, tweede lid, van de Wet geluidhinder door Onze Minister zijn vastgesteld.

Artikel 12.2

Lid 1

In afwijking van de artikelen 3.34, 3.35 en 3.37 tot en met 3.39 wordt een geluidproductieplafond als bedoeld in artikel 3.6, tweede en derde lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet als omgevingswaarde vastgesteld op grond van de geluidproductie op het industrieterrein die is toegestaan bij maximale benutting van de grenswaarden Wet geluidhinder.

Lid 2

Bij het bepalen van de in het eerste lid bedoelde geluidproductie:

  1. worden geluidregels die deel uitmaken van de regels van het omgevingsplan voor dat industrieterrein in acht genomen;

  2. wordt rekening gehouden met een voor dat industrieterrein vastgesteld:

    1. zonebeheerplan als bedoeld in artikel 164 van de Wet geluidhinder zoals dat gold op het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet; en

    2. programma als bedoeld in artikel 3.6, vijfde lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet; en

  3. worden omgevingsvergunningen voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de wet en de daaraan verbonden voorschriften in acht genomen.

Lid 3

Als door toepassing van het tweede lid, onder a of c, het geluid op een referentiepunt hoger wordt dan het in het eerste lid bedoelde geluid bij maximale benutting van de grenswaarden Wet geluidhinder, wordt het geluidproductieplafond vastgesteld volgens het eerste lid en wordt voor dat geluidproductieplafond artikel 3.46, tweede lid, toegepast.

Lid 4

Een met toepassing van het eerste lid bepaald geluidproductieplafond als omgevingswaarde wordt bij de vaststelling daarvan:

  1. verlaagd met het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen als bedoeld in artikel 3.24, tweede lid, onder a; en

  2. verhoogd met het geluid door afgemeerde vaartuigen of drijvende werktuigen, als dat geluid niet eerder is betrokken bij het vaststellen van de grenswaarden Wet geluidhinder.

Artikel 12.2a

Lid 1

Artikel 5.78f is niet van toepassing als de geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld met toepassing van artikel 12.2.

Lid 2

Uiterlijk op het tijdstip, bedoeld in artikel 22.6, derde lid, van de wet, geeft het bevoegd gezag alsnog uitvoering aan artikel 5.78f.

Lid 3

Artikel 5.78g is niet van toepassing als alleen toepassing wordt gegeven aan artikel 12.2.

Artikel 12.3

Als bij het vaststellen van een grenswaarde Wet geluidhinder een aftrek is toegepast als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 zoals dat luidde tot 1 januari 2024, wordt bij het toepassen van artikel 12.2, eerste lid, die grenswaarde verhoogd met de waarde van de aftrek en wordt de geluidproductie op het industrieterrein met diezelfde waarde van de aftrek verminderd.

Artikel 12.4

Lid 1

Als op het tijdstip van de toepassing van artikel 12.2, eerste lid, voor een aanwezig industrieterrein een geluidreductieplan gold als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder, wordt bij de vaststelling van het op grond van artikel 12.2, eerste lid, bepaalde geluidproductieplafond als omgevingswaarde bepaald dat gedurende de in dat geluidreductieplan genoemde termijn niet aan dat geluidproductieplafond hoeft te worden voldaan.

Lid 2

Als bij een aanwezig industrieterrein een aftrek is toegepast als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 zoals dat luidde tot 1 januari 2024 hoeft, in afwijking van artikel 3.44, gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar niet te worden voldaan aan het geluidproductieplafond dat is vastgesteld met toepassing van artikel 12.2, eerste lid, waarbij het geluidproductieplafond mag worden overschreden met ten hoogste de waarde van de aftrek.

Artikel 12.5

Lid 1

In afwijking van de artikelen 3.34, 3.35 en 3.37 tot en met 3.39 wijzigt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet herberekend geluidproductieplafond voor een hoofdspoorweg met het bij omgevingsvergunning toegestane geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van de hoofdspoorweg.

Lid 2

Op het bepalen van het geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 12.5a

Totdat uitvoering is gegeven aan artikel 12.5 voor een hoofdspoorweg, geldt artikel 5.55, tweede lid, onder e, niet voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van die hoofdspoorweg.

Artikel 12.6

Lid 1

In afwijking van de artikelen 3.34 tot en met 3.39 is een geluidproductieplafond als bedoeld in artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet de door provinciale staten berekende historische geluidproductie, die betrekking heeft op het kalenderjaar waarin het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet in werking treedt, een kalenderjaar dat ten hoogste vijf jaar voor dat tijdstip ligt of op een middeling van meerdere van die kalenderjaren, op de daarvoor door hen aangegeven geluidreferentiepunten, verhoogd met 1,5 dB.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid en in afwijking van paragraaf 3.5.4.2 kan het geluidproductieplafond, bedoeld in artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet, worden vastgesteld op grond van:

  1. een besluit over aanleg of reconstructie van een weg;

  2. recent genomen ruimtelijke besluiten; of

  3. de gegevens uit het eerste lid, waarbij het effect van een stil wegdek als dat is aangelegd zonder dat dit op grond van de Wet geluidhinder was vereist niet in aanmerking wordt genomen.

Lid 3

Het tweede lid, onder b en c, wordt alleen toegepast als de gevolgen voor de fysieke leefomgeving aanvaardbaar worden geacht.

Lid 4

Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde is artikel 3.34 niet van toepassing als na toepassing van het eerste of tweede lid door een bestuursorgaan van een provincie wijziging van een geluidproductieplafond langs een aansluitende of in de nabijheid liggende provinciale weg in dezelfde provincie plaatsvindt in overeenstemming met de geluidbrongegevens behorende bij de nieuwe geluidproductieplafonds.

Artikel 12.6a

De op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet herberekende geluidproductieplafonds voor een provinciale weg, die op grond van artikel 3.2a, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet gelden als bij besluit als omgevingswaarden vastgestelde geluidproductieplafonds, vervallen op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel als:

  1. het geluid door die provinciale weg en rijkswegen samen op geen enkel geluidgevoelig gebouw meer bedraagt dan 50 Lden; of

  2. de bijdrage van het geluid van die provinciale weg op de voor die bijdrage maatgevende gevel van een geluidgevoelig gebouw 10 dB of meer lager is dan het geluid van die provinciale weg en rijkswegen samen op het geluidgevoelige gebouw bij volledig benutte geluidproductieplafonds.

Artikel 12.7

Lid 1

Als toepassing wordt gegeven aan artikel 3.2, eerste lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet, wordt ook het geluidaandachtsgebied bepaald.

Lid 2

Totdat toepassing is gegeven aan artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet, is het geluidaandachtsgebied van een provinciale weg de geluidzone, bedoeld in artikel 74 van de Wet geluidhinder.

Lid 3

Totdat toepassing is gegeven aan artikel 3.6, tweede lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet, is het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein de krachtens artikel 40 van de Wet geluidhinder vastgestelde geluidzone.

Artikel 12.8

Bij de toepassing van afdeling 3.5 en de paragrafen 5.1.4.2a.2, 5.1.4.2a.3, 5.1.4.2a.5 en 5.1.4.2a.6 wordt een geluidgevoelig gebouw niet in aanmerking genomen als het gaat om:

  1. een bijbehorend bouwwerk dat alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a, onder 1° of 2°, van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de wet; of

  2. een bouwwerk waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder c, van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de wet.

Artikel 12.9

Lid 1

In afwijking van artikel 5.78r, tweede lid, is paragraaf 5.1.4.2a.4 wel van toepassing op:

  1. een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, onder 1°, van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de wet, dat op het tijdstip van vaststelling van het omgevingsplan niet is gebouwd;

  2. een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, onder 2°, van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de wet; en

  3. huisvesting in verband met mantelzorg als bedoeld in artikel 22.36, onder c, van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het gaat om op het tijdstip van vaststelling van het omgevingsplan bestaande huisvesting in verband met mantelzorg als in het omgevingsplan wordt bepaald dat alleen die vorm van wonen is toegelaten.

Artikel 12.10

Bij de toepassing van afdeling 3.5 en de paragrafen 5.1.4.2a.2, 5.1.4.2a.3, 5.1.4.2a.5 en 5.1.4.2a.6 wordt een geluidgevoelig gebouw dat voor de datum, bedoeld in artikel 22.4 van de wet, in gebruik is genomen voor huisvesting in verband met mantelzorg en waar alleen die vorm van wonen is toegelaten niet in aanmerking genomen.

Artikel 12.11

Lid 1

Deze paragraaf is van toepassing op geluidgevoelige gebouwen die zijn vermeld op de lijst, bedoeld in artikel 15.2 van het Omgevingsbesluit.

Lid 2

Deze paragraaf is ook van toepassing op geluidgevoelige gebouwen die zijn vermeld in het programma, bedoeld in artikel 12.12, 12.13 respectievelijk 12.13a als:

  1. die geluidgevoelige gebouwen op grond van artikel 88 van de Wet geluidhinder, zoals dat luidde voor 1 januari 2007, of artikel 4.17 van het Besluit geluidhinder, zoals dat luidde voor 1 juli 2012, binnen de in die artikelen aangegeven termijn zijn gemeld; en

  2. het geluid, bedoeld in artikel 15.2, tweede lid, van het Omgevingsbesluit, op die gebouwen door:

    1. een binnen een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom gelegen provinciale weg hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.35; of

    2. een buiten een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom gelegen provinciale weg, waterschapsweg, gemeenteweg of lokale spoorweg gelijk is aan of minder dan 5 dB lager is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.35.

Lid 3

Bij de toepassing van het tweede lid is artikel 15.2, derde lid, van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing.

Lid 4

Artikel 3.23 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12.12

Lid 1

Een programma als bedoeld in artikel 22.18, eerste lid, van de wet bevat geluidbeperkende maatregelen die worden getroffen om het geluid op de gebouwen, bedoeld in artikel 15.2, tweede lid, onder d, van het Omgevingsbesluit, en artikel 12.11, tweede lid, voor zover die liggen in het geluidaandachtsgebied van een gemeenteweg of een lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen, te beperken tot ten hoogste 65 dB.

Lid 2

De beperking van het geluid, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald ten opzichte van het geluid op het gebouw in het jaar, bedoeld in artikel 11.46, derde lid.

Lid 3

Als onvoldoende geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om te voldoen aan het eerste lid, neemt het college van burgemeester en wethouders een besluit als bedoeld in artikel 2.43 van de wet. De artikelen 3.53 en 3.54 zijn van overeenkomstige toepassing, waarbij bij het bepalen van het gezamenlijke geluid het geluid door de gemeenteweg of lokale spoorweg wordt verhoogd met 1,5 dB.

Lid 4

In afwijking van het tweede lid wordt het besluit over een gebouw dat is gelegen op het grondgebied van een andere gemeente genomen door het college van burgemeester en wethouders van die gemeente.

Artikel 12.13

Lid 1

Een programma als bedoeld in artikel 22.18, tweede lid, van de wet bevat geluidbeperkende maatregelen die worden getroffen om het geluid op de gebouwen, bedoeld in artikel 15.2, tweede lid, onder d, van het Omgevingsbesluit, en artikel 12.11, tweede lid, voor zover die liggen in het geluidaandachtsgebied van een waterschapsweg, te beperken tot ten hoogste 65 dB.

Lid 2

De beperking van het geluid, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald ten opzichte van het geluid op het gebouw in het jaar, bedoeld in artikel 11.46, derde lid.

Lid 3

Als onvoldoende geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om te voldoen aan het eerste lid, neemt het dagelijks bestuur van het waterschap een besluit als bedoeld in artikel 2.43 van de wet. De artikelen 3.53 en 3.54 zijn van overeenkomstige toepassing, waarbij bij het bepalen van het gezamenlijke geluid het geluid door de waterschapsweg wordt verhoogd met 1,5 dB.

Lid 4

In afwijking van het tweede lid wordt het besluit over een gebouw dat is gelegen op het grondgebied van een ander waterschap genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het gebouw gelegen is.

Artikel 12.13a

Lid 1

Een programma als bedoeld in artikel 22.18, derde lid, van de wet bevat geluidbeperkende maatregelen die worden getroffen om het geluid op de onderstaande gebouwen, voor zover die liggen in het geluidaandachtsgebied van een provinciale weg of een lokale spoorweg die bij omgevingsverordening is aangewezen, te beperken tot ten hoogste:

  1. 65 dB voor de gebouwen, bedoeld in artikel 15.2, tweede lid, onder a en c, van het Omgevingsbesluit, en de gebouwen, bedoeld in artikel 12.11, tweede lid, als het geluid afkomstig is van een provinciale weg die binnen een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom ligt of van een lokale spoorweg die bij omgevingsverordening is aangewezen;

  2. 60 dB voor de gebouwen, bedoeld in artikel 15.2, tweede lid, onder b, van het Omgevingsbesluit, en de gebouwen, bedoeld in artikel 12.11, tweede lid, als het geluid afkomstig is van een provinciale weg die buiten die bebouwde kom ligt.

Lid 2

Als onvoldoende geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om te voldoen aan het eerste lid, nemen gedeputeerde staten een besluit als bedoeld in artikel 2.43 van de wet. De artikelen 3.53 en 3.54 zijn van overeenkomstige toepassing.

Lid 3

In afwijking van het tweede lid wordt het besluit over een gebouw dat is gelegen op het grondgebied van een andere provincie genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het gebouw gelegen is.

Artikel 12.13b

Voor toepassing van de artikelen 12.12 tot en met 12.13a komen geluidbeperkende maatregelen in aanmerking als deze financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

Artikel 12.13c

Als toepassing van artikel 12.13a leidt tot een verlaging van het geluid op een geluidgevoelig gebouw worden de als omgevingswaarden vastgestelde geluidproductieplafonds verlaagd in overeenstemming met het effect van de geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 12.13a, eerste lid.

Artikel 12.13d

Lid 1

Bij een besluit tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden als bedoeld in artikel 2.13a, eerste lid, van de wet, en als artikel 12.13a, eerste lid, nog niet is toegepast, kunnen in dat besluit ook de geluidbeperkende maatregelen worden vastgesteld om te voldoen aan artikel 12.13a, eerste lid.

Lid 2

Bij de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde besluit is het geluid op de in artikel 12.13a, eerste lid, bedoelde geluidgevoelige gebouwen niet hoger dan de in dat artikel aangegeven waarden.

Lid 3

Als onvoldoende geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om te voldoen aan artikel 12.13a, eerste lid, nemen gedeputeerde staten een besluit als bedoeld in artikel 2.43 van de wet. De artikelen 3.53 en 3.54 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12.13e

Afdeling 3.5 en de paragrafen 5.1.4.2, 5.1.4.2a.3, 5.1.4.2a.5 en 5.1.4.2a.6 zijn niet van toepassing op:

  1. een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd;

  2. een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

Artikel 12.13f

Als bij de toepassing van artikel 3.5, eerste lid, of 3.6, eerste lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet:

  1. gebruik wordt gemaakt van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder, wordt voor de bouwkundige constructie bepaald dat deze een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is; en

  2. voor een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering wordt afgeweken van de wettelijke normen voor geluid wordt bepaald dat deze een niet-geluidgevoelige gevel is.

Artikel 12.13g

Lid 1

In het omgevingsplan wordt bepaald dat:

  1. een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is; en

  2. een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid een niet-geluidgevoelige gevel is.

Lid 2

Het eerste lid kan buiten toepassing worden gelaten als het geluid op de gevel niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u.

Artikel 12.13h

Lid 1

Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat in het geluidaandachtsgebied van een hoofdspoorweg kan erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u, als:

  1. deze waarde niet meer dan 3 dB hoger is dan de grenswaarde; en

  2. voor dat gebouw akoestisch onderzoek is verricht voor 1 januari 2021.

Lid 2

Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw binnen een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom toelaat in het geluidaandachtsgebied van een rijksweg die geen autoweg of autosnelweg is, kan erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u, als:

  1. deze waarde na toepassing van de aftrek als bedoeld in artikel 110g van de Wet geluidhinder niet meer dan 3 dB hoger is dan de grenswaarde; en

  2. voor dat gebouw akoestisch onderzoek is verricht voor 1 januari 2021.

Lid 3

Dit artikel vervalt 10 jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 12.13i

In de artikelen 5.55, tweede lid, onder a en d, 5.79, tweede lid, onder a, 5.100, eerste en tweede lid, 11.50, eerste lid, onder a, onder 1°, en 8.18, derde lid, onder a, wordt onder «industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld» ook verstaan een aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 12.1.

Artikel 12.13ia

Lid 1

Dit artikel is van toepassing op het bepalen van het gecumuleerde geluid of het gezamenlijke geluid waarbij geluid betrokken wordt door:

  1. een bij omgevingsverordening aangewezen provinciale weg totdat op grond van artikel 2.12a, eerste lid, van de wet voor die weg geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; of

  2. een aanwezig industrieterrein als bedoeld artikel 12.1.

Lid 2

In afwijking van artikel 3.24, derde en vijfde lid, artikel 3.25, eerste lid, aanhef en onder b, en vierde lid, en artikel 5.78a, eerste lid, aanhef en onder a, en vierde lid, wordt het geluid door de provinciale weg of het industrieterrein bepaald op grond van het in artikel 3.5 of 3.6 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet bedoelde recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, waarbij voor industrieterreinen de geluidbelasting in Letmaal geldt als geluidbelasting in Lden.

Artikel 12.13j

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip bevat het omgevingsplan voor een windturbine, voor zover het niet gaat om een windpark met 3 of meer windturbines, geen lagere waarden in verband met cumulatie met het geluid van een windturbine die of een windpark dat behoort tot een samenstel van activiteiten waarvoor tot 1 januari 2011 een vergunning in werking en onherroepelijk was of een melding was gedaan.

Artikel 12.13k

Lid 1

Als een gebrek in een besluit als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, 3.5, tweede lid, of 3.6, tweede en derde lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet wordt hersteld, zijn de artikelen 3.34 tot en met 3.39 niet van toepassing.

Lid 2

Bij het besluit wordt bepaald of geluidbeperkende of geluidwerende maatregelen worden getroffen als bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied gebruik is gemaakt van een gebrek als bedoeld in het eerste lid. De artikelen 3.53 en 3.54 zijn van toepassing.

Artikel 12.13l

Lid 1

Als een omgevingsplan geluidproductieplafonds als omgevingswaarden bevat voor een spoorweg als bedoeld in artikel 3.2a, eerste lid, onder c, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet:

  1. berusten de plicht tot treffen van maatregelen, bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, en de plicht tot monitoring, bedoeld in artikel 11.45, eerste lid, bij de op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet lokaal spoor aangewezen instantie; en

  2. zijn de artikelen 3.28 en 11.47 niet van toepassing;

  3. is op een wijziging van de lokale spoorweg of het gebruik daarvan, als bedoeld in de artikelen 5.78j en 5.78k, paragraaf 3.5.4.2 van overeenkomstige toepassing en zijn de artikelen 5.78l tot en met 5.78q niet van toepassing.

Lid 2

Als de in het eerste lid bedoelde geluidproductieplafonds als omgevingswaarden komen te vervallen, blijft de plicht tot het treffen van maatregelen, bedoeld in dat lid, onder a, voortbestaan totdat daaraan uitvoering is gegeven.

Artikel 12.13m

Zolang de basisgeluidemissie nog niet is bepaald, wordt bij toepassing van de artikelen 5.78a, derde lid, 5.78m, derde lid, 5.78n, derde lid, 5.78t, tweede lid, en 5.78u, tweede lid, het geluid door de gemeenteweg en de lokale spoorweg gezamenlijk beschouwd als het college van burgemeester en wethouders voornemens is toepassing te geven aan artikel 3.27, tweede lid.

Artikel 12.13n

Totdat voor een locatie toepassing is gegeven aan paragraaf 5.1.4.2, behoren tot de op grond van artikel 11.50, eerste lid, te verzamelen gegevens ook gegevens over de geluidbelasting in Lden en in Lnight van een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanwezig concentratiegebied voor horeca-inrichtingen of concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven als bedoeld in artikel 2.19a van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 12.14

Zolang in het omgevingsplan geen bebouwingscontour geur als bedoeld in artikel 5.97 is aangewezen, geldt de bebouwde kom als bebouwingscontour geur.

Artikel 12.15

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172.

Artikel 12.16

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172.

Artikel 12.17

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172.

Artikel 12.18

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172.

Artikel 12.19

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172.

Artikel 12.20

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172.

Artikel 12.21

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172.

Artikel 12.22

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172.

Artikel 12.23

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172.

Artikel 12.24

Lid 1

Deze afdeling is van toepassing op:

  1. het militaire luchtvaartterrein De Peel/luitenant-generaal Bestkazerne;

  2. het militaire luchtvaartterrein Gilze-Rijen;

  3. het militaire luchtvaartterrein Woensdrecht; en

  4. het buitenlandse militaire luchtvaartterrein Geilenkirchen.

Lid 2

Deze afdeling geldt voor:

  1. de luchtvaartterreinen, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, totdat voor het betrokken luchtvaartterrein een luchthavenbesluit op grond van de Wet luchtvaart is vastgesteld en in werking getreden; en

  2. het luchtvaartterrein Geilenkirchen, totdat een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven op grond van de Wet luchtvaart is vastgesteld en in werking getreden.

Artikel 12.25

Lid 1

Geluidzones voor militaire luchtvaartterreinen zijn de locaties die zijn aangewezen en geometrisch begrensd in artikel 2.1, vierde lid, van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Lid 2

Obstakelbeheergebieden voor militaire luchtvaartterreinen zijn de locaties die zijn aangewezen en geometrisch begrensd in artikel 2.1, vijfde lid, van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 12.26

Lid 1

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een geluidzone voor een militair luchtvaartterrein, worden de op grond van de Luchtvaartwet en de Wet geluidhinder vastgestelde geluidzones in acht genomen.

Lid 2

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een obstakelbeheergebied voor een militair luchtvaartterrein, is de maximaal toelaatbare hoogte van objecten in, op of boven de grond in dat gebied in overeenstemming met artikel 16 van het Besluit militaire luchthavens.

Lid 3

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, kan op verzoek van het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de regels in het eerste en tweede lid.

Artikel 12.26a

Het in artikel 22.21, tweede lid, van de wet bedoelde programma voor het legaliseren van activiteiten met een geringe stikstofdepositie die voldeden aan de voorwaarden van artikel 19kh, zevende lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 zoals dat luidde tot 1 januari 2017 of artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming zoals dat luidde op 28 mei 2019, bevat een beschrijving van:

  1. de totale stikstofdepositie door die activiteiten op elke hectare van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden;

  2. de getroffen of te treffen maatregelen om de gevolgen van de onder a bedoelde stikstofdepositie ongedaan te maken, te beperken of te compenseren;

  3. de gevolgen van de onder b bedoelde maatregelen voor de omvang van de stikstofdepositie op elke hectare van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden; en

  4. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de eisen die in artikel 12.26b worden gesteld aan het verzamelen van gegevens en de eisen die in artikel 15.5 van het Omgevingsbesluit worden gesteld aan het verstrekken van gegevens.

Artikel 12.26b

De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoering van het programma verzamelen gegevens over de voortgang en de gevolgen van dat programma.

Artikel 12.26c

Onze Minister voor Natuur en Stikstof stelt elk jaar een verslag op over de voortgang en de gevolgen van het programma legalisering projecten natuur op basis van de gegevens, bedoeld in artikel 15.5, eerste lid, van het Omgevingsbesluit.

Artikel 12.26d

Uiterlijk op het tijdstip bedoeld in artikel 22.5, eerste lid, van de wet geeft het bevoegd gezag uitvoering aan artikel 5.161bc.

Artikel 12.26e

Lid 1

Dit artikel is van toepassing op huurwoningen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit betaalbare huur op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit rechtmatig aanwezig waren of waren toegestaan en waarvoor:

  1. bij de toelating in dat omgevingsplan respectievelijk die omgevingsvergunning regels of voorschriften voor geliberaliseerde woningen voor middenhuur zijn gesteld:

    1. met toepassing van artikel 5.161c, eerste lid, aanhef en onder c, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van het Besluit betaalbare huur; of

    2. op grond van artikel 1.1.1, eerste lid, onder j, van het Besluit ruimtelijke ordening zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

  2. de termijn voor instandhouding, gesteld bij de regels of de voorschriften, bedoeld onder b, nog niet is verstreken.

Lid 2

In afwijking van artikel 5.161c, eerste lid, aanhef en onder c, kan een omgevingsplan regels bevatten over huurwoningen met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste een in het omgevingsplan bepaalde, jaarlijks te indexeren aanvangshuurprijs.

Artikel 12.27

Uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit geeft het bevoegd gezag uitvoering aan artikel 5.164.

Artikel 12.27a

Bij de toepassing van artikel 8.0a, tweede lid, is in ieder geval sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

Artikel 12.27b

Lid 1

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn de artikelen 12.2a, 12.5a, 12.7, tweede en derde lid, 12.8, 12.9, 12.10, 12.13e, 12.13f, 12.13h, 12.13i, 12.13ia, 12.13j, 12.13m en 12.14 op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing.

Lid 2

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van nationaal belang, is artikel 12.26 op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12.27c

Lid 1

Dit artikel is van toepassing op een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als de regels voor de locatie deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet.

Lid 2

Als op de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning artikel 5.14 overeenkomstig wordt toegepast op grond van artikel 8.0b, aanhef en eerste lid, onder a, 8.0c, aanhef en eerste lid, onder a, of 8.0d, aanhef en eerste lid, onder a:

  1. kan als die vergunning een beperkt kwetsbaar of kwetsbaar gebouw toelaat aan die vergunning het voorschrift worden verbonden dat die locatie een brand- of explosievoorschriftengebied is; en

  2. wordt als die vergunning een zeer kwetsbaar gebouw toelaat aan die vergunning het voorschrift verbonden dat die locatie een brand- of explosievoorschriftengebied is.

Artikel 12.28

Artikel 8.76, tweede lid, onder c, is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit als:

  1. de regels voor die locatie deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, en die regels niet voorzien in een regeling voor de voorgenomen inrichting van die locatie na afloop van de ontgronding; of

  2. de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit die de ontgronding toelaat is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet en de voorschriften van die vergunning niet voorzien in een regeling voor de voorgenomen inrichting van de locatie na afloop van de ontgronding.

Artikel 12.29

De verplichting op grond van artikel 8.97a, tweede lid, van dit besluit geldt niet tot het bij koninklijk besluit bepaalde tijdstip, bedoeld in artikel 22.5, tweede lid, van de wet, tenzij sprake is van een regel of een instructie waarin een termijn is gesteld als bedoeld in artikel 8.97a, derde lid, van dit besluit.

Artikel 12.30

De verplichting op grond van artikel 8.97b, tweede lid, van dit besluit geldt niet tot het bij koninklijk besluit bepaalde tijdstip, bedoeld in artikel 22.5, tweede lid, van de wet, tenzij sprake is van een regel of een instructie waarin een termijn is gesteld als bedoeld in artikel 8.97b, derde lid, van dit besluit.

Artikel 12.31

De verplichting op grond van artikel 8.97c, tweede lid, van dit besluit geldt niet tot het bij koninklijk besluit bepaalde tijdstip, bedoeld in artikel 22.5, tweede lid, van de wet, tenzij sprake is van een regel of een instructie waarin een termijn is gesteld als bedoeld in artikel 8.97c, derde lid, van dit besluit.

Artikel 12.32

Lid 1

De artikelen 12.2a, 12.5a, 12.7, tweede en derde lid, 12.8, 12.9, 12.10, 12.13e, 12.13f, 12.13h, 12.13i, 12.13ia, 12.13j, 12.13m en 12.14 zijn van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit.

Lid 2

Artikel 12.26 is van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap of gedeputeerde staten.

Artikel 12.33

Lid 1

Dit artikel is van toepassing op een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 8.6, eerste lid, onder e of f, van het Omgevingsbesluit die:

  1. op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet onherroepelijk is; of

  2. voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is aangevraagd en daarna onherroepelijk wordt.

Lid 2

Het bevoegd gezag wijzigt binnen twee jaar na het hierna in onderdeel a respectievelijk b genoemde tijdstip de voorschriften van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid door aan die vergunning het voorschrift te verbinden dat degene die de activiteit verricht financiële zekerheid stelt:

  1. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a: het tijdstip van inwerkingtreding van de wet; of

  2. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b: het tijdstip van het onherroepelijk worden van de vergunning.