Hoofdstuk 11. Monitoring en informatie

Artikel 11.1

De volgende bestuursorganen verzamelen gegevens over externe veiligheidsrisico’s:

  1. het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning of waaraan een melding als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving wordt gedaan, als het gaat om:

    1. een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder A, onder B, onder D, onder 1, en onder E, onder 1 tot en met 10 en onder 12 en 13;

    2. het opslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    3. het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1, bedoeld in artikel 3.34 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  2. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, als het gaat om het aanleggen en het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.320 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het winnen, opslaan, bewerken of gereedmaken voor transport van gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 11.1, of het aanleggen of aanpassen van een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk, bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 11.2;

  3. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, als het gaat om:

    1. het basisnet;

    2. het exploiteren van een buisleiding, bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    3. het opslaan en bewerken van stoffen en voorwerpen van ADR-klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kg NEM in stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1.3, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, bedoeld in artikel 3.332 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  4. de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, als het gaat om het exploiteren van een inrichting waarvoor een vergunning is verleend op grond van artikel 15, aanhef en onder b, van de Kernenergiewet;

  5. de gemeenteraad of het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, als het gaat om externe veiligheidsrisico’s van een activiteit als bedoeld in de artikelen 5.23, 5.28 en 5.32 en bijlage VII voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties; en

  6. het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten, als het gaat om het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen in beheer bij de gemeente, het waterschap, respectievelijk de provincie, die niet behoren tot het basisnet en als het plaatsgebonden risico op de as van de weg hoger is dan 1 op de 1.000.000 per jaar.

Artikel 11.2

De bestuursorganen, bedoeld in artikel 11.1, verzamelen de volgende gegevens:

  1. de locatie waar een activiteit als bedoeld in artikel 5.23, 5.28 of 5.32 of bijlage VII wordt verricht of waar een activiteit wordt verricht waarvoor een vergunning is verleend op grond van artikel 15, aanhef en onder b, van de Kernenergiewet;

  2. als het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 5.23, 5.28 of 5.32 of bijlage VII, onder A, B, D, onder 1, of onder E, of waarvoor een vergunning is verleend op grond van artikel 15, aanhef en onder b, van de Kernenergiewet, voor zover van toepassing:

    1. de bedrijfsnaam;

    2. de naam en het adres van degene die de activiteit of het deel van de activiteit verricht;

    3. de datum waarop de omgevingsvergunning voor de activiteit is verleend of laatstelijk is gewijzigd of voor de activiteit een melding is gedaan, voor zover de omgevingsvergunning of de melding betrekking heeft op externe veiligheidsrisico’s;

    4. de aard van het risico;

    5. de chemische naam en het CAS-nummer en voor zover bekend het UN-nummer van de voor het risico maatgevende stof of de naam van de voor het risico maatgevende categorie van stoffen; en

    6. de gegevens, bedoeld onder 4° en 5°, van zowel de voor het toxisch risico maatgevende stof als de voor het risico van brand of explosie maatgevende stof;

  3. voor zover het bestuursorgaan verantwoordelijk is voor het verzamelen van de gegevens, bedoeld onder a en b, en van de gegevens, bedoeld in de artikelen 11.3 tot en met 11.7: de datum van de laatste wijziging van die gegevens; en

  4. als toepassing is gegeven aan artikel 5.10: de afstand tot de locatie waar het plaatsgebonden risico 1 op de 100.000 per jaar is, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 11.3

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.1, onder a, verzamelt de volgende gegevens:

  1. als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder A en B: de afstand voor het plaatsgebonden risico, bedoeld in de bij die activiteit opgenomen tabel;

  2. als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder A, onder 1a en 7, onder B, onder 2 en 5, en onder E, onder 9, voor zover van toepassing, 10 en 13: de afstand voor het brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied, bedoeld in de bij die activiteit opgenomen tabel;

  3. als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder D, onder 1, en onder E, onder 1: de afstand tot de locaties waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 100.000 en 1 op de 1.000.000 per jaar is, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels;

  4. als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 2 tot en met 8, onder 9, voor zover van toepassing, en onder 10, 12 en 13: de afstand tot de locaties waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar, 1 op de 10.000.000 per jaar en 1 op de 100.000.000 per jaar is, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels;

  5. als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 2 tot en met 8, 9, voor zover van toepassing, en 12: de afstand voor het brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels;

  6. de kenmerken van een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder A, onder B, en onder E, onder 9 en 10, bedoeld in de bij die activiteit opgenomen tabel, voor zover van toepassing;

  7. de kenmerken van een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 2 tot en met 8, 9, voor zover van toepassing, 10 en 12, voor de berekening van het plaatsgebonden risico en het brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied;

  8. de ligging van een explosieaandachtsgebied vuurwerk als bedoeld in artikel 5.23; en

  9. de ligging van een civiel explosieaandachtsgebied als bedoeld in artikel 5.28.

Artikel 11.4

Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat verzamelt de volgende gegevens als het gaat om het exploiteren van een mijnbouwwerk als bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 11:

  1. de afstand tot de locaties waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar is, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels, als het gaat om het exploiteren van een mijnbouwwerk als bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 11.1, en het aanleggen of aanpassen van een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 11.2; en

  2. de afstand voor het brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels, als het gaat om het exploiteren van een mijnbouwwerk als bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 11.1.

Artikel 11.5

Lid 1

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelt de volgende gegevens:

  1. als het gaat om het basisnet:

    1. de afstand die bij ministeriële regeling is vastgesteld waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar is; en

    2. de afstand voor het brand- of explosieaandachtsgebied, bedoeld in bijlage VII, onder C;

  2. als het gaat om het exploiteren van een buisleiding, bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving:

    1. de afstand tot de locaties waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar is, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels;

    2. de afstand voor het brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels;

    3. de uitwendige diameter van de buisleiding in millimeters;

    4. de maximale werkdruk in kilopascal;

    5. de wanddikte van de buis in millimeters;

    6. de ligging van de bovenkant van de buisleiding ten opzichte van het maaiveld in centimeters;

    7. de materiaalsoort van de buisleiding; en

    8. de kenmerken van de buisleiding voor de berekening van het plaatsgebonden risico en het brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied; en

  3. de ligging van een militair explosieaandachtsgebied als bedoeld in artikel 5.32.

Lid 2

De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming verzamelt de volgende gegevens als het gaat om een inrichting waarvoor een vergunning is verleend op grond van artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet:

  1. de gegevens, bedoeld in artikel 11.2, onder a tot en met c; en

  2. de afstand tot de locaties waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar is, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 11.6

De gemeenteraad of het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verzamelt gegevens over de locaties van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die in het omgevingsplan respectievelijk de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten.

Artikel 11.7

Het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten verzamelen gegevens over externe veiligheidsrisico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, over wegen in beheer bij de gemeente, het waterschap respectievelijk de provincie, als het gaat om wegen die niet behoren tot het basisnet en als het plaatsgebonden risico op de as van de weg hoger is dan 1 op de 1.000.000 per jaar.

Artikel 11.8

Lid 1

Er is een landelijk register externe veiligheidsrisico’s.

Lid 2

Het register wordt beheerd door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Lid 3

Het register is voor een ieder langs elektronische weg toegankelijk.

Lid 4

Het register bevat:

  1. de gegevens, bedoeld in de artikelen 11.2 tot en met 11.7; en

  2. gegevens over de locaties waarop de activiteiten worden verricht waarover in het register gegevens als bedoeld onder a zijn opgenomen met een aanduiding van:

    1. de afstanden voor het plaatsgebonden risico;

    2. de ligging van het brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied, voor zover van toepassing;

    3. de ligging van het explosieaandachtsgebied vuurwerk, bedoeld in artikel 5.23;

    4. de ligging van het civiele explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.28; en

    5. de ligging van het militaire explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.32.

Artikel 11.9

Lid 1

Monitoring voor de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.0c, vindt plaats door met metingen, berekeningen en modellen de overstromingskans of de faalkans te bepalen door te volgen procedures en te hanteren randvoorwaarden, volgens bij ministeriële regeling gestelde regels.

Lid 2

Het dagelijks bestuur van het waterschap en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zijn belast met de uitvoering van de monitoring als de omgevingswaarde betrekking heeft op een dijktraject dat in beheer is bij het waterschap respectievelijk het Rijk.

Artikel 11.10

Lid 1

Monitoring voor de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.0i, vindt plaats door bepaling van het waterkerend vermogen van een dijktraject door metingen, berekeningen en modellen volgens bij ministeriële regeling gestelde regels.

Lid 2

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met de uitvoering van de monitoring.

Artikel 11.11

Lid 1

Door monitoring wordt voor de signalering of voor de veiligheid van primaire waterkeringen maatregelen nodig zijn, bewaakt:

  1. de kans op verlies van waterkerend vermogen van een dijktraject waardoor het door het dijktraject beschermde gebied overstroomt op een zodanige wijze en in zodanige mate dat dit leidt tot dodelijke slachtoffers of substantiële economische schade, bedoeld in bijlage II, onder B, kolom 6; en

  2. de kans op verlies van waterkerend vermogen van een dijktraject waardoor de hydraulische belasting op een achterliggend dijktraject substantieel wordt verhoogd, bedoeld in bijlage II, onder B, kolom 7.

Lid 2

Monitoring vindt plaats door met metingen, berekeningen en modellen de overstromingskans of de faalkans van een dijktraject in de actuele toestand te bepalen door te volgen procedures en te hanteren randvoorwaarden, volgens bij ministeriële regeling gestelde regels.

Lid 3

Het dagelijks bestuur van het waterschap en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zijn belast met de uitvoering van de monitoring als het gaat om een dijktraject dat in beheer is bij het waterschap respectievelijk het Rijk.

Artikel 11.12

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelt gegevens over de mate waarin wordt voldaan aan de voor de grote rivieren opgestelde legger.

Artikel 11.13

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelt gegevens over de ligging van de kustlijn.

Artikel 11.14

Lid 1

Gedeputeerde staten verzamelen gegevens over overstromingsgevaar als bedoeld in artikel 6, derde en vierde lid, van de richtlijn overstromingsrisico’s.

Lid 2

Gedeputeerde staten verzamelen gegevens over overstromingsrisico’s als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de richtlijn overstromingsrisico’s.

Lid 3

De gegevens gaan niet over overstromingen vanuit rioolstelsels.

Artikel 11.15

Lid 1

Het dagelijks bestuur van het waterschap en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stellen elke twaalf jaar een verslag op over de algemene waterstaatkundige toestand van de primaire waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap respectievelijk het Rijk.

Lid 2

Het verslag bevat in ieder geval:

  1. de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.0c, en de andere parameters, bedoeld in artikel 11.11, eerste lid; en

  2. in voorkomend geval, de vermelding dat sprake is van overschrijding van een andere parameter als bedoeld in artikel 11.11, eerste lid.

Artikel 11.16

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt elke twaalf jaar een verslag op over de gegevens, bedoeld in artikel 11.12.

Artikel 11.17

Lid 1

Gedeputeerde staten stellen een overstromingsgevaarkaart en een overstromingsrisicokaart vast.

Lid 2

De overstromingsgevaarkaart verbeeldt de gegevens, bedoeld in artikel 11.14, eerste lid.

Lid 3

De overstromingsrisicokaart verbeeldt de gegevens, bedoeld in artikel 11.14, tweede lid.

Lid 4

De kaarten worden in ieder geval twee jaar voor de vaststelling van het overstromingsrisicobeheerplan vastgesteld.

Artikel 11.18

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt kaarten van de kustlijn, bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder b, van de wet, vast, waarop die lijn is verbeeld.

Artikel 11.19

Lid 1

Monitoring voor de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht, bedoeld in de artikelen 2.3 tot en met 2.8, vindt plaats door metingen en berekeningen volgens bij ministeriële regeling gestelde regels.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid vindt de monitoring voor de omgevingswaarden voor benzeen, bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, alleen plaats door berekeningen.

Lid 3

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met de uitvoering van de monitoring.

Artikel 11.20

De beoordeling of aan de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht, bedoeld in de artikelen 2.3 tot en met 2.7, wordt voldaan, vindt niet plaats op:

  1. een locatie waartoe het publiek geen toegang heeft en waar geen vaste bewoning is; of

  2. de rijbaan van wegen en de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben.

Artikel 11.21

Lid 1

Monitoring voor de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht, bedoeld in artikel 2.8a, vindt plaats door het voor die stoffen opstellen van de nationale emissie-inventarissen en nationale emissieprognoses, bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de nec-richtlijn, volgens de methode, bedoeld in artikel 9 van en bijlage V bij die richtlijn.

Lid 2

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met de uitvoering van de monitoring.

Lid 3

Voor de beoordeling of aan de omgevingswaarden wordt voldaan, blijven de volgende emissies buiten beschouwing:

  1. emissies van vliegtuigen, buiten de landings- en startcyclus;

  2. emissies van de internationale zeevaart; en

  3. emissies van stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen, met uitzondering van methaan, van activiteiten die vallen onder de categorieën 3B en 3D, bedoeld in de richtsnoeren behorende bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (Trb. 1983, 84).

Lid 4

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

  1. landings- en startcyclus: de cyclus die het taxiën na landing en voor vertrek, starten, opstijgen, aanvliegen en landen en alle andere manoeuvres van het vliegtuig die plaatsvinden beneden een hoogte van 3.000 voet, omvat; en

  2. internationale zeevaart: reizen over zee en in de kustwateren door vaartuigen van alle vlaggen, uitgezonderd vissersvaartuigen, die vertrekken van het grondgebied van het ene land en aankomen op het grondgebied van een ander land.

Artikel 11.22

Lid 1

Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente waarvan het grondgebied ligt in een aandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.51, tweede lid, en gedeputeerde staten van de provincie waarvan het grondgebied in dat gebied ligt, verzamelen gegevens over de verkeersintensiteit op wegen in beheer bij de gemeente respectievelijk de provincie voor de monitoring in die aandachtsgebieden van de concentraties van:

  1. stikstofdioxide, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder b; en

  2. PM10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid.

Lid 2

Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente waarvan het grondgebied ligt in een aandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.51, derde lid, en gedeputeerde staten van de provincie waarvan het grondgebied in dat gebied ligt, verzamelen voor de monitoring in die aandachtsgebieden van de concentraties van PM10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, gegevens over het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving:

  1. waarvan de emissie van PM10 vanuit de dierenverblijven meer bedraagt dan 800 kg per jaar; of

  2. waarvan de emissie van PM10 vanuit de dierenverblijven meer bedraagt dan 500 kg per jaar, als uit de op basis van het derde lid verzamelde gegevens blijkt dat de achtergrondconcentratie van PM10 hoger is dan 27 μg/m3.

Lid 3

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelt de volgende gegevens:

  1. de gemiddelde concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, PM2,5, PM10, benzeen, lood en koolmonoxide op een schaalniveau van 1 bij 1 km, met:

    1. gegevens van het voorafgaande kalenderjaar; en

    2. de verwachte concentraties voor de daaropvolgende kalenderjaren tot en met het jaar 2030;

  2. de correcties voor dubbeltellingen van de lokale bijdragen van wegen in beheer bij het Rijk aan de gemiddelde concentraties van stikstofdioxide, PM2,5 en PM10 op een schaalniveau van 1 bij 1 km, met:

    1. gegevens van het voorafgaande kalenderjaar; en

    2. de verwachte correcties voor de daaropvolgende kalenderjaren tot en met het jaar 2030;

  3. de meteorologische gegevens van het voorafgaande kalenderjaar en de tienjarige gemiddelde meteorologische gegevens;

  4. gegevens over de terreinruwheid op een schaal van 1 bij 1 km; en

  5. het gebruik van wegen in beheer bij het Rijk.

Lid 4

In aanvulling op het eerste tot en met derde lid worden gegevens verzameld over de locaties van monitoringspunten waar de luchtkwaliteit wordt beoordeeld.

Artikel 11.23

Lid 1

Door monitoring worden bewaakt:

  1. de jaargemiddelde concentraties in de buitenlucht van:

    1. de chemische samenstellingen van PM2,5, waaronder in ieder geval sulfaat, nitraat, natrium, kalium, ammonium, chloride, calcium, magnesium, elementair koolstof en organisch koolstof;

    2. vluchtige organische stoffen;

  2. de jaargemiddelde achtergrondconcentraties in de buitenlucht van:

    1. arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen; en

    2. andere relevante polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen, waaronder in ieder geval benzo(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, indeen(1,2,3-cd)pyreen en dibenzo(a,h)antraceen;

  3. de jaargemiddelde depositie van:

    1. arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen; en

    2. de onder b, onder 2°, bedoelde andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen;

  4. de totale jaarlijkse antropogene emissies van in Nederland gelegen bronnen van de volgende stoffen:

    1. cadmium, kwik en lood; en

    2. persistente organische verontreinigende stoffen, zijnde polycyclische aromatische koolwaterstoffen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen indeen(1,2,3-cd)pyreen, dioxine/furaan, polychloorbifenylen en hexachloorbenzeen; en

  5. de negatieve effecten van de verontreiniging van de buitenlucht op ecosystemen.

Lid 2

Monitoring vindt plaats door metingen en berekeningen volgens bij ministeriële regeling gestelde regels.

Lid 3

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met de uitvoering van de monitoring.

Artikel 11.24

Lid 1

Er is een landelijk register voor middelgrote stookinstallaties.

Lid 2

Het register wordt beheerd door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Lid 3

Het register is voor eenieder langs elektronische weg toegankelijk.

Lid 4

Het register bevat in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 4.1327 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Lid 5

De gegevens worden in het register opgenomen vanaf de dag waarop een melding is ontvangen of een omgevingsvergunning is verleend.

Artikel 11.25

Lid 1

Er is een landelijk register op het gebied van certificering van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties.

Lid 2

Het register wordt beheerd door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Lid 3

Het register is voor eenieder langs elektronische weg toegankelijk.

Lid 4

Het register bevat gegevens over certificatie-instellingen en certificatieschema’s als bedoeld in artikel 3.73, onder a, en de door de certificatie-instellingen verstrekte gegevens over certificaathouders als bedoeld in artikel 6.44 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Lid 5

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de gegevens die in het register worden opgenomen.

Artikel 11.26

Lid 1

Als een certificatie-instelling als bedoeld in artikel 3.73, onder a, in staat van faillissement komt te verkeren of surseance van betaling is verleend, informeert zij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onverwijld hierover.

Lid 2

De certificatie-instelling verstrekt gegevens over certificaathouders als bedoeld in artikel 6.44 van het Besluit bouwwerken leefomgeving aan de minister ten behoeve van het landelijk register, bedoeld in artikel 11.25.

Lid 3

De certificatie-instelling verstrekt op verzoek kosteloos aan de minister de voor de uitoefening van zijn taken benodigde inlichtingen.

Lid 4

De certificatie-instelling zendt de minister jaarlijks een verslag van de verrichte werkzaamheden, de rechtmatigheid en doeltreffendheid van die werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar en de signaleringen, bedoeld in artikel 6.46 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over dit verslag.

Lid 5

De nationale accreditatie-instantie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie, meldt aan de minister de intrekking of schorsing van een accreditatie van een certificatie-instelling.

Lid 6

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de uitwisseling van informatie tussen certificatie-instellingen onderling en over de uitwisseling van informatie tussen certificatie-instellingen en de minister.

Artikel 11.27

Door monitoring worden bewaakt:

  1. de toestand per kwaliteitselement van een kunstmatig of sterk veranderd krw-oppervlaktewaterlichaam, uitgewerkt voor het type krw-oppervlaktewaterlichaam;

  2. de stoffen op de aandachtstoffenlijst, bedoeld in artikel 8 ter, eerste lid, van de richtlijn prioritaire stoffen;

  3. de indicatoren die een mogelijke bedreiging vormen voor de kwaliteit van water uit krw-oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen dat wordt onttrokken voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water, en de parameters, stoffen en verontreinigende stoffen, bedoeld in de artikelen 8, tweede en vierde lid, en 13, achtste lid, van de drinkwaterrichtlijn;

  4. de tendensen over de concentraties van stoffen in grondwaterlichamen;

  5. escherichia coli of andere indicatoren in schelpdierwater;

  6. de concentraties van verontreinigende stoffen uit bestaande verontreinigingspluimen in een grondwaterlichaam waarvoor aanvullende trendbeoordelingen als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de grondwaterrichtlijn nodig zijn; en

  7. de parameters nodig voor monitoring voor nader onderzoek in gevallen als bedoeld in bijlage V, onder 1.3.3, bij de kaderrichtlijn water.

Artikel 11.27a

Lid 1

Door monitoring wordt bewaakt de concentratie van lood in collectieve leidingnetten en woninginstallaties als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet voor zover het gaat om:

  1. woonfuncties voor gastouderopvang als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang;

  2. bijeenkomstfuncties voor kinderopvang; en

  3. onderwijsfuncties voor basisonderwijs.

Lid 2

Het eerste lid is van toepassing als uit de algemene analyse van de risicobeoordeling, bedoeld in artikel 3.15b, specifieke risico’s voor de drinkwaterkwaliteit en de gezondheid van de mens van de parameter lood zijn vastgesteld.

Lid 3

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stellen een monitoringsprogramma vast dat de methode van monitoring bevat.

Lid 4

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van de monitoring.

Artikel 11.28

Lid 1

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt een monitoringsprogramma kaderrichtlijn water vast.

Lid 2

Het monitoringsprogramma bevat de methode van monitoring van:

  1. de toestand van een waterlichaam per stof en kwaliteitselement voor de beoordeling van de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid; en

  2. de andere parameters, bedoeld in artikel 11.27.

Lid 3

Voor de uitwerking van de methode van monitoring van de parameters, bedoeld in artikel 11.27, onder f en g, wordt het monitoringsprogramma vastgesteld door:

  1. voor krw-oppervlaktewaterlichamen: de bestuursorganen die op grond van de artikelen 4.2, eerste lid, onder a, en 4.4, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit bevoegd zijn een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verlenen; en

  2. voor grondwaterlichamen: gedeputeerde staten.

Artikel 11.29

Lid 1

Met het monitoringsprogramma wordt beoogd een samenhangend totaalbeeld te verkrijgen van de watertoestand binnen het Nederlandse deel van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems.

Lid 2

In het monitoringsprogramma worden:

  1. de monitoringspunten aangewezen; en

  2. de indicatoren, bedoeld in artikel 11.27, onder c en e, uitgewerkt, en de stoffen, bedoeld in artikel 11.27, onder d, aangeduid.

Lid 3

Het monitoringsprogramma bevat de methode van:

  1. de beoordeling of voor een kunstmatig of sterk veranderd krw-oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid;

  2. de beoordeling of aan het einde van de programmaperiode de doelstelling van geen achteruitgang van de toestand van een waterlichaam, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, gedurende de programmaperiode wordt bereikt;

  3. de beoordeling of de doelstelling van ombuiging van significante en stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17, eerste lid, wordt bereikt;

  4. de beoordeling of de doelstelling van geen bacteriële besmetting van schelpdierwater, bedoeld in artikel 4.19, wordt bereikt; en

  5. de beoordeling of de doelstellingen van verbetering en de doelstelling van geen achteruitgang van de kwaliteit van waterlichamen met betrekking tot waterwinlocaties, bedoeld in artikel 4.21, worden bereikt.

Lid 4

Het monitoringsprogramma wordt vastgesteld in overeenstemming met de kaderrichtlijn water, de grondwaterrichtlijn, de drinkwaterrichtlijn, de richtlijn prioritaire stoffen en richtlijn 2009/90/EG van de Commissie van de Europese Unie van 31 juli 2009 tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand krachtens richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2009, L 201).

Artikel 11.30

Lid 1

Het monitoringsprogramma bevat de methode van:

  1. vaststelling van de toestandsklasse waarin een waterlichaam zich bevindt, per stof en kwaliteitselement; en

  2. indeling van een krw-oppervlaktewaterlichaam of een grondwaterlichaam in een toestandsklasse, waarbij de indeling in een toestandsklasse overeenkomt met:

    1. bij een krw-oppervlaktewaterlichaam: de laagste toestandsklasse waarin de chemische toestand, de ecologische toestand of het ecologische potentieel verkeert; en

    2. bij een grondwaterlichaam: de laagste toestandsklasse waarin de kwantitatieve toestand of de chemische toestand verkeert.

Lid 2

Het monitoringsprogramma voorziet bij de vaststelling en indeling, bedoeld in het eerste lid, in de volgende toestandsklassen:

  1. voor een krw-oppervlaktewaterlichaam:

    1. voor de chemische toestand: een goede chemische toestand en geen goede chemische toestand;

    2. voor de ecologische toestand: een zeer goede ecologische toestand, een goede ecologische toestand, een matige ecologische toestand, een ontoereikende ecologische toestand en een slechte ecologische toestand; en

    3. voor het ecologische potentieel: een goed ecologisch potentieel, een matig ecologisch potentieel, een ontoereikend ecologisch potentieel en een slecht ecologisch potentieel; en

  2. voor een grondwaterlichaam:

    1. voor de kwantitatieve toestand: een goede kwantitatieve toestand en een ontoereikende kwantitatieve toestand; en

    2. voor de chemische toestand: een goede chemische toestand en een ontoereikende chemische toestand.

Artikel 11.31

Het monitoringsprogramma bevat eisen aan de verstrekking van de monitoringsresultaten en de beoordeling daarvan door het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en aan de verstrekking van de monitoringsresultaten en overige informatie en gegevens als bedoeld in de artikelen 8, vijfde lid, en 13, achtste lid, van de drinkwaterrichtlijn door de genoemde bestuursorganen aan drinkwaterbedrijven als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet.

Artikel 11.32

Het monitoringsprogramma wordt getoetst en zo nodig bijgesteld als niet wordt voldaan aan een omgevingswaarde als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, of 2.15, eerste lid, of als een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12 of een doelstelling als bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, 4.17, eerste lid, 4.19 of 4.21 niet wordt bereikt.

Artikel 11.33

Lid 1

De bestuursorganen die op grond van de artikelen 4.2, eerste lid, onder a, en 4.4, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit bevoegd zijn een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verlenen, zijn belast met de uitvoering van de monitoring volgens het monitoringsprogramma voor krw-oppervlaktewaterlichamen.

Lid 2

Gedeputeerde staten zijn belast met de uitvoering van de monitoring volgens het monitoringsprogramma voor grondwaterlichamen.

Artikel 11.34

Het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten, Onze Minister voor Natuur en Stikstof en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelen als gegevens de beschermde gebieden, bedoeld in bijlage IV bij de kaderrichtlijn water, voor zover die beschermde gebieden bij hen in beheer zijn. Voor beschermde gebieden die zijn aangewezen voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water vindt de gegevensverzameling mede plaats overeenkomstig de artikelen 8, tweede lid, en 13, achtste lid, van de drinkwaterrichtlijn.

Artikel 11.35

Het dagelijks bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelen de benodigde gegevens voor het opstellen van stroomgebiedsbeheerplannen, bedoeld in artikel 4.6, voor de watersystemen die bij hen in beheer zijn.

Artikel 11.36

Lid 1

Het gemeentebestuur verzamelt de benodigde gegevens voor de analyses en beoordeling, bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn water, voor zover het gaat om de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater.

Lid 2

Het dagelijks bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelen de benodigde gegevens voor de analyses en beoordeling, bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn water, voor de watersystemen die bij hen in beheer zijn.

Lid 3

De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, verrichten de analyses en beoordeling, bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn water, voor hun aandeel.

Artikel 11.37

Het dagelijks bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelen gegevens over de voortgang van de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, 4.4, derde lid, aanhef en onder a, 4.10, derde lid, aanhef en onder a, en 6.1, voor de watersystemen die bij hen in beheer zijn.

Artikel 11.38

Lid 1

Door monitoring wordt bewaakt de milieutoestand van de Nederlandse mariene wateren.

Lid 2

Monitoring vindt plaats door metingen, bemonsteringen, tellen of het op andere wijze verzamelen van gegevens.

Lid 3

Ter voorbereiding van het programma van maatregelen mariene strategie en ter uitvoering van het eerste en tweede lid stelt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister voor Natuur en Stikstof, het monitoringsprogramma, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, van de kaderrichtlijn mariene strategie, vast.

Lid 4

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister voor Natuur en Stikstof, is belast met de uitvoering van de monitoring.

Artikel 11.39

Het bevoegd gezag dat de zorg heeft voor een zuiveringtechnisch werk verzamelt gegevens over de stand van zaken van de inzameling, het transport en de behandeling van stedelijk afvalwater en de afvoer van slib.

Artikel 11.40

Lid 1

Er zijn een of meer registers van de beschermde gebieden, bedoeld in artikel 11.34.

Lid 2

Het register wordt of de registers worden beheerd door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overeenstemming met artikel 6 van de kaderrichtlijn water.

Lid 3

Het register wordt voortdurend geactualiseerd.

Artikel 11.41

Het dagelijks bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stellen een verslag op over de resultaten van de monitoring van de andere parameters voor waterkwaliteit, bedoeld in artikel 11.27.

Artikel 11.42

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt een verslag op over de stand van zaken van de inzameling, het transport en de behandeling van stedelijk afvalwater en de afvoer van slib, bedoeld in artikel 11.39, die door het bevoegd gezag dat de zorg heeft voor een zuiveringtechnisch werk op grond van artikel 10.35, eerste lid, van het Omgevingsbesluit zijn verstrekt.

Artikel 11.43

Lid 1

De monitoring voor de omgevingswaarde voor zwemlocaties, bedoeld in artikel 2.19, vindt plaats door het bemonsteren, meten, berekenen en analyseren van de percentielwaarden intestinale enterokokken en escherichia coli volgens bij ministeriële regeling gestelde regels.

Lid 2

De beheerder van het oppervlaktewaterlichaam waarin de zwemlocatie is gelegen, is belast met de uitvoering van de monitoring.

Artikel 11.44

Lid 1

In een zwemlocatie worden door monitoring bewaakt:

  1. de mogelijke overmatige groei van cyanobacteriën;

  2. de neiging tot overmatige groei van macroalgen of marien fytoplankton; en

  3. zwemwaterverontreinigingen door teerachtige residuen, glas, plastic, rubber of ander afval.

Lid 2

Monitoring van de mogelijke overmatige groei van cyanobacteriën vindt plaats in overeenstemming met het Blauwalgenprotocol.

Lid 3

Monitoring van zwemwaterverontreinigingen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, vindt plaats door visuele inspectie.

Lid 4

De beheerder van het oppervlaktewaterlichaam waarin de zwemlocatie is gelegen, is belast met de uitvoering van de monitoring.

Artikel 11.45

Lid 1

Monitoring voor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden vindt plaats door het geluid op geluidreferentiepunten te berekenen volgens bij ministeriële regeling gestelde regels.

Lid 2

Voor de beoordeling of aan de voor een weg of spoorweg geldende geluidproductieplafonds als omgevingswaarden wordt voldaan, wordt een geluidbeperkende maatregel bestaande uit een werk of bouwwerk alleen betrokken als deze onderdeel is van de geluidbrongegevens behorende bij het geluidproductieplafond en aanwezig is.

Lid 3

Voor de beoordeling of aan de voor een industrieterrein geldende geluidproductieplafonds als omgevingswaarden wordt voldaan, wordt een werk of bouwwerk alleen betrokken als dat aanwezig is.

Lid 4

De volgende bestuursorganen of instanties zijn belast met de uitvoering van de monitoring:

  1. het college van burgemeester en wethouders voor industrieterreinen;

  2. gedeputeerde staten voor bij omgevingsverordening aangewezen wegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen;

  3. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor bij ministeriële regeling aangewezen wegen; en

  4. de beheerder, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet, voor bij ministeriële regeling aangewezen hoofdspoorwegen.

Artikel 11.46

Lid 1

Het college van burgemeester en wethouders verzamelt gegevens voor de basisgeluidemissie van:

  1. gemeentewegen; en

  2. lokale spoorwegen voor zover deze niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen.

Lid 2

Het dagelijks bestuur van het waterschap verzamelt gegevens voor de basisgeluidemissie van waterschapswegen.

Lid 3

De gegevens worden uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip verzameld voor de basisgeluidemissie over een kalenderjaar, maar uiterlijk het jaar 2026.

Lid 4

De gegevens omvatten in ieder geval:

  1. de geluidbrongegevens; en

  2. het geluidaandachtsgebied.

Lid 5

De verkeersintensiteit van wegen en lokale spoorwegen, bedoeld in het derde lid, onder a, wordt geteld of berekend. De verkeersintensiteit van wegen, bedoeld in het derde lid, onder b, wordt geteld, berekend of geschat.

Artikel 11.47

Lid 1

Door monitoring wordt bewaakt het verschil tussen de geluidemissie in Lden en de basisgeluidemissie van gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen, voor zover deze niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen.

Lid 2

Het verschil tussen de geluidemissie en de basisgeluidemissie wordt berekend voor:

  1. wegen met een verkeersintensiteit van 4.500 of meer motorvoertuigen per etmaal; en

  2. lokale spoorwegen.

Lid 3

Het verschil tussen de geluidemissie en de basisgeluidemissie wordt berekend of geschat voor wegen met een verkeersintensiteit van minder dan 4.500 motorvoertuigen per etmaal.

Lid 4

De volgende bestuursorganen zijn belast met de uitvoering van de monitoring:

  1. het college van burgemeester en wethouders voor gemeentewegen en lokale spoorwegen, voor zover deze niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen; en

  2. het dagelijks bestuur van het waterschap voor waterschapswegen.

Lid 5

Op het berekenen van de geluidemissie en het schatten van het verschil tussen de geluidemissie en de basisgeluidemissie zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 11.48

Voor de uitvoering van de monitoring verzamelen het college van burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van een waterschap in ieder geval geluidbrongegevens en daarop betrekking hebbende gegevens.

Artikel 11.49

Lid 1

Gedeputeerde staten houden bij:

  1. op welke wegen of delen van wegen, niet zijnde wegen in beheer bij het Rijk, naar verwachting in het daaropvolgende kalenderjaar meer dan drie miljoen maal een voertuig zal passeren;

  2. op welke spoorwegen of delen van spoorwegen, niet zijnde hoofdspoorwegen of spoorwegen die zijn gelegen in een bij ministeriële regeling aangewezen agglomeratie, naar verwachting in het daaropvolgende kalenderjaar meer dan 30.000 maal een trein zal passeren; en

  3. op welke burgerluchthavens van regionale betekenis naar verwachting in het daaropvolgende kalenderjaar meer dan 50.000 vliegtuigbewegingen zullen plaatsvinden, oefenvluchten met lichte vliegtuigen niet meegerekend.

Lid 2

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat houdt bij op welke overige burgerluchthavens van nationale betekenis naar verwachting in het daaropvolgende kalenderjaar meer dan 50.000 vliegtuigbewegingen zullen plaatsvinden, oefenvluchten met lichte vliegtuigen niet meegerekend.

Artikel 11.50

Lid 1

Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente die behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen agglomeratie verzamelt gegevens over de geluidbelasting in Lden en in Lnight door:

  1. wegen en spoorwegen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de wet;

  2. luchthavens als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de wet, voor zover de geluidbelasting binnen de gemeente meer is dan 55 Lden of 50 Lnight; en

  3. een activiteit of een samenstel van activiteiten als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder d, van de wet, voor zover het gaat om:

    1. activiteiten die worden verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, voor zover het geluid door dat industrieterrein meer is dan 55 Lden of 50 Lnight;

    2. activiteiten in een gebied waarvoor in het omgevingsplan voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van geluid een hogere waarde is vastgesteld dan de standaardwaarden, bedoeld in artikel 5.65, eerste lid, aanhef en onder a, tweede, derde, of vierde lid, voor zover de geluidbelasting door die activiteiten op omliggende geluidgevoelige gebouwen meer kan zijn dan 55 Lden of 50 Lnight; of

    3. activiteiten buiten een gebied als bedoeld onder 2° voor zover de ten hoogste toegelaten geluidbelasting door die activiteiten meer is dan 55 Lden of 50 Lnight.

Lid 2

Gedeputeerde staten verzamelen gegevens over de geluidbelasting in Lden en in Lnight door de belangrijke wegen, belangrijke spoorwegen en belangrijke burgerluchthavens van regionale betekenis die op grond van artikel 10.40, tweede lid, onder a, van het Omgevingsbesluit zijn gepubliceerd.

Lid 3

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelt gegevens over de geluidbelasting in Lden en in Lnight door de wegen en spoorwegen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onder b, onder 1° en 2°, van de wet, de luchthaven Schiphol, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onder b, onder 3°, van de wet, en de belangrijke overige burgerluchthavens van nationale betekenis die op grond van artikel 10.40, tweede lid, onder b, van het Omgevingsbesluit zijn gepubliceerd.

Lid 4

De gegevensverzameling vindt plaats door berekening van:

  1. de geluidbelasting in Lden en in Lnight door de geluidbronnen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, in het kalenderjaar voorafgaand aan dat van de vaststelling van een geluidbelastingkaart; en

  2. het aantal geluidgevoelige gebouwen en bewoners van woningen dat aan bij ministeriële regeling vastgestelde waarden van de geluidbelasting in Lden en in Lnight wordt blootgesteld.

Lid 5

Op het berekenen van de geluidbelasting in Lden en in Lnight zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 11.51

Lid 1

Er is een landelijk geluidregister.

Lid 2

Het geluidregister wordt beheerd door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Lid 3

Het geluidregister is voor een ieder langs elektronische weg toegankelijk.

Artikel 11.52

Lid 1

Het geluidregister bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  1. voor het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden:

    1. de waarde van het geluidproductieplafond;

    2. een aanduiding van het besluit waarmee het geluidproductieplafond is vastgesteld;

    3. de ligging van het geluidreferentiepunt;

    4. de geluidbrongegevens;

    5. het geluidaandachtsgebied;

    6. het geluid op een geluidreferentiepunt, bedoeld in artikel 11.45, eerste lid, over elk kalenderjaar;

    7. een verwijzing naar het internetadres waar het verslag van de monitoring van geluidproductieplafonds, bedoeld in artikel 11.45, elektronisch beschikbaar is gesteld; en

    8. voor wegen en spoorwegen, het kalenderjaar waar de geluidbrongegevens betrekking op hebben;

  2. voor het geluid door wegen en spoorwegen met een basisgeluidemissie:

    1. de waarde van de basisgeluidemissie per weg, spoorweg of gedeelte daarvan;

    2. een verwijzing naar de vindplaats waar het verslag van de waarde van de basisgeluidemissie, bedoeld in artikel 11.46, elektronisch is gepubliceerd;

    3. de geluidbrongegevens;

    4. het geluidaandachtsgebied;

    5. het verschil tussen de geluidemissie in Lden en de basisgeluidemissie, bedoeld in artikel 11.47;

    6. een verwijzing naar de vindplaats waar het verslag van de monitoring van de basisgeluidemissie, bedoeld in artikel 11.47, elektronisch is gepubliceerd; en

    7. het kalenderjaar waar de geluidbrongegevens betrekking op hebben;

  3. voor het geluid door luchtvaart:

    1. de 48 Lden geluidcontour, de 20 Kosteneenheden geluidcontour en de binnen die contouren gelegen 1 Lden geluidcontouren; en

    2. een aanduiding van het besluit waarin de 48 Lden geluidcontour of de 20 Kosteneenheden geluidcontour is vastgesteld;

  4. voor het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein:

    1. de geluidbrongegevens; en

    2. een aanduiding van het document op basis waarvan de activiteit rechtmatig wordt verricht en waaraan die gegevens zijn ontleend; en

  5. voor het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein:

    1. het gebied waarbinnen dat geluid hoger is dan 50 Bs,dan;

    2. de binnen die contouren gelegen 1 Bs,dan-geluidcontouren; en

    3. een aanduiding van het document op basis waarvan de activiteit rechtmatig wordt verricht en waaraan de gegevens zijn ontleend.

Lid 2

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 4°, zijn niet herleidbaar tot activiteiten als het gaat om informatie die is aangemerkt als staatsgeheim als bedoeld in het Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013 (VIRBI 2013).

Lid 3

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden na ontvangst door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat onverwijld in het geluidregister opgenomen.

Artikel 11.53

Lid 1

Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente die behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen agglomeratie stelt geluidbelastingkaarten vast voor de geluidbronnen, bedoeld in artikel 11.50, eerste lid.

Lid 2

Gedeputeerde staten stellen geluidbelastingkaarten vast voor de geluidbronnen, bedoeld in artikel 11.50, tweede lid.

Lid 3

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt geluidbelastingkaarten vast voor de geluidbronnen, bedoeld in artikel 11.50, derde lid.

Artikel 11.54

Geluidbelastingkaarten verbeelden in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 11.50, vierde lid, en stille gebieden als bedoeld in de artikelen 4.23, tweede lid, en 4.24, tweede lid.

Artikel 11.55

Voor de toepassing van paragraaf 11.2.6 wordt verstaan onder:

  1. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 11.56;

  2. activiteit: activiteit als bedoeld in bijlage I bij de PRTR-verordening.

Artikel 11.56

Als instantie als bedoeld in artikel 2, onder 2, van de PRTR-verordening wordt aangewezen het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij die verordening.

Artikel 11.57

Lid 1

Het bevoegd gezag beoordeelt de kwaliteit van het PRTR-verslag uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar.

Lid 2

Het bevoegd gezag kan uiterlijk op de datum, bedoeld in het eerste lid, verklaren dat het PRTR-verslag niet voldoet aan artikel 5.10, 5.12 of 5.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Lid 3

Het bevoegd gezag kan de afgifte van de verklaring voor ten hoogste drie maanden uitstellen.

Lid 4

Het bevoegd gezag kan na de datum, bedoeld in het eerste lid, of, als toepassing is gegeven aan het derde lid, na de datum die met toepassing daarvan is vastgesteld, alsnog verklaren dat het PRTR-verslag niet voldoet aan de eisen, als:

  1. het verslag onjuiste of onvolledige gegevens bevat; of

  2. het verslag op een andere manier onjuist is en degene die het verslag heeft ingediend dat weet of behoort te weten.

Lid 5

De bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, vervalt vijf jaar na afloop van het verslagjaar.

Artikel 11.58

Als niet tijdig een PRTR-verslag is ingediend, kan het bevoegd gezag uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar verklaren dat geen PRTR-verslag is ingediend.

Artikel 11.59

Een verklaring als bedoeld in artikel 11.57, tweede of vierde lid, of 11.58 treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop die verklaring is bekendgemaakt. Als gedurende die termijn bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt de verklaring niet in werking voordat op dat verzoek is beslist.

Artikel 11.60

Lid 1

Het bevoegd gezag kan, op verzoek van degene die de activiteit verricht of ambtshalve, beslissen dat bepaalde in een PRTR-verslag opgenomen gegevens niet aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat worden verstrekt. Artikel 5.1 van de Wet open overheid is van overeenkomstige toepassing.

Lid 2

Een ambtshalve besluit als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar genomen.

Lid 3

Een besluit als bedoeld in het eerste lid treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekendgemaakt. Als gedurende die termijn bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt het besluit niet in werking voordat op dat verzoek is beslist.

Artikel 11.61

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelt gegevens over emissies van verontreinigende stoffen uit diffuse bronnen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 9, van het PRTR-protocol, voor zover het opnemen van die gegevens in het PRTR uitvoerbaar is. De gegevens omvatten ook informatie over de methode die is toegepast om de gegevens te verzamelen.

Artikel 11.62

Lid 1

Er is een PRTR dat gegevens bevat over de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen.

Lid 2

Het PRTR wordt beheerd door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overeenstemming met artikel 5 van het PRTR-protocol.

Lid 3

Het PRTR is voor een ieder langs elektronische weg toegankelijk.

Artikel 11.63

Lid 1

Het PRTR bevat:

  1. de in overeenstemming met artikel 10.44 van het Omgevingsbesluit aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verstrekte gegevens en gemelde verklaringen; en

  2. de in overeenstemming met artikel 11.61 verzamelde gegevens over emissies van verontreinigende stoffen vanuit diffuse bronnen, voor zover die gegevens een voldoende mate van ruimtelijke detaillering bezitten.

Lid 2

Als in het PRTR gegevens over emissies van verontreinigende stoffen vanuit diffuse bronnen worden opgenomen, wordt ook de methode aangegeven waarmee die gegevens zijn verzameld.

Lid 3

Als het bevoegd gezag in het PRTR-verslag opgenomen gegevens met toepassing van artikel 10.45 van het Omgevingsbesluit niet aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft verstrekt, bevat het PRTR:

  1. het type informatie dat geheim is gehouden;

  2. in een geval als bedoeld in artikel 10.45, derde lid, van het Omgevingsbesluit: de naam van de groep verontreinigende stoffen waartoe de geheimgehouden verontreinigende stof behoort;

  3. de uitzonderingsgrond uit artikel 5.1 van de Wet open overheid op grond waarvan tot geheimhouding is besloten; en

  4. de samenvatting van de motivering van de beslissing waarbij tot geheimhouding is besloten.

Artikel 11.63a

Lid 1

Er is een Zeer Zorgwekkende Stoffen-emissieregister.

Lid 2

Het register wordt beheerd door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Lid 3

Het register is voor een ieder langs elektronische weg toegankelijk.

Lid 4

Het register bevat in elk geval de gegevens die zijn verstrekt overeenkomstig artikel 5.24a, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van:

  1. de gegevens die zijn aangemerkt als staatsgeheim als bedoeld in het Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013; en

  2. de gegevens die betrekking hebben op het exploiteren van een militaire zeehaven, bedoeld in artikel 3.323 van het van het Besluit activiteiten leefomgeving, of het exploiteren van een militaire luchthaven, bedoeld in artikel 3.326 van dat besluit.

Artikel 11.64

Het college van burgemeester en wethouders en, voor zover een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument is gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeeld gebied, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verzamelen de volgende gegevens over omgevingsvergunningen voor een rijksmonumentenactiviteit:

  1. de datum van de omgevingsvergunning;

  2. het kenmerk van de omgevingsvergunning;

  3. de locatie van het rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft en de relevante kadastrale gegevens van die locatie; en

  4. de aard van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend.

Artikel 11.65

Lid 1

Er zijn registers over omgevingsvergunningen voor een rijksmonumentenactiviteit.

Lid 2

Een register als bedoeld in het eerste lid wordt beheerd door het college van burgemeester en wethouders of, als een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument is gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeeld gebied, door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Lid 3

De registers zijn openbaar.

Lid 4

De registers bevatten in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 11.64.

Lid 5

De gegevens, bedoeld in artikel 11.64, worden in het register opgenomen binnen een week na de dag waarop de omgevingsvergunning is verleend.

Artikel 11.66

Lid 1

Door monitoring worden bewaakt de emissies van de broeikasgassen, bedoeld in bijlage V, deel 2, bij de verordening governance van de energie-unie.

Lid 2

Monitoring vindt plaats door het voor die broeikasgassen opstellen van de broeikasgasinventarissen, bedoeld in artikel 26 van de verordening governance van de energie-unie, en het nationale inventarisatiesysteem, bedoeld in artikel 37 van die verordening.

Lid 3

Onze Minister voor Klimaat en Energie is belast met de uitvoering van de monitoring.

Artikel 11.67

Lid 1

Door monitoring worden bewaakt:

  1. de staat van instandhouding van:

    1. de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten;

    2. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, genoemd in de bijlagen I en II bij de habitatrichtlijn; en

    3. de dier- en plantensoorten, genoemd in de bijlagen IV en V bij de habitatrichtlijn; en

  2. de voortgang van de inspanningen voor het bereiken van de doelstellingen uit de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn.

Lid 2

Onze Minister voor Natuur en Stikstof is belast met de uitvoering van de monitoring van de staat van instandhouding van de habitats en soorten.

Lid 3

Onze Minister voor Natuur en Stikstof en gedeputeerde staten gezamenlijk zijn belast met de monitoring van de voortgang van de inspanningen voor het bereiken van de doelstellingen uit de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn.

Artikel 11.68

Lid 1

Monitoring voor de omgevingswaarden voor stikstofdepositie, bedoeld in artikel 2.15a, eerste lid, van de wet, vindt plaats door metingen, berekeningen of het op andere wijze verzamelen van gegevens.

Lid 2

Onze Minister voor Natuur en Stikstof is belast met de uitvoering van de monitoring.

Artikel 11.69

Lid 1

De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoering van de maatregelen, opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering, verzamelen gegevens over de voortgang en de gevolgen van die maatregelen.

Lid 2

De bestuursorganen die verantwoordelijk zijn voor de vaststelling van het beheerplan, bedoeld in de artikelen 3.8, derde lid, en 3.9, derde lid, van de wet, verzamelen gegevens over de ontwikkeling van de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden.

Artikel 11.69a

Onze Minister voor Natuur en Stikstof verzamelt gegevens, ook op basis van de gegevens, bedoeld in artikel 10.36da van het Omgevingsbesluit, over de mate waarin wordt voldaan aan de tussentijdse doelstellingen, bedoeld in artikel 4.27, tweede lid.

Artikel 11.69b

Gedeputeerde staten verzamelen voor elke voor stikstof gevoelige habitat in de Natura 2000-gebieden in de betrokken provincie in ieder geval de volgende gegevens voor de gebiedsgerichte uitwerking van de landelijke omgevingswaarde en het programma stikstofreductie en natuurverbetering:

  1. voor zover het programma niet meer actueel is:

    1. de omvang van de stikstofdepositie en de bronnen daarvan, onderscheiden naar de belangrijkste sectoren en naar de afkomst van binnen en buiten de provincie, en de mate waarin de kritische depositiewaarde wordt overschreden; en

    2. de verwachte autonome ontwikkeling van de stikstofemissie door bronnen binnen en buiten de betrokken Natura 2000-gebieden en de gevolgen daarvan voor de omvang van stikstofdepositie in de voor stikstof gevoelige habitats;

  2. de binnen en buiten de betrokken Natura 2000-gebieden in de provincie getroffen of te treffen maatregelen die bijdragen aan:

    1. het verminderen van de stikstofdepositie met het oog op het tijdig voldoen aan de omgevingswaarden voor stikstofdepositie, bedoeld in artikel 2.15a, eerste lid, van de wet en aan de tussentijdse doelstellingen om tijdig te voldoen aan die omgevingswaarden, bedoeld in artikel 4.27, tweede lid, onder a; en

    2. het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen;

  3. de verwachte sociaal-economische effecten en de weging van de haalbaarheid en doelmatigheid en doeltreffendheid van de maatregelen, bedoeld onder b; en

  4. de verwachte gevolgen van de maatregelen, bedoeld onder b, voor de omvang van de stikstofdepositie respectievelijk het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen.

Artikel 11.69c

Onze Minister voor Natuur en Stikstof stelt de volgende verslagen op met de volgende frequentie:

  1. elk jaar:

    1. een verslag over de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarden voor stikstofdepositie, bedoeld in artikel 11.68; en

    2. een verslag over de mate waarin wordt voldaan aan de tussentijdse doelstellingen om tijdig aan die omgevingswaarden te voldoen, bedoeld in artikel 4.27, tweede lid, onder a, op basis van de gegevens, bedoeld in artikel 11.69a;

  2. elke twee jaar: een verslag over de voortgang en de gevolgen van de maatregelen, opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering op basis van de gegevens, bedoeld in artikel 10.36da, eerste lid, van het Omgevingsbesluit; en

  3. elke zes jaar: een verslag over de ontwikkeling van de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden op basis van de gegevens, bedoeld in artikel 10.36da, tweede lid, van het Omgevingsbesluit.

Artikel 11.70

Lid 1

Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verzamelt gegevens over de stikstofdepositieruimte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar, die beschikbaar is voor Natura 2000-activiteiten als gevolg van de vermindering van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door de volgende bronmaatregelen:

  1. de snelheidsverlaging voor de rijkswegen ingevolge het besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 19 december 2019, kenmerk RWS-2019/45657, Stcrt. 2019, 71032;

  2. de onomkeerbare sluiting van een varkenshouderijlocatie op grond van artikel 4, eerste lid, van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen; en

  3. andere maatregelen die bij ministeriële regeling voor de toepassing van dit artikel als bronmaatregel worden aangemerkt.

Lid 2

Het bevoegd gezag dat met toepassing van artikel 8.74e beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, met gebruikmaking van stikstofdepositieruimte als bedoeld in het eerste lid, verzamelt de volgende gegevens:

  1. reserveringen van stikstofdepositieruimte met het oog op toedeling aan omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten en het vervallen van die reserveringen;

  2. de toegedeelde stikstofdepositieruimte voor omgevingsvergunningen voor een Natura 2000-activiteit;

  3. de na het wijzigen of intrekken van een reservering of van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of na het beëindigen van de activiteit weer beschikbaar gekomen stikstofdepositieruimte; en

  4. de omzetting van in een vernietigde omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit toegedeelde stikstofdepositieruimte in voor de betrokken Natura 2000-activiteit gereserveerde stikstofdepositieruimte.

Lid 3

In afwijking van het tweede lid draagt het bestuursorgaan dat op grond van artikel 4.25 of 4.31 van het Omgevingsbesluit heeft beslist over instemming met de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning of dat op grond van artikel 4.37 van dat besluit of artikel 16.16, vierde lid, van de wet heeft bepaald dat instemming niet is vereist, zorg voor de in het tweede lid bedoelde gegevensverzameling, als stikstofdepositieruimte wordt gereserveerd voor of toegedeeld in een door een ander bestuursorgaan te nemen of genomen beslissing op de aanvraag om die omgevingsvergunning.

Lid 4

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder Natura 2000-activiteit verstaan een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 8.74e.

Artikel 11.71

Lid 1

Er is een register stikstofdepositieruimte.

Lid 2

Het register wordt beheerd door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Lid 3

Het register bevat de gegevens, bedoeld in artikel 11.70.

Lid 4

Het register wordt voortdurend geactualiseerd.

Lid 5

Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit neemt ten hoogste 70% van de vermindering van stikstofdepositie door een bronmaatregel als bedoeld in artikel 11.70, eerste lid, als stikstofdepositieruimte in het register op. Het percentage is ten hoogste 100% als de stikstofdepositieruimte is bestemd voor verlening van omgevingsvergunningen voor een Natura 2000-activiteit voor projecten die voldeden aan de voorwaarden van artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming, zoals dat luidde op 31 december 2019.

Lid 6

Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit neemt stikstofdepositieruimte die het gevolg is van vermindering van de stikstofdepositie door een bronmaatregel alleen in het register op:

  1. als voor de maatregel een wettelijk voorschrift, een besluit of een overeenkomst nodig is: nadat dat voorschrift of besluit in werking is getreden of die overeenkomst van kracht is geworden;

  2. voor zover de vermindering van stikstofdepositie met zekerheid en nauwkeurigheid kan worden vastgesteld; en

  3. als handhaving van de wettelijke voorschriften of overeengekomen voorwaarden en beperkingen die verband houden met de bronmaatregel voldoende is verzekerd.

Artikel 11.72

Lid 1

Reserveringen van stikstofdepositieruimte als bedoeld in artikel 8.74e, vierde lid, worden geregistreerd in de volgorde waarin de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit zijn ontvangen.

Lid 2

Als Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat voornemens is om voor een projectbesluit als bedoeld in artikel 8.74e, derde lid, onder b, stikstofdepositieruimte te gebruiken die is verkregen door de snelheidsverlaging voor de rijkswegen, bedoeld in artikel 11.70, eerste lid, onder a, reserveert hij die ruimte tijdelijk voor een periode van ten hoogste twee maanden. Hij kan deze termijn met ten hoogste twee maanden verlengen.

Lid 3

Voor zover dezelfde stikstofdepositieruimte nodig is voor zowel een of meer woningbouwprojecten als een projectbesluit als bedoeld in het tweede lid, zet Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de tijdelijke reservering alleen na toepassing van artikel 2.2 van de wet om in een definitieve reservering.

Artikel 11.73

De korpschef verzamelt de gegevens die de polis van de verzekering, bedoeld in artikel 11.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bevat.