Afdeling 2.1. Omgevingswaarden waarborgen van de veiligheid

Artikel 2.0a

Voor de veiligheid van primaire waterkeringen gelden de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.0c.

Artikel 2.0b

De omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen gelden voor een dijktraject als bedoeld in bijlage II, onder A, waarvan de locatie bij ministeriële regeling is begrensd.

Artikel 2.0c

Lid 1

Voor dijktrajecten als bedoeld in bijlage II, onder A, geldt de ten hoogste toelaatbare kans per jaar op verlies van waterkerend vermogen waardoor het door het dijktraject beschermde gebied overstroomt op een zodanige wijze en in zodanige mate dat dit leidt tot dodelijke slachtoffers of substantiële economische schade, bedoeld in bijlage II, onder B, kolom 1.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid geldt voor de dijktrajecten 201, 204a, 204b, 205, 206, 208 tot en met 212, 214 tot en met 219 en 222 tot en met 228 de ten hoogste toelaatbare kans per jaar op verlies van waterkerend vermogen waardoor de hydraulische belasting op een achterliggend dijktraject substantieel wordt verhoogd, bedoeld in bijlage II, onder B, kolom 2.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid geldt voor dijktraject 16-5 de ten hoogste toelaatbare kans op verlies van waterkerend vermogen waardoor het door het dijktraject beschermde gebied overstroomt op zodanige wijze en in zodanige mate dat dit leidt tot dodelijke slachtoffers of substantiële economische schade per keer dat het een hydraulische belasting ondervindt door het overstromen van het gebied dat door een voorliggend dijktraject beschermd is, bedoeld in bijlage II, onder B, kolom 3.

Lid 4

Voor de dijktrajecten 25-3, 27-3, 27-4, 31-3, 33-1, 34-3, 34-4 en 34-5 geldt ook de ten hoogste toelaatbare kans op verlies van waterkerend vermogen waardoor het door het dijktraject beschermde gebied overstroomt op een zodanige wijze en in zodanige mate dat dit leidt tot dodelijke slachtoffers of substantiële economische schade per keer dat een toename van hydraulische belasting optreedt door een maatregel gericht op het vergroten van de afvoer- of bergingscapaciteit van een watersysteem, bedoeld in bijlage II, onder B, kolom 4.

Lid 5

Voor de dijktrajecten 208 tot en met 210 en 225 geldt ook de ten hoogste toelaatbare kans op niet-sluiten van de stormvloedkering per keer dat het noodzakelijk is die te sluiten, bedoeld in bijlage II, onder B, kolom 5.

Artikel 2.0d

Lid 1

Aan de omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen wordt voldaan met ingang van 1 januari 2050.

Lid 2

De omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen zijn resultaatsverplichtingen.

Artikel 2.0e

Lid 1

Op het voldoen aan de omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen, voor zover die niet in beheer zijn bij het Rijk, kan in het waterbeheerprogramma een uitzondering worden gemaakt.

Lid 2

Het eerste lid geldt voor gevallen waarin:

  1. de maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarde staan geprogrammeerd op het onderdeel van het deltaprogramma, bedoeld in artikel 4.9 van de Waterwet, dat de maatregelen bevat die Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat of waterschappen moeten treffen om een reden als bedoeld in artikel 7.24, eerste lid, onder a, b of c, van die wet;

  2. het voldoen aan de omgevingswaarde onevenredig kostbaar is;

  3. door omstandigheden buiten de invloedssfeer van het algemeen bestuur van het waterschap de resultaten van de beoordeling van de veiligheid van de primaire waterkering zo wijzigen dat niet wordt of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde; of

  4. ondanks de verrichte handelingen daartoe niet binnen een passende termijn is of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde door de doorlooptijd van het treffen van maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarde.

Artikel 2.0f

Lid 1

Op het voldoen aan de omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen kan in het nationale waterprogramma, als het gaat om een primaire waterkering in beheer bij het Rijk, een uitzondering worden gemaakt.

Lid 2

Het eerste lid geldt voor gevallen als bedoeld in artikel 2.0e, tweede lid, onder b, c en d, waarbij in onderdeel c in plaats van «het algemeen bestuur van het waterschap» wordt gelezen «Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat».

Artikel 2.0g

Voor de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, als het gaat om waterkeringen die in beheer zijn bij het Rijk, genoemd in bijlage II, onder 2, onder B, bij het Omgevingsbesluit, gelden de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.0i.

Artikel 2.0h

De omgevingswaarden voor de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in beheer zijn bij het Rijk, gelden voor:

  1. dijktrajecten als bedoeld in bijlage IIa, onder A, waarvan de locaties bij ministeriële regeling zijn begrensd; of

  2. waterkerende kunstwerken in ingegraven delen van waterkeringen als bedoeld in bijlage IIa, onder A.

Artikel 2.0i

Lid 1

Voor dijktrajecten als bedoeld in bijlage IIa, onder A, geldt de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend, bedoeld in bijlage IIa, onder B.

Lid 2

Voor waterkerende kunstwerken in ingegraven delen van waterkeringen als bedoeld in bijlage IIa, onder A, geldt de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand waarop het kunstwerk moet zijn berekend van 1:100.

Artikel 2.0j

Lid 1

Aan de omgevingswaarden wordt voldaan met ingang van 1 januari 2032.

Lid 2

De omgevingswaarden voor de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in beheer zijn bij het Rijk, zijn resultaatsverplichtingen.

Artikel 2.0k

Lid 1

Op het voldoen aan de omgevingswaarden voor de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in beheer zijn bij het Rijk, kan in het nationale waterprogramma een uitzondering worden gemaakt.

Lid 2

Het eerste lid geldt voor gevallen als bedoeld in artikel 2.0e, tweede lid, onder b, c en d, waarbij in onderdeel c in plaats van «het algemeen bestuur van het waterschap» wordt gelezen «Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat».