Afdeling 3.3. Beheer van watersystemen en risicobeoordeling huishoudelijke leidingnetten drinkwater

Artikel 3.12

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt in ieder geval peilbesluiten als bedoeld in artikel 2.41, tweede lid, van de wet vast voor de volgende oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen of onderdelen daarvan:

  1. Noordzeekanaal, Afgesloten IJ en Amsterdam-Rijnkanaal;

  2. Grevelingenmeer;

  3. Veerse Meer;

  4. Volkerak-Zoommeer, Bathse Spuikanaal en Schelde-Rijnverbinding tussen het Volkerak-Zoommeer en de Kreekraksluizen; en

  5. IJsselmeer, Ketelmeer, Vossemeer, Zwarte Meer, Markermeer, IJmeer, Buiten-IJ, Gooimeer, Eemmeer, Wolderwijd, Nijkerkernauw, Nuldernauw, Veluwemeer en Drontermeer.

Artikel 3.13

Van de verplichting tot vaststelling van een legger, bedoeld in artikel 2.39, eerste lid, van de wet, zijn de volgende waterstaatswerken of delen daarvan vrijgesteld:

  1. de oppervlaktewaterlichamen Noordzee, Waddenzee, Eems-Dollard, Westerschelde en IJsselmeer, met inbegrip van het Zwarte Meer en het Ketelmeer; en

  2. de locaties binnen de oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk die niet op grond van artikel 2.21, eerste lid, van de wet zijn aangewezen als beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk.

Artikel 3.14

Lid 1

Bij waterschaarste of dreigende waterschaarste wordt, gelet op de verdeling van het beschikbare water over de maatschappelijke en ecologische behoeften, bij het beheer van watersystemen de volgende rangorde van behoeften in acht genomen:

  1. het waarborgen van de veiligheid tegen overstroming en het voorkomen van onomkeerbare schade;

  2. nutsvoorzieningen;

  3. kleinschalig hoogwaardig gebruik; en

  4. overige behoeften.

Lid 2

Bij de behoeften, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, komt achtereenvolgens prioriteit toe aan:

  1. de stabiliteit van waterkeringen;

  2. het voorkomen van klink en zettingen; en

  3. natuur, voor zover het gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade.

Lid 3

Bij de behoeften, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, komt achtereenvolgens prioriteit toe aan:

  1. de drinkwatervoorziening, voor zover het gaat om het waarborgen van de leveringszekerheid; en

  2. de energievoorziening, voor zover het gaat om het waarborgen van de leveringszekerheid.

Lid 4

Bij de behoeften, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, komt, gelet op het zo veel mogelijk beperken van de maatschappelijke en economische gevolgen, prioriteit toe aan:

  1. de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen; en

  2. het verwerken van industrieel proceswater.

Lid 5

Bij de overige behoeften, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, komt, gelet op het zo veel mogelijk beperken van de maatschappelijke en economische gevolgen, prioriteit toe aan:

  1. scheepvaart;

  2. landbouw;

  3. natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade;

  4. industrie;

  5. waterrecreatie;

  6. binnenvisserij;

  7. de drinkwatervoorziening, anders dan de drinkwatervoorziening, bedoeld in het derde lid, aanhef en onder a;

  8. de energievoorziening, anders dan de energievoorziening, bedoeld in het derde lid, aanhef en onder b; en

  9. overige belangen.

Artikel 3.15

Het door de beheerder vast te stellen calamiteitenplan, bedoeld in artikel 19.14 van de wet, bevat in ieder geval:

  1. een overzicht van de soorten calamiteiten die zich in de watersystemen of onderdelen daarvan kunnen voordoen, waaronder een inventarisatie van de daarmee gepaard gaande risico’s;

  2. een overzicht van te treffen maatregelen, met inbegrip van de maatregelen die voortkomen uit de voor die watersystemen geldende overstromingsrisicobeheerplannen, en het beschikbare materieel, benodigd om de verschillende calamiteiten het hoofd te bieden;

  3. een overzicht van de diensten, instanties en organisaties, die bij gevaar kunnen worden ingeschakeld;

  4. een beschrijving van het moment en de wijze waarop burgemeesters van de gemeenten en voorzitters van de veiligheidsregio’s waarbinnen de watersystemen of onderdelen daarvan liggen door de beheerder worden geïnformeerd;

  5. een schema van de calamiteitenorganisatie van de beheerder;

  6. een meld- en alarmeringsprocedure; en

  7. een overzicht waaruit blijkt hoe de beheerder de kwaliteit van de calamiteitenorganisatie waarborgt.

Artikel 3.15a

Lid 1

Het bestuursorgaan waaraan op grond van artikel 2.17, 2.18 of 2.19 van de wet het beheer of de bescherming van de kwaliteit van het desbetreffende grond- of oppervlaktewaterlichaam is toegedeeld voert de risicobeoordeling en het risicobeheer uit van onttrekkingsgebieden voor waterwinlocaties, bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, aanhef en onder a, 8, eerste, tweede en vierde lid, en 13, achtste lid, onder a, van de drinkwaterrichtlijn, voor die grond- of oppervlaktewaterlichamen waarvoor de maatschappelijke functie «drinkwateronttrekking» is vastgelegd in een regionaal waterprogramma of het nationale waterprogramma.

Lid 2

De risicobeoordeling en het risicobeheer, bedoeld in het eerste lid, worden voor de eerste maal uiterlijk op 12 juli 2027 uitgevoerd en vervolgens elke zes jaar geactualiseerd, of tussentijds als wijzigingen in de omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Lid 3

Als dat noodzakelijk is in het belang van de gezondheid worden zo nodig eerder maatregelen getroffen.

Artikel 3.15b

Lid 1

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voeren de risicobeoordeling uit van huishoudelijke leidingnetten, bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, aanhef en onder c, en zesde lid en 10, eerste lid, van de drinkwaterrichtlijn.

Lid 2

De risicobeoordeling van de huishoudelijke leidingnetten wordt voor de eerste keer uiterlijk op 12 januari 2029 uitgevoerd. De risicobeoordeling wordt om de zes jaar herzien, en waar nodig geactualiseerd.

Lid 3

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dragen zorg voor het treffen van maatregelen om de met het huishoudelijke leidingnet samenhangende risico’s te beperken als bedoeld in artikel 10, tweede en derde lid, van de drinkwaterrichtlijn.

Lid 4

Als dat noodzakelijk is in het belang van de gezondheid worden zo nodig eerder maatregelen getroffen.