Afdeling 3.7. Bescherming habitats en soorten
Artikel 3.56
Onverminderd de bij dit besluit voor taken en bevoegdheden op het gebied van de natuurbescherming en het beheer van natuurgebieden gestelde regels, houdt een bestuursorgaan bij de uitoefening daarvan rekening met de economische, sociale en culturele belangen, en met de regionale en lokale bijzonderheden.
Artikel 3.57
Lid 1
Het provinciebestuur draagt zorg voor het treffen van de maatregelen die nodig zijn voor:
de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen en leefgebieden in voldoende gevarieerdheid voor alle in Nederland van nature in het wild levende vogelsoorten en in het bijzonder de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten;
het behoud of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van de van nature in Nederland in het wild voorkomende dier- en plantensoorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn, van de in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, genoemd in bijlage I bij de habitatrichtlijn, en van de in Nederland voorkomende habitats van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; en
het behoud of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van de met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende van nature in Nederland in het wild voorkomende dier- en plantensoorten, genoemd in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet.
Lid 2
De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn zodanig afgestemd op de maatregelen van de provinciebesturen van de andere provincies, dat tezamen met die maatregelen de doelstellingen voor geheel Nederland kunnen worden bereikt.
Artikel 3.58
Lid 1
Een besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 2.44, eerste lid, van de wet bevat instandhoudingsdoelstellingen voor in ieder geval:
de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de vogelrichtlijn; of
de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de habitatrichtlijn.
Lid 2
In het besluit wordt de geometrische begrenzing van het gebied vastgelegd.
Artikel 3.59
Het provinciebestuur of, in de gevallen, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, van de wet, Onze in artikel 3.62 aangewezen Minister, draagt zorg voor het treffen van de voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied of het onder zijn taak vallende gedeelte daarvan nodige:
instandhoudingsmaatregelen, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; en
passende maatregelen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn, waaronder:
het besluit om de toegang tot een Natura 2000-gebied op grond van artikel 2.45, eerste lid, van de wet te beperken of te verbieden;
de feitelijke handelingen, bedoeld in artikel 10.10b van de wet; en
het in en rondom een Natura 2000-gebied aanbrengen van de nodige kentekenen die de aanwijzing als Natura 2000-gebied en de rechtsgevolgen daarvan kenbaar maken.
Artikel 3.60
Lid 1
De toegang tot een Natura 2000-gebied wordt niet op grond van artikel 2.45, eerste lid, van de wet beperkt of verboden voor de eigenaar van een in het gebied gelegen onroerende zaak en voor degene die een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht heeft, voor zover door de beperking of het verbod de toegang tot de onroerende zaak ernstig zou worden belemmerd.
Lid 2
In een besluit om de toegang tot een Natura 2000-gebied te beperken of te verbieden wordt de geometrische begrenzing vastgelegd van het gebied waarvoor de beperking of het verbod geldt.
Artikel 3.61
Als een compenserende maatregel als bedoeld in artikel 8.74b, tweede lid, onder c, of 10.24, tweede lid, onder c, voorziet in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000-gebied, zorgt Onze Minister voor Natuur en Stikstof ervoor dat deze leefgebieden of habitats een Natura 2000-gebied of een onderdeel van een Natura 2000-gebied worden.
Artikel 3.62
De zorg voor het nemen van maatregelen voor Natura 2000-gebieden of gedeelten daarvan als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, onder 2°, van de wet berust bij:
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan dat een oppervlaktewaterlichaam is dat is aangewezen in bijlage II, onder 1, bij het Omgevingsbesluit;
Onze Minister van Defensie, voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan dat voor militaire doeleinden wordt gebruikt;
Onze Minister voor Natuur en Stikstof:
voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan dat wordt beheerd door een van Onze andere Ministers dan die, genoemd onder a en b; of
als het gaat om de maatregelen, bedoeld in artikel 2.45, eerste lid, van de wet, voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan dat wordt beheerd door een van Onze andere Ministers dan Onze Minister voor Natuur en Stikstof.
Artikel 3.63
Een besluit tot aanwijzing van een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in artikel 2.44, tweede lid, van de wet wordt alleen genomen, als:
het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de habitatrichtlijn;
het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de habitatrichtlijn;
in het gebied leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats van soorten worden ontwikkeld of verbeterd ter uitvoering van een compenserende maatregel als bedoeld in artikel 8.74b, tweede lid, onder c, of 10.24, tweede lid, onder c; of
bescherming van het gebied nodig is voor:
de instandhouding of het herstel van biotopen en leefgebieden voor in Nederland natuurlijk in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten; of
het behoud of herstel van een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats, de habitats van soorten of de soorten, genoemd in respectievelijk bijlage I, II, IV of V bij de habitatrichtlijn.
Artikel 3.64
Lid 1
Een besluit tot aanwijzing van een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in artikel 2.44, tweede lid, van de wet bevat instandhoudingsdoelstellingen voor in ieder geval:
de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de vogelrichtlijn; of
de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de habitatrichtlijn.
Lid 2
In het besluit wordt de geometrische begrenzing van het gebied vastgelegd.
Artikel 3.65
Lid 1
Een besluit om de toegang tot een bijzonder nationaal natuurgebied op grond van artikel 2.45, derde of vierde lid, van de wet te beperken of te verbieden wordt genomen als dat nodig is voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
Lid 2
De toegang wordt niet beperkt of verboden voor de eigenaar van een in het gebied gelegen onroerende zaak en voor degene die een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht heeft, voor zover door de beperking of het verbod de toegang tot de onroerende zaak ernstig zou worden belemmerd.
Lid 3
In het besluit om de toegang te beperken of te verbieden wordt de geometrische begrenzing vastgelegd van het gebied waarvoor de beperking of het verbod geldt.
Artikel 3.66
Feitelijke handelingen als bedoeld in artikel 10.10b van de wet worden verricht als dat nodig is voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een bijzonder nationaal natuurgebied, en omvatten zo nodig het aanbrengen in en rondom een bijzonder nationaal natuurgebied van de nodige kentekenen die de aanwijzing als bijzonder nationaal natuurgebied en de rechtsgevolgen daarvan kenbaar maken.
Artikel 3.67
Lid 1
Gedeputeerde staten dragen zorg voor het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen als bedoeld in de artikelen 17, 19 en 20 van de invasieve-exoten-basisverordening met betrekking tot de in bijlage VC genoemde soorten.
Lid 1
Als er in bijlage VC een datum wordt genoemd, geldt de in het eerste lid bedoelde taak met ingang van die datum.
Lid 3
Bestrijding van uitheemse dieren, niet behorende tot de in bijlage VC genoemde soorten, en bestrijding van verwilderde dieren vindt alleen plaats als dat nodig is:
in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom;
in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang;
voor het voorkomen van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;
voor het voorkomen of bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; of
in het algemeen belang.
Artikel 3.68
Lid 1
Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan een gebied als nationaal park aanwijzen, als:
het een aaneengesloten gebied met een oppervlakte van ten minste 1.000 ha betreft:
waarin zich een of meer ecosystemen bevinden die niet wezenlijk zijn aangetast door menselijk gebruik;
waarin zich dier- en plantensoorten, geomorfologische locaties en habitats bevinden die een bijzonder natuurwetenschappelijk, educatief en recreatief belang vertegenwoordigen; of
dat een natuurlijk landschap van grote schoonheid omvat;
het behoud van de wezenlijke kenmerken van het gebied is verzekerd;
het gebied is opengesteld voor bezoekers voor educatieve, culturele en recreatieve doeleinden, waarbij aan de openstelling voorwaarden en beperkingen kunnen worden verbonden met het oog op het behoud van de wezenlijke kenmerken van het gebied; en
het gebied zich duidelijk onderscheidt van eerder aangewezen nationale parken.
Lid 2
Aanwijzing gebeurt alleen op verzoek van gedeputeerde staten van de provincie of de provincies waarin het gebied ligt.
Artikel 3.69
Lid 1
Onze Minister voor Natuur en Stikstof is de bevoegde instantie voor de uitvoering als de aanwijzing daarvan wordt vereist door een EU-verordening of -richtlijn over:
het verhandelen of om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten, hout of producten daarvan; of
de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
Lid 2
Het eerste lid is alleen van toepassing als Onze Minister voor Natuur en Stikstof geen andere instantie als bevoegde instantie heeft aangewezen.
Artikel 3.70
Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt op aanvraag:
voor planten van bij ministeriële regeling aangewezen soorten fytosanitaire certificaten in overeenstemming met artikel 17, tweede lid, van de cites-uitvoeringsverordening; en
etiketten als bedoeld in de artikelen 52, eerste lid, en 66, zesde lid, van de CITES-uitvoeringsverordening.
Artikel 3.71
Lid 1
Onze Minister voor Natuur en Stikstof erkent een examen voor een jachtgeweeractiviteit, een examen voor een valkeniersactiviteit en een examen voor het gebruik van een eendenkooi alleen als de examens voldoen aan de eisen in de artikelen 11.87 tot en met 11.90 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Lid 2
Onze Minister voor Natuur en Stikstof wijst de examens aan die zijn erkend door de bevoegde autoriteit van een andere staat en die gelijkwaardig zijn aan een door hem erkend examen.
Artikel 3.72
Onze Minister voor Natuur en Stikstof erkent een organisatie die examens voor een jachtgeweeractiviteit, examens voor een valkeniersactiviteit of examens voor het gebruik van een eendenkooi afneemt alleen als de organisatie voldoet aan de eisen in artikel 11.91 van het Besluit activiteiten leefomgeving.