Artikel 1:76a Wet op het financieel toezicht

Lid 1

De toezichthouder of, al naar gelang de bevoegdheidsverdeling op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, de Europese Centrale Bank kan bij een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2, of overeenkomstig artikel 30 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bij een EU-moederonderneming een of meer tijdelijk bewindvoerders benoemen om het bestuur van de onderneming of leden daarvan tijdelijk te vervangen, dan wel tijdelijk met het bestuur van de onderneming samen te werken, indien zij van oordeel is dat de maatregel bedoeld in artikel 1:75a, vierde lid, niet volstaat. De tijdelijk bewindvoerder beschikt over de vereiste kwalificaties, vaardigheden en kennis om zijn of haar functies uit te oefenen.

Lid 2

Bij het besluit tot benoeming van een tijdelijk bewindvoerder wordt, met inachtneming van artikel 29, tweede, derde en vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, bepaald welke rol, taken en bevoegdheden aan de tijdelijk bewindvoerder worden toegekend en aan welke regels aangaande het raadplegen van de tijdelijk bewindvoerder of het verkrijgen van diens goedkeuring het bestuur van de instelling zich dient te houden alvorens bepaalde besluiten of maatregelen te nemen.

Lid 3

De toezichthouder, onderscheidenlijk de Europese Centrale Bank, kan de tijdelijk bewindvoerder op elk moment uit zijn functie ontheffen of de aanstellingsvoorwaarden bedoeld in het tweede lid wijzigen met inachtneming van artikel 29 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

Lid 4

De toezichthouder, onderscheidenlijk de Europese Centrale Bank, maakt het besluit tot benoeming van een tijdelijk bewindvoerder openbaar.

Lid 5

De toezichthouder, onderscheidenlijk de Europese Centrale Bank, benoemt de tijdelijk bewindvoerder voor ten hoogste een jaar. De termijn kan in uitzonderlijke situaties verlengd worden indien de voorwaarden voor het aanstellen van de tijdelijk bewindvoerder nog steeds gelden.

Lid 6

Artikel 1:76, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.