Hoofdstuk 3. Deel Prudentieel Toezicht Financiële Ondernemingen
Wordt genoemd in:
Artikel 3:268
Vervallen
Artikel 3:269
Lid 1
Een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten of Nederlandse bank die een moederonderneming of dochteronderneming is van een andere beleggingsonderneming of bank, voldoet met inachtneming van artikel 109, tweede en derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis aan het ingevolge de artikelen 3:17 en 3:18 bepaalde op zodanige wijze dat de procedures en maatregelen ter beheersing van bedrijfsprocessen en risico’s samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn en dat zij de inlichtingen, bedoeld in artikel 1:52, kan verschaffen.
Lid 2
Een verzekeraar met zetel in Nederland waarop aanvullend toezicht wordt uitgeoefend overeenkomstig afdeling 3.6.3 richt de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:17, zodanig in dat de procedures en maatregelen ter beheersing van bedrijfsprocessen en risico’s samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn en dat zij de inlichtingen, bedoeld in artikel 1:52, kan verschaffen.
Lid 3
Een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen die een moederonderneming of dochteronderneming is van een andere beleggingsonderneming, een beleggingsholding of een gemengde financiële holding, voldoet met in achtneming van artikel 25, vierde lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, op geconsolideerde basis aan het ingevolge artikel 3:17, eerste en tweede lid, onderdeel c, artikel 3:18, artikel 4:14, eerste en tweede lid, onderdeel a, en artikel 4:16 bepaalde, op zodanige wijze dat de procedures en maatregelen ter beheersing van bedrijfsprocessen en risico’s samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn en dat zij de inlichtingen, bedoeld in artikel 1:52, kan verschaffen.
Artikel 3:269a
Lid 1
Een onderneming die, alleen of tezamen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van een richtlijngroep waarvan een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt, draagt zorg voor een zodanige bedrijfsvoering dat de financiële soliditeit van de gereglementeerde entiteiten en de onderneming zelf niet in gevaar wordt gebracht door:
het risicobeheer van de groep als geheel en van de afzonderlijke richtlijngroepsleden;
de strategie en het beleid van de groep als geheel en van de afzonderlijke richtlijngroepsleden;
mogelijke belangentegenstellingen en relaties tussen de gereglementeerde entiteiten, de onderneming, bedoeld in de aanhef, en de andere richtlijngroepsleden; of
door richtlijngroepsleden verrichte activiteiten die van wezenlijk belang zijn voor de bedrijfsvoering met betrekking tot de financiële activiteiten van een of meer gereglementeerde entiteiten.
Lid 2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Lid 3
De hierna bedoelde richtlijngroepsleden richten hun bedrijfsvoering dusdanig in dat alle gegevens die relevant zijn voor het toezicht, bedoeld in dit hoofdstuk, kunnen worden verschaft:
de gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland;
de onderneming die alleen of tezamen met een andere onderneming aan het hoofd staat van de groep;
andere richtlijngroepsleden dan de in onderdelen a en b bedoelde richtlijngroepsleden die activiteiten verrichten die van wezenlijk belang zijn voor de bedrijfsvoering met betrekking tot de financiële activiteiten van een of meer gereglementeerde entiteiten in de groep.
Artikel 3:270
De Nederlandsche Bank kan, indien zij groepstoezichthouder is, besluiten een onderneming niet in het toezicht, bedoeld in afdeling 3.6.3, te betrekken indien:
de onderneming haar zetel heeft in een staat die geen lidstaat is en waar wettelijke belemmeringen bestaan voor het verstrekken van de voor het toezicht noodzakelijke informatie;
de bij dat toezicht te betrekken onderneming in het licht van de doelstellingen van dat toezicht slechts van te verwaarlozen betekenis is tenzij verscheidene ondernemingen van dezelfde groep buiten beschouwing mogen worden gelaten en zij gezamenlijk niet van te verwaarlozen betekenis zijn; of
het in aanmerking nemen van de financiële positie van die onderneming in het licht van de doelstellingen van dat toezicht misplaatst of misleidend zou zijn.
Artikel 3:271
Artikel 3:8 is van overeenkomstige toepassing op een beleggingsholding, financiële holding, gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in Nederland, met dien verstande dat voor de toepassing van het eerste lid voor «geschikt in verband met de uitoefening van het bedrijf van de financiële onderneming» wordt gelezen «geschikt in verband met de uitoefening van het bedrijf van de beleggingsholding, financiële holding, gemengde financiële holding of verzekeringsholding, en van de tot de desbetreffende richtlijngroep behorende gereglementeerde entiteiten».
Artikel 3:272
Artikel 3:9 is van overeenkomstige toepassing op een beleggingsholding, financiële holding, gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in Nederland.
Artikel 3:273
Lid 1
Een gemengde financiële holding, financiële holding of verzekeringsholding met zetel in Nederland meldt wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover ingevolge artikel 3:271 of 3:272 verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de Nederlandsche Bank.
Lid 2
Het ingevolge artikel 3:29, derde lid, bepaalde is van overeenkomstige toepassing op gemengde financiële holdings, financiële holdings en verzekeringsholdings met zetel in Nederland voorzover het betrekking heeft op het melden van de wijzigingen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3:273a
Lid 1
Een holding waaraan goedkeuring is verleend op grond van artikel 3:280b draagt zorg voor:
interne regelingen en een verdeling van de taken binnen de groep die adequaat en doeltreffend zijn als bedoeld in artikel 21 bis, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn kapitaalvereisten, met het oog op de naleving van de prudentiële regels die op geconsolideerde basis en gesubconsolideerde basis van toepassing zijn; en
een organisatiestructuur van de groep die geen belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van prudentieel toezicht op de banken en beleggingsondernemingen binnen de groep op individuele, gesubconsolideerde of geconsolideerde basis als bedoeld in artikel 21 bis, derde lid, onderdeel b, van de richtlijn kapitaalvereisten.
Lid 2
Ten minste twee natuurlijke personen bepalen het dagelijks beleid van een holding als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3:273b
Artikel 3:273a, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op een bank met zetel in Nederland die is aangewezen op grond van artikel 3:280c, eerste lid, en op een financiële holding, gemengde financiële holding of een bank met zetel in Nederland die tijdelijk is aangewezen op grond van artikel 3:111ab, onderdeel d.
Artikel 3:273c
De ingevolge afdeling 1.7.1 en de artikelen 3:62a en 3:269, eerste lid, op een bank of moederbank rustende verplichtingen op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis rusten gelijkelijk op:
holdings waaraan goedkeuring is verleend op grond van artikel 3:280b;
banken met zetel in Nederland die zijn aangewezen op grond van artikel 3:280c, eerste lid;
banken of holdings met zetel in Nederland die tijdelijk zijn aangewezen op grond van artikel 3:111ab, onderdeel d.
Artikel 3:273d
Lid 1
Een Nederlandse moederbank, Nederlandse financiële moederholding en Nederlandse gemengde financiële moederholding treft de nodige maatregelen om de naleving van de prudentiële vereisten die ingevolge de delen 3, 4, 6 en 7 van de verordening kapitaalvereisten op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis van toepassing zijn te waarborgen en om te voldoen aan een maatregel opgelegd op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis op grond van artikel 3:111a, tweede lid, onderdeel a.
Lid 2
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de entiteiten bedoeld in artikel 3:273c, onderdelen b en c.
Artikel 3:274
Lid 1
Indien ingevolge deze afdeling op geconsolideerde basis toezicht wordt gehouden, wordt dit toezicht uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde:
ingevolge titel II van deel 1 van de verordening kapitaalvereisten, voor zover het banken en beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten betreft; of
ingevolge titel II van deel 1 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, voor zover het beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen betreft.
Lid 2
Indien de Nederlandsche Bank op grond van artikel 8 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen de toepassing van het groepskapitaalcriterium toestaat, betrekt zij in de uitoefening van haar toezicht op de naleving van dat artikel de beleggingsholding of gemengde financiële holding die deel uitmaakt van de betrokken groep.
Artikel 3:275
Lid 1
Tenzij die bevoegdheid op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht aan de Europese Centrale Bank toekomt, houdt de Nederlandsche Bank op banken en beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten toezicht op geconsolideerde basis, indien dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 111, eerste tot en met vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, dan wel indien zij als consoliderende toezichthouder is aangewezen overeenkomstig artikel 111, zesde lid, van die richtlijn.
Lid 2
De Nederlandsche Bank houdt op beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen toezicht op geconsolideerde basis, of oefent het toezicht op het groepskapitaalcriterium als bedoeld in artikel 8 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen uit, indien dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 46, eerste tot en met vijfde lid, van de richtlijn prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen, dan wel indien zij als consoliderende toezichthouder of toezichthouder op het groepskapitaalcriterium is aangewezen overeenkomstig artikel 46, zesde lid, van die richtlijn.
Lid 3
Alvorens de Nederlandsche Bank en de andere betrokken toezichthoudende instanties met betrekking tot het toezicht op geconsolideerde basis op een Nederlandse bank of op een beleggingsonderneming als bedoeld in het eerste lid toepassing geven aan artikel 111, zesde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, stelt de Nederlandsche Bank de in de tweede volzin van dat artikellid bedoelde ondernemingen in de gelegenheid hun zienswijze naar voren te brengen.
Lid 4
Alvorens de Nederlandsche Bank en de andere toezichthoudende instanties met betrekking tot een beleggingsonderneming als bedoeld in het tweede lid, voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis, dan wel voor de uitoefening van het toezicht op het groepskapitaalcriterium als bedoeld in artikel 8 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, toepassing geven aan artikel 46, zesde lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, stelt de Nederlandsche Bank de in de tweede volzin van laatstgenoemd artikellid bedoelde ondernemingen in de gelegenheid hun zienswijze naar voren te brengen.
Artikel 3:276
Lid 1
De Nederlandsche Bank houdt, tenzij die bevoegdheid op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht aan de Europese Centrale Bank toekomt, toezicht op Nederlandse moederbeleggingsondernemingen en Nederlandse moederbanken, in de mate en op de wijze als bepaald in deze afdeling, op basis van de geconsolideerde financiële positie. Dit toezicht omvat het toezicht op de naleving van het bepaalde ingevolge de artikelen 3:17, eerste en tweede lid, onderdeel c, 3:57, 3:62a en 3:96, eerste lid, onderdeel b.
Lid 2
De Nederlandsche Bank houdt, tenzij die bevoegdheid op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht aan de Europese Centrale Bank toekomt, toezicht op beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten en Nederlandse banken die dochteronderneming zijn van een Nederlandse financiële moederholding of Nederlandse gemengde financiële moederholding, in de mate en op de wijze als bepaald in deze afdeling, op basis van de geconsolideerde financiële positie van de Nederlandse financiële moederholding of Nederlandse gemengde financiële moederholding. Dit toezicht omvat het toezicht op de naleving van het bepaalde ingevolge de artikelen 3:17, eerste en tweede lid, onderdeel c, 3:57, 3:62a en 3:96, eerste lid, onderdeel b.
Lid 3
De Nederlandsche Bank houdt toezicht op beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten en Nederlandse banken die dochteronderneming zijn van een financiële moederholding of gemengde financiële moederholding indien de Nederlandsche Bank toezicht houdt op deze beleggingsondernemingen of banken op geconsolideerde basis op grond van artikel 3:275. Het tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Lid 4
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de berekening van de solvabiliteit op geconsolideerde basis van de beleggingsondernemingen of banken, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 3:276a
Lid 1
Indien de Nederlandsche Bank toezicht houdt op geconsolideerde basis overeenkomstig deze afdeling en de gemengde financiële holding onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van zowel deze afdeling als afdeling 3.6.4, kan de Nederlandsche Bank, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende instanties, besluiten alleen de relevante bepalingen van afdeling 3.6.4 op de gemengde financiële holding toe te passen.
Lid 2
Indien de Nederlandsche Bank toezicht houdt op geconsolideerde basis overeenkomstig deze afdeling en de gemengde financiële holding onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van zowel deze afdeling als afdeling 3.6.3, kan de Nederlandsche Bank, in overeenstemming met de groepstoezichthouder van de in artikel 2, punt 8, onderdeel b, van de richtlijn financiële conglomeraten bedoelde verzekeringssector, besluiten alleen de relevante bepalingen van de belangrijkste sector als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de richtlijn financiële conglomeraten toe te passen.
Artikel 3:277
Lid 1
Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op Nederlandse banken en op beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten, indien zij een moederonderneming hebben die een niet-Europese bank of een niet-Europese beleggingsonderneming is, of die een financiële holding of gemengde financiële holding is met zetel in een staat die geen lidstaat is, en indien:
die banken of beleggingsondernemingen niet reeds zijn onderworpen aan toezicht dat gelijkwaardig is aan het toezicht op geconsolideerde basis, bedoeld in titel VII, hoofdstuk 3, van de richtlijn kapitaalvereisten; en
De Nederlandsche Bank op basis van een overeenkomstige toepassing van artikel 3:275 verantwoordelijk zou zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis op die beleggingsondernemingen of banken.
Lid 2
Indien twee of meer beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend uit hoofde van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, niet zijnde beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 1, tweede of vijfde lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, een moederonderneming hebben met zetel in een staat die geen lidstaat is, beoordeelt de Nederlandsche Bank of deze beleggingsondernemingen zijn onderworpen aan toezicht dat gelijkwaardig is aan het toezicht op geconsolideerde basis, bedoeld in titel IV, hoofdstuk 3 van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen en deel één van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, indien de Autoriteit Financiële Markten aan ten minste één van deze beleggingsondernemingen een vergunning heeft verleend als bedoeld in artikel 2:96.
Lid 3
Indien uit de in het tweede lid bedoelde beoordeling blijkt dat geen sprake is van toezicht dat gelijkwaardig is, kan de Nederlandsche Bank, indien zij op basis van een overeenkomstige toepassing van artikel 3:275 verantwoordelijk zou zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis op de beleggingsondernemingen, vereisen dat een beleggingsholding of gemengde financiële holding wordt opgericht met zetel in een lidstaat, met het oog op de naleving van artikel 7 en 8 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen.
Artikel 3:277a
Lid 1
Een Nederlandse bank of een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, die een dochteronderneming is van een beleggingsonderneming of bank of als moederonderneming een financiële holding of gemengde financiële holding heeft, voldoet op gesubconsolideerde basis aan het bepaalde ingevolge de artikelen 3:17, eerste en tweede lid, onderdeel c, 3:57, 3:62a en 3:96, eerste lid, onderdeel b, indien de beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, Nederlandse bank, de financiële holding of gemengde financiële holding:
als dochteronderneming een beheerder heeft van een beleggingsinstelling of icbe, beleggingsonderneming, financiële instelling of bank met zetel in een staat die geen lidstaat is; of
een deelneming houdt in een beheerder van een beleggingsinstelling of icbe, beleggingsonderneming, financiële instelling of bank met zetel in een staat die geen lidstaat is.
Lid 2
Indien de financiële holding of gemengde financiële holding als dochteronderneming zowel een beleggingsonderneming als een bank heeft, is het eerste lid slechts van toepassing op de bank.
Artikel 3:278
Vervallen
Artikel 3:278a
Vervallen
Artikel 3:278b
Lid 1
Indien de Nederlandsche Bank toezicht houdt op geconsolideerde basis op een Nederlandse EU-moederbeleggingsonderneming die op grond van artikel 1, tweede lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen de vereisten van de verordening kapitaalvereisten toepast, Nederlandse EU-moederbank, een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten of Nederlandse bank die dochteronderneming is van een Nederlandse financiële EU-moederholding of Nederlandse gemengde financiële EU-moederholding:
coördineert zij de vergaring en verspreiding van informatie aan de betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten die relevant of essentieel is in normale omstandigheden en in noodsituaties;
plant en coördineert zij de toezichtactiviteiten in normale omstandigheden en de samenwerking met de betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten in het kader van de artikelen 3:18a, 3:74a en 3:111a; en
plant en coördineert zij de toezichtactiviteiten bij de voorbereiding op en in noodsituaties.
Lid 2
De Nederlandsche Bank komt met de betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten een gezamenlijke regeling overeen inzake de onderlinge coördinatie en samenwerking. In de regeling kunnen aanvullende taken voor de consoliderende toezichthouder worden vastgelegd.
Artikel 3:278c
Indien de Nederlandsche Bank op geconsolideerde basis toezicht houdt op een bank of op een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, neemt zij de besluiten, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdelen a en b, van de richtlijn kapitaalvereisten, in overeenstemming met de betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten en neemt zij daarbij de in artikel 113, tweede lid, van de richtlijn bedoelde termijnen in acht.
Artikel 3:278d
Lid 1
Indien het overleg met de betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 3:278c, tot overeenstemming heeft geleid, neemt de Nederlandsche Bank, indien zij toezicht houdt op dochterondernemingen van een EU-moederbeleggingsonderneming die op grond van artikel 1, tweede lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen de vereisten van de verordening kapitaalvereisten toepast of EU-moederbank of een EU-moederholding op niet-geconsolideerde basis of op subgeconsolideerde basis, onverwijld een besluit op grond van de evaluatie bedoeld in artikel 3:18a, of de solvabiliteit van de dochteronderneming toereikend is gelet op haar financiële situatie en risicoprofiel.
Lid 2
De Nederlandsche Bank besluit over de toepassing van de artikelen 3:18a en 3:111a nadat zij de door de betrokken toezichthoudende instantie die toezicht houdt op geconsolideerde basis geuite standpunten en voorbehouden in aanmerking heeft genomen.
Lid 3
De Nederlandsche Bank actualiseert jaarlijks het besluit, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 3:279
Lid 1
De Nederlandsche Bank kan, overeenkomstig artikel 28 van verordening (EU) nr. 1093/2010, met de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat een overeenkomst sluiten om:
het prudentieel toezicht, of onderdelen daarvan, op een bank met zetel in Nederland of een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, met een moederonderneming met zetel in een andere lidstaat, over te dragen aan de toezichthoudende instantie van die lidstaat, indien deze het toezicht op de moederonderneming uitoefent; of
het prudentieel toezicht, of onderdelen daarvan, op een bank of beleggingsonderneming die op grond van artikel 1, tweede lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen de vereisten van de verordening kapitaalvereisten toepast, met zetel in de andere lidstaat en met een moederonderneming met zetel in Nederland, over te nemen van de toezichthoudende instantie van die lidstaat, indien de Nederlandsche Bank het toezicht op de moederonderneming uitoefent.
Lid 2
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onderdeel b, wordt de bank of beleggingsonderneming voor de uitoefening van het prudentieel toezicht door de Nederlandsche Bank gelijkgesteld met een bank of beleggingsonderneming met zetel in Nederland.
Lid 3
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. Hierbij kunnen voorwaarden of beperkingen worden gesteld aan de overdracht of overname van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b.
Artikel 3:280
Lid 1
Indien een beleggingsonderneming met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend, of een Nederlandse bank een gemengde holding als moederonderneming heeft, oefent de Nederlandsche Bank toezicht uit op de intragroepsovereenkomsten en -posities met de gemengde holding en haar dochterondernemingen, tenzij die bevoegdheid op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht aan de Europese Centrale Bank toekomt.
Lid 2
De beleggingsonderneming of bank zorgt voor de berekening en bewaking van haar intragroepsovereenkomsten en -posities met de gemengde holding en haar dochterondernemingen.
Lid 3
De beleggingsonderneming of bank dient periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen een rapportage bij de Nederlandsche Bank of de Europese Centrale Bank in waarin zijn opgenomen significante intragroepsovereenkomsten en -posities met de gemengde holding en haar dochterondernemingen.
Lid 4
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud, de verstrekking, de modellen en de periodiciteit van de rapportage.
Lid 5
Indien uit de intragroepsovereenkomsten en -posities blijkt dat de financiële positie van de beleggingsonderneming of bank in gevaar is of zou kunnen komen, neemt de Nederlandsche Bank maatregelen jegens die beleggingsonderneming of bank.
Artikel 3:280a
Een Nederlandse financiële moederholding, Nederlandse gemengde financiële moederholding, Nederlandse financiële EU-moederholding, Nederlandse gemengde financiële EU-moederholding of een andere financiële holding of gemengde financiële holding met zetel in Nederland voor zover deze op gesubconsolideerde basis moet voldoen aan de prudentiële regels die ingevolge deze wet en de verordening kapitaalvereisten zijn gesteld, beschikt over een goedkeuring van de Europese Centrale Bank indien deze bevoegd is toezicht uit te oefenen op de holding op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, van de Nederlandsche Bank indien deze de in artikel 4, eerste lid, onderdeel 41, van de verordening kapitaalvereisten bedoelde consoliderende toezichthouder van de holding is, of van de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat en de Nederlandsche Bank gezamenlijk indien de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat de consoliderende toezichthouder van de holding is.
Artikel 3:280b
Lid 1
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag de goedkeuring bedoeld in artikel 3:280a indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
artikel 3:273a, eerste lid, onderdeel a, met betrekking tot de interne regelingen en de verdeling van taken;
artikel 3:273a, eerste lid, onderdeel b, met betrekking tot de organisatiestructuur;
artikel 3:273a, tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt;
de artikelen 3:271 en 3:272 met betrekking tot de geschiktheid en betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen; en
artikel 3:100, eerste lid, aanhef en onderdeel a tot en met f, indien de aanvraag een holding betreft die een gekwalificeerde deelneming in een bank houdt of voornemens is te houden waarvoor een of meerdere verklaringen van geen bezwaar overeenkomstig artikel 3:95, eerste lid, onderdeel b, zijn of worden aangevraagd.
Lid 2
De Nederlandsche Bank houdt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, rekening met artikel 21 bis, derde lid, onderdeel b, van de richtlijn kapitaalvereisten.
Lid 3
De aanvraag wordt ingediend bij de Europese Centrale Bank, de Nederlandsche Bank of bij zowel de Nederlandsche Bank als de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat al naar gelang de bevoegdheidsverdeling in artikel 3:280a, onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
Lid 4
De Nederlandsche Bank beslist op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid met inachtneming van artikel 21 bis, tiende lid, van de richtlijn kapitaalvereisten uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag en maakt het besluit bekend aan de holding indien dat volgt uit artikel 21 bis, achtste of tiende lid, van de richtlijn.
Artikel 3:280c
Lid 1
De Nederlandsche Bank verleent, onder gelijktijdige aanwijzing van een bank die deel uitmaakt van dezelfde groep als de holding als verantwoordelijk voor de naleving van de vereisten die gelden op geconsolideerde basis, op aanvraag ontheffing van artikel 3:280a indien er naar haar oordeel geen belemmering is voor doeltreffend toezicht op geconsolideerde basis op de groep waarvan de holding deel uitmaakt en de aanvrager aantoont dat wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
de hoofdactiviteit van de financiële holding of de hoofdactiviteit van de gemengde financiële holding met betrekking tot banken of financiële instellingen is het verwerven van deelnemingen in dochterondernemingen;
de financiële holding of gemengde financiële holding is niet aangewezen als een af te wikkelen entiteit in een van de af te wikkelen groepen van de groep in overeenstemming met de afwikkelingsstrategie bepaald door de bevoegde afwikkelingsautoriteit bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 18, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen van de holding; en
de financiële holding of gemengde financiële holding neemt geen bestuurs-, operationele of financiële beslissingen die invloed hebben op de groep of op de dochterondernemingen van de groep indien dat banken of financiële instellingen zijn.
Lid 2
De aanvraag wordt ingediend bij de Europese Centrale Bank, de Nederlandsche Bank, of bij de Nederlandsche Bank en de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat al naar gelang de bevoegdheidsverdeling in artikel 3:280a, onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
Lid 3
Indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid trekt de Nederlandsche Bank de ontheffing in.
Lid 4
De Nederlandsche Bank maakt een besluit als bedoeld in het eerste of derde lid bekend aan de holding indien dat volgt uit artikel 21 bis, achtste of tiende lid, van de richtlijn.
Artikel 3:280d
Indien een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat de consoliderende toezichthouder is van een holding, als bedoeld in artikel 3:280a, neemt de Nederlandsche Bank de besluiten bedoeld in de artikelen 3:280b en 3:280c in overeenstemming met de consoliderende toezichthouder en met inachtneming van artikel 21 bis, achtste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
Artikel 3:280e
Lid 1
Indien de Nederlandsche Bank de consoliderende toezichthouder is van een holding als bedoeld in artikel 21 bis, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, met zetel in een andere lidstaat, kan zij, op aanvraag en in overeenstemming met de toezichthouder in de lidstaat waar de holding zijn zetel heeft, een besluit nemen als bedoeld in de artikelen 3:280b en 3:280c. Zij neemt daarbij artikel 21 bis, achtste lid, van die richtlijn in acht.
Lid 2
Indien de Europese Centrale Bank de consoliderende toezichthouder is van een holding als bedoeld in het eerste lid, omdat zij in de plaats is getreden van de Nederlandsche Bank op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van de verordening, kan zij, op aanvraag en indien de holding zijn zetel heeft in een niet-deelnemende lidstaat uitsluitend in overeenstemming met de toezichthouder in die lidstaat, een besluit nemen als bedoeld in de artikelen 3:280b en 3:280c. Zij neemt daarbij artikel 21 bis, achtste lid, van die richtlijn in acht.
Artikel 3:280f
De Nederlandsche Bank of de Europese Centrale Bank neemt een besluit met betrekking tot een gemengde financiële holding als bedoeld in de artikelen 3:280b en 3:280c, met inachtneming van artikel 21 bis, negende lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
Artikel 3:280g
Lid 1
Een holding waaraan goedkeuring is verleend op grond van artikel 3:280b of waaraan ontheffing is verleend op grond van de artikel 3:280c meldt onverwijld wijzigingen aan de consoliderende toezichthouder met betrekking tot onderwerpen waarover bij of krachtens de artikelen 3:280b, derde lid, of 3:280c, tweede lid, opgave van gegevens is voorgeschreven. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de in acht te nemen procedures bij de melding.
Lid 2
Een holding waaraan ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid is doorlopend in staat aan te tonen dat wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3:280c, eerste lid.
Artikel 3:281
Lid 1
Op een verzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel in Nederland die deel uitmaakt van een richtlijngroep, niet zijnde een verzekeringsrichtlijngroep, wordt aanvullend toezicht uitgeoefend overeenkomstig deze paragraaf.
Lid 2
In het aanvullend toezicht worden betrokken:
met de verzekeraar verbonden ondernemingen;
in de verzekeraar deelnemende ondernemingen;
ondernemingen die zijn verbonden met de in onderdeel b bedoelde ondernemingen.
Artikel 3:281a
Lid 1
De Nederlandsche Bank betrekt in het aanvullende toezicht, bedoeld in artikel 3:281, onder andere intragroepsovereenkomsten en -posities tussen de aan dat toezicht onderworpen verzekeraar en:
met die verzekeraar verbonden ondernemingen;
in die verzekeraar deelnemende ondernemingen;
ondernemingen die zijn verbonden met de ondernemingen, bedoeld in onderdeel b; en
natuurlijke personen die een deelneming bezitten in:
die verzekeraar of een daarmee verbonden onderneming;
een in die verzekeraar deelnemende onderneming;
een onderneming die is verbonden met een onderneming als bedoeld onder 2°.
Lid 2
De verzekeraar, bedoeld in het eerste lid, aanhef, dient periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen een rapportage bij de Nederlandsche Bank in waarin zijn opgenomen overeenkomsten en posities voor zover die van significante betekenis zijn.
Lid 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud, de verstrekking, de modellen en de periodiciteit van de rapportage.
Lid 4
Indien uit de intragroepsovereenkomsten en -posities blijkt dat de solvabiliteit van de verzekeraar, bedoeld in het eerste lid, aanhef, in gevaar is of zou kunnen komen, neemt de Nederlandsche Bank maatregelen jegens die verzekeraar.
Artikel 3:281b
Lid 1
Een verzekeraar met beperkte risico-omvang waarop het toezicht, bedoeld in artikel 3:281, eerste lid, van toepassing is, berekent de aangepaste solvabiliteit. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de berekening van de aangepaste solvabiliteit en de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de rapportage. Deze regels kunnen verschillen naar gelang van de samenstelling van de richtlijngroep.
Lid 2
Alle verbonden ondernemingen, deelnemende ondernemingen en met een deelnemende onderneming verbonden ondernemingen worden in de berekening betrokken.
Lid 3
Indien uit de berekening blijkt dat de solvabiliteit in gevaar is of zou kunnen komen, neemt de Nederlandsche Bank maatregelen jegens die verzekeraar.
Artikel 3:282
Vervallen
Artikel 3:283
De Nederlandsche Bank kan verzoeken om een andere groepstoezichthouder dan de groepstoezichthouder die ingevolge artikel 247, tweede lid, van de richtlijn solvabiliteit II wordt aangewezen. Zij volgt daarbij de procedure van artikel 247, derde tot en met zevende lid, van die richtlijn.
Artikel 3:284
Een onderneming die zal ophouden onderdeel van een verzekeringsrichtlijngroep te zijn of die onderdeel wenst te worden van een dergelijke groep vraagt instemming van de groepstoezichthouder indien:
de groepstoezichthouder is aangewezen ingevolge de criteria, genoemd in artikel 247 van de richtlijn solvabiliteit II; en
onderdeel b van de definitie van richtlijngroep, bedoeld in artikel 1:1 van toepassing is of zou worden.
Artikel 3:285
Lid 1
Op een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar die een deelnemende onderneming is in een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, in een Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar of in een niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, wordt verzekeringsrichtlijngroepstoezicht uitgeoefend ingevolge de artikelen 1:51e, 1:55a, 1:56, 1:58e, 3:271, 3:272, 3:288a tot en met 3:288f, 3:288h en 3:288i. Artikel 3:269 is van overeenkomstige toepassing.
Lid 2
Op een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waarvan de moederonderneming een gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in een lidstaat is, wordt verzekeringsrichtlijngroepstoezicht uitgeoefend als bedoeld ingevolge de artikelen 1:51e, 1:55a, 1:56, 1:58e, 3:271, 3:272, 3:288a tot en met 3:288f, 3:288h en 3:288i.
Lid 3
Op een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waarvan de moederonderneming een gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in een staat die geen lidstaat is of een niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar is, wordt verzekeringsrichtlijngroepstoezicht uitgeoefend ingevolge de artikelen 1:65, zesde lid, 3:288g, 3:288j en 3:288k.
Lid 4
Op een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waarvan de moederonderneming een gemengde verzekeringsholding is, wordt verzekeringsrichtlijngroepstoezicht uitgeoefend als bedoeld in artikel 3:288g.
Lid 5
Indien de Nederlandsche Bank groepstoezichthouder is, verzekeringsrichtlijngroepstoezicht uitoefent als bedoeld in het eerste of tweede lid, en de deelnemende herverzekeraar, levensverzekeraar, schadeverzekeraar, gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in een lidstaat die hetzij een verbonden onderneming van een gereglementeerde entiteit of zelf een gereglementeerde entiteit is, of een gemengde financiële holding die aan aanvullend toezicht is onderworpen als bedoeld in afdeling 3.6.4, kan de Nederlandsche Bank besluiten op het niveau van de deelnemende herverzekeraar, levensverzekeraar, schadeverzekeraar of verzekeringsholding het toezicht op de risicoconcentratie, bedoeld in artikel 3:288e of intragroepsovereenkomsten en -posities als bedoeld in artikel 3:288f niet uit te oefenen.
Artikel 3:285a
Lid 1
Indien de Nederlandsche Bank groepstoezichthouder is en de gemengde financiële holding onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van zowel deze afdeling als afdeling 3.6.4, kan de Nederlandsche Bank, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende instanties, besluiten alleen de relevante bepalingen van afdeling 3.6.4 toe te passen.
Lid 2
Indien de Nederlandsche Bank groepstoezichthouder is en een gemengde financiële holding onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van zowel deze afdeling als afdeling 3.6.2, kan de Nederlandsche Bank, in overeenstemming met de toezichthoudende instanties die geconsolideerd toezicht houden op de sector banken en de sector beleggingsdiensten, bedoeld in artikel 2, punt 8, onderdeel a respectievelijk c, van de richtlijn financiële conglomeraten, besluiten alleen de relevante bepalingen van de belangrijkste sector als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de richtlijn financiële conglomeraten toe te passen.
Artikel 3:286
Lid 1
Ingeval de in artikel 3:285, eerste of tweede lid, bedoelde deelnemende verzekeraar, gemengde financiële holding of verzekeringsholding een dochteronderneming is van een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, van een Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, of van een gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in een lidstaat, zijn de artikelen 1:51e, 1:55a, 1:56, 1:58e, 3:271, 3:272, 3:288a tot en met 3:288f, 3:288h en 3:288i alleen van toepassing op het niveau van de verzekeraar, gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in een lidstaat die de uiteindelijke moederonderneming is.
Lid 2
Indien de Nederlandsche Bank groepstoezichthouder is en de in het eerste lid bedoelde uiteindelijke moederonderneming een dochteronderneming van een aan het in afdeling 3.6.4. bedoelde aanvullende toezicht onderworpen onderneming is, kan de Nederlandsche Bank besluiten het toezicht op de risicoconcentratie, bedoeld in artikel 3:288e, of het toezicht op intragroepsovereenkomsten en -posities als bedoeld in artikel 3:288f niet uit te oefenen.
Artikel 3:287
Lid 1
Indien de in artikel 3:286, eerste lid, bedoelde uiteindelijke moederonderneming haar zetel in een andere lidstaat heeft dan de in artikel 3:285, eerste of tweede lid, bedoelde deelnemende verzekeraar, gemengde financiële holding of verzekeringsholding, kan de Nederlandsche Bank, na raadpleging van de uiteindelijke moederonderneming, besluiten de verantwoordelijke verzekeraar, gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in Nederland aan het verzekeringsrichtlijngroepstoezicht te onderwerpen.
Lid 2
De Nederlandsche Bank stuurt haar besluit, bedoeld in het eerste lid, toe aan de uiteindelijke moederonderneming.
Lid 3
De artikelen 1:51e, 1:56, 1:58e, 3:271, 3:272, 3:288a tot en met 3:288f, 3:288h en 3:288i zijn van overeenkomstige toepassing op de verantwoordelijke moederonderneming met zetel in Nederland, onverminderd het vierde tot en met achtste lid.
Lid 4
De Nederlandsche Bank kan het verzekeringsrichtlijngroepstoezicht op de verantwoordelijke moederonderneming, bedoeld in het derde lid, beperken tot een of meer van de eisen, gesteld in de artikelen 3:288a tot en met 3:288f en 3:288h.
Lid 5
Indien de Nederlandsche Bank besluit de eisen ten aanzien van de financiële positie, bedoeld in de artikelen 3:288a tot en met 3:288f en 3:288h op de verantwoordelijke moederonderneming met zetel in Nederland toe te passen, past zij de methodekeuze voor de berekening van de solvabiliteit op het niveau van de verzekeringsrichtlijngroep toe die door de groepstoezichthouder is gemaakt.
Lid 6
Indien de Nederlandsche Bank besluit de eisen ten aanzien van de financiële positie, bedoeld in de artikelen 3:288a tot en met 3:288f en 3:288h op de verantwoordelijke moederonderneming met zetel in Nederland toe te passen en de groepstoezichthouder op verzoek van de verzekeringsrichtlijngroep heeft besloten dat de uiteindelijke moederonderneming met zetel in een andere lidstaat, bedoeld in artikel 3:286, eerste lid, zowel het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzekeringsrichtlijngroep als het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzekeraars in de richtlijngroep op basis van een intern model mag berekenen, past de Nederlandsche Bank dat besluit toe.
Lid 7
Indien in het geval van het zesde lid het risicoprofiel van de verantwoordelijke moederonderneming met zetel in Nederland significant afwijkt van het op Unieniveau goedgekeurde interne model van de verzekeringsrichtlijngroep en die moederonderneming onvoldoende maatregelen neemt om de afwijking op te heffen, kan de Nederlandsche Bank besluiten om op het uit de toepassing van het interne model voor de moederonderneming voortvloeiende solvabiliteitskapitaalvereiste voor de verzekeringsrichtlijnsubgroep een kapitaalopslag toe te passen, of, in uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing van een dergelijke kapitaalopslag niet gepast is, eisen dat deze onderneming haar solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzekeringsrichtlijngroep op basis van de standaardformule berekent. De Nederlandsche Bank stuurt dit besluit toe aan de moederonderneming.
Lid 8
Indien de Nederlandsche Bank besluit de eisen ten aanzien van de financiële positie als bedoeld in de artikelen 3:288a tot en met 3:288f en 3:288h op de verantwoordelijke moederonderneming met zetel in Nederland toe te passen, dient die onderneming geen aanvraag in om een van haar dochterondernemingen aan een gecentraliseerd risicobeheer ingevolge artikel 3:288b te onderwerpen.
Lid 9
De Nederlandsche Bank neemt geen besluit als bedoeld in het eerste lid, dan wel trekt een dergelijk besluit in indien de verantwoordelijke moederonderneming met zetel in Nederland een dochteronderneming is van de in artikel 3:286, eerste lid, bedoelde uiteindelijke moederonderneming op Unieniveau en die onderneming overeenkomstig artikel 3:288b of 3:288c op haar dochteronderneming artikel 3:288b mag toepassen.
Artikel 3:288
Lid 1
In het geval van artikel 3:287, eerste lid, kan de Nederlandsche Bank besluiten verzekeringsrichtlijngroepstoezicht op de gecombineerde verzekeringsrichtlijnsubgroep te houden. De Nederlandsche Bank stelt die uiteindelijke moederonderneming in kennis van het besluit. Het verzekeringsrichtlijnsubgroepstoezicht strekt zich niet uit tot de uiteindelijke moederonderneming die haar zetel heeft in een andere lidstaat dan de lidstaten waar de leden van de verzekeringsrichtlijnsubgroep hun zetel hebben.
Lid 2
Artikel 3:287, derde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:288i1
Lid 1
Een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, die een deelnemende onderneming is in een andere verzekeraar, of een gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in Nederland stelt een voorbereidend crisisplan op, dat voorziet in maatregelen die de verzekeraar in staat stelt zijn financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen, houdt dit plan bij en voert dit uit.
Lid 2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud, de indiening, de modellen en de periodiciteit van de indiening van het plan.
Lid 3
Indien een holding als bedoeld in het eerste lid, een voorbereidend crisisplan indient, vervalt de verplichting, bedoeld in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, onder 4°.
Artikel 3:288a
Lid 1
Een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar die een deelnemende onderneming is in een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, in een Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar of in een niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, draagt er zorg voor dat de verzekeringsrichtlijngroep de beschikking heeft over eigen vermogen dat ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzekeringsrichtlijngroep. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste, de samenstelling van de solvabiliteit, de periodiciteit en de termijnen van de rapportage en de beoordeling of de solvabiliteitsregeling van een derde land gelijkwaardig is aan die van de richtlijn solvabiliteit II.
Lid 2
Een gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in een lidstaat die aan het hoofd staat van een verzekeringsrichtlijngroep waarvan een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar deel uitmaakt, draagt er zorg voor dat die groep de beschikking heeft over eigen vermogen dat ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzekeringsrichtlijngroep. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste, de samenstelling van de solvabiliteit, de periodiciteit en de termijnen van de rapportage en de beoordeling of de solvabiliteitsregeling van een derde land gelijkwaardig is aan die van de richtlijn solvabiliteit II.
Lid 3
Indien de gemengde financiële holding of verzekeringsholding de verplichting, bedoeld in het tweede lid, niet of niet tijdig nakomt, rust die verplichting eveneens op de Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar.
Lid 4
Indien de Nederlandsche Bank groepstoezichthouder is, houdt zij toezicht op het bepaalde in het eerste tot en met derde lid. De artikelen 3:57, vijfde lid, 3:57a, 3:135 en 3:136 zijn van overeenkomstige toepassing.
Lid 5
Zodra niet meer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de richtlijngroep of het gevaar dreigt dat daaraan de drie volgende maanden niet wordt voldaan, stelt de verzekeraar, bedoeld in het eerste lid, of de holding, bedoeld in het tweede lid, de Nederlandsche Bank daarvan in kennis indien de Nederlandsche Bank groepstoezichthouder is. Indien de gemengde financiële holding of verzekeringsholding de bedoelde verplichting niet of niet tijdig nakomt, rust die verplichting eveneens op de verzekeraars, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 3:288aa
Het is een gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in Nederland die aan het hoofd staat van een groep waarvan een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar deel uitmaakt, verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank, haar vermogen door terugbetaling van kapitaal of uitkering van reserves te verminderen dan wel een dividenduitkering te doen, indien de groep ten tijde van deze terugbetaling dan wel uitkering niet voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste of zou kunnen worden voorzien dat zij in de twaalf volgende maanden niet meer aan dat vereiste kan voldoen.
Artikel 3:288b
Lid 1
De Nederlandsche Bank kan een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar die deel uitmaakt van een verzekeringsrichtlijngroep in bepaalde gevallen overeenkomstig artikel 3:132 een kapitaalopslag op het solvabiliteitskapitaalvereiste opleggen dan wel een van de andere in artikel 238, tweede of derde lid, van de richtlijn solvabiliteit II genoemde maatregelen toepassen.
Lid 2
Indien de Nederlandsche Bank groepstoezichthouder is, kan zij in bepaalde gevallen op het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste een kapitaalopslag toepassen. Artikel 3:132 is van overeenkomstige toepassing.
Lid 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de omstandigheden waarin een kapitaalopslag kan worden opgelegd, de berekening, de gevolgen van de kapitaalopslag, de aannames en de voorwaarden die ten grondslag liggen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, daaronder begrepen de voorwaarden voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste bij een gecentraliseerd risicobeheer.
Artikel 3:288c
Artikel 3:288b is van overeenkomstige toepassing op een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar die een dochteronderneming is van een gemengde financiële holding of verzekeringsholding.
Artikel 3:288d
Een verzekeringsrichtlijngroep waarvan een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar deel uitmaakt, past artikel 3:69a toe op de waardering van de activa en passiva van de groep.
Artikel 3:288e
Lid 1
Een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar die aan het hoofd staat van een verzekeringsrichtlijngroep of de gemengde financiële holding of verzekeringsholding dient periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen een rapportage in bij de groepstoezichthouder . In die rapportage worden opgenomen alle significante risicoconcentraties van de verzekeraars op het niveau van de groep.
Lid 2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud, de verstrekking, de modellen en de periodiciteit van de rapportage.
Lid 3
In afwijking van het eerste lid kan de Nederlandsche Bank, indien zij groepstoezichthouder is bepalen, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende instanties en met de verzekeringsrichtlijngroep, dat de rapportage aan haar wordt overgelegd door een door haar aangewezen verzekeraar in die groep.
Lid 4
Indien de Nederlandsche Bank groepstoezichthouder is, bepaalt zij, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende instanties en de verzekeringsrichtlijngroep, welke categorieën van risico’s door de verzekeraars in die groep in elk geval worden gerapporteerd.
Lid 5
Bij het overleg over de categorieën van risico’s die door de verzekeraars in de verzekeringsrichtlijngroep worden gerapporteerd, houdt de Nederlandsche Bank in haar hoedanigheid als groepstoezichthouder of als betrokken toezichthouder rekening met de specifieke groeps- en risicomanagementstructuur van de groep.
Lid 6
De Nederlandsche Bank bepaalt indien zij groepstoezichthouder is, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende instanties en de verzekeringsrichtlijngroep, met het oog op de aanmerking als significante risicoconcentratie die wordt gerapporteerd de drempels op basis van het solvabiliteitsvermogen of de technische voorzieningen.
Lid 7
De Nederlandsche Bank besteedt bij haar toezicht op significante risicoconcentraties aandacht aan mogelijke besmettingsrisico’s in de verzekeringsrichtlijngroep, het risico van belangenconflicten en het niveau of de omvang van de risico’s.
Artikel 3:288f
Lid 1
Een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar die aan het hoofd staat van een verzekeringsrichtlijngroep of de gemengde financiële holding of verzekeringsholding dient periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen een rapportage in bij de groepstoezichthouder. In die rapportage worden opgenomen alle significante intragroepsovereenkomsten en -posities verricht door de aan het verzekeringsrichtlijngroepstoezicht onderworpen verzekeraars, daaronder begrepen de intragroepsovereenkomsten en -posities met natuurlijke personen die met de groep zijn verbonden door een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur. Zeer significante intragroepsovereenkomsten en -posities van de verzekeraars in die groep worden, zodra zulks praktisch mogelijk is, gerapporteerd.
Lid 2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud, de verstrekking, de modellen en de periodiciteit van de rapportage.
Lid 3
In afwijking van het eerste lid kan de Nederlandsche Bank indien zij groepstoezichthouder is bepalen, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende instanties en met de verzekeringsrichtlijngroep, dat de rapportage aan haar wordt overgelegd door een door haar aangewezen verzekeraar in die groep.
Lid 4
De Nederlandsche Bank bepaalt indien zij groepstoezichthouder is, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende instanties en de verzekeringsrichtlijngroep, welke categorieën van intragroepsovereenkomsten en -posities door de verzekeraars in die groep in elk geval worden gerapporteerd.
Lid 5
Artikel 3:288e, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:288g
Lid 1
Indien een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar een dochteronderneming is van een gemengde verzekeringsholding is, oefent de Nederlandsche Bank toezicht uit op de intragroepsovereenkomsten en -posities tussen bedoelde verzekeraars en de gemengde verzekeringsholding en de met haar verbonden ondernemingen.
Lid 2
De artikelen 1:51e, 1:53, 1:56, 3:288f en 3:295 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:288h
Lid 1
De artikelen 3:8, 3:9, 3:173:18, en 3:72, derde, zesde en achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het niveau van de verzekeringsrichtlijngroep.
Lid 2
Een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:285, eerste en tweede lid, past de risicomanagement- en internecontrolesystemen en rapportageprocedures in de verzekeringsrichtlijngroep consequent toe waardoor deze systemen en procedures op het niveau van die groep kunnen worden gecontroleerd.
Lid 3
Een in het tweede lid bedoelde verzekeraar beschikt over internecontrolesystemen die ten minste omvatten:
adequate procedures met betrekking tot de groepssolvabiliteit om alle bestaande materiële risico’s te bepalen en te meten en het in aanmerking komend eigen vermogen naar behoren af te stemmen op de risico’s;
gedegen rapportage- en financiële- verslaggevingprocedures om de intragroepsovereenkomsten en -posities en de risicoconcentratie te bewaken en te beheren.
Lid 4
Een in het tweede lid bedoelde verzekeraar of de gemengde financiële holding of verzekeringsholding voert de ingevolge artikel 3:17, tweede lid, vereiste beoordeling van het eigen risico en solvabiliteit uit op het niveau van de groep.
Lid 5
De in het tweede lid bedoelde verzekeraar draagt er zorg voor dat indien de berekening van de solvabiliteit op het niveau van de richtlijngroep wordt uitgevoerd met gebruikmaking van de standaardmethode, de groepstoezichthouder inzicht heeft in het verschil tussen de som van de solvabiliteitskapitaalvereisten van alle verzekeraars in de verzekeringsrichtlijngroep en het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van die groep.
Lid 6
Indien de Nederlandsche Bank groepstoezichthouder is, oefent zij toezicht uit op het bepaalde in het eerste tot en met derde lid. De artikelen 1:51e, 1:55a, 1:58e, 3:288i, 3:288j en 3:288k zijn van toepassing.
Lid 7
Indien de Nederlandsche Bank groepstoezichthouder is, kan zij er mee instemmen dat de beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit tegelijkertijd op het niveau van de verzekeringsrichtlijngroep en op het niveau van een dochteronderneming van die groep worden uitgevoerd en dat een document wordt opgesteld dat op alle beoordelingen betrekking heeft.
Lid 8
Indien de verzekeringsverzekeringsgroep gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in het zevende lid, wordt het document, bedoeld in het zevende lid, tegelijkertijd aan alle betrokken toezichthoudende instanties gestuurd.
Artikel 3:288i
Lid 1
Een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar die een deelnemende onderneming is in een andere verzekeraar, of een gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in Nederland maakt jaarlijks openbaar:
een rapport over de solvabiliteit en de financiële toestand op het niveau van de verzekeringsrichtlijngroep; en
de juridische structuur en governance- en organisatiestructuur, met inbegrip van een beschrijving van alle dochterondernemingen, materieel verbonden ondernemingen en significante bijkantoren die deel uitmaken van de verzekeringsrichtlijngroep.
Lid 2
Ten aanzien van het eerste lid, onderdeel a, is artikel 3:73c, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Lid 3
Indien de holding de verplichting, bedoeld in het eerste lid niet of niet tijdig nakomt, rust die verplichting eveneens op een Nederlandse verzekeraar die deel uitmaakt van de verzekeringsrichtlijngroep waarvan de holding deel uitmaakt.
Lid 4
Indien de in het eerste lid bedoelde verzekeraar of holding daartoe besluit en de groepstoezichthouder daarmee instemt, kan die verzekeraar of holding één rapport over de solvabiliteit en de financiële toestand van de verzekeringsrichtlijngroep verstrekken. Dat rapport bevat:
de informatie op het niveau van de groep die op grond van het eerste lid openbaar wordt gemaakt;
de informatie over de dochterondernemingen binnen de groep die overeenkomstig artikel 3:73c, eerste en tweede lid, individueel te herleiden is en openbaar wordt gemaakt.
Lid 5
In geval van toepassing van het vierde lid behoeven de afzonderlijke verzekeraars in de groep het rapport, bedoeld in artikel 3:73c, eerste lid, niet openbaar te maken.
Lid 6
Indien het rapport, bedoeld in het vierde lid, niet de informatie bevat over een Nederlandse verzekeraar die de Nederlandsche Bank van vergelijkbare verzekeraars verlangt en indien wezenlijke informatie ontbreekt, kan zij van de betrokken verzekeraar verlangen dat hij de aanvullende informatie openbaar maakt.
Artikel 3:288j
Lid 1
In het geval van artikel 3:285, derde lid, besluit de Nederlandsche Bank indien zij groepstoezichthouder zou zijn met inachtneming van artikel 260, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II of het toezicht dat wordt uitgeoefend door de toezichthoudende instantie van de moederonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is, gelijkwaardig is aan het verzekeringsrichtlijngroepstoezicht, bedoeld in artikel 3:285, tweede lid, onverminderd het vijfde en zesde lid.
Lid 2
De Nederlandsche Bank onderzoekt regelmatig of haar besluit, bedoeld in het eerste lid, zal worden herzien.
Lid 3
De Nederlandsche Bank neemt het besluit, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de moederonderneming, bedoeld in het eerste lid, van de Nederlandse of Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar in de verzekeringsrichtlijngroep of op eigen initiatief, tenzij de Europese Commissie een uitspraak heeft gedaan over de gelijkwaardigheid van het toezicht van de betrokken staat.
Lid 4
De Nederlandsche Bank oefent, behoudens artikel 260, zevende lid, van de richtlijn solvabiliteit II, het verzekeringsrichtlijngroepstoezicht, bedoeld in artikel 3:285, derde lid, niet uit indien ingevolge het eerste lid of artikel 260, derde of vijfde lid, van die richtlijn besloten is dat het groepstoezicht gelijkwaardig is.
Lid 5
Indien de moederonderneming, bedoeld in het eerste lid, een dochteronderneming is van een gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in een staat die geen lidstaat is, of van een niet Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, neemt de Nederlandsche Bank het besluit, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming die een gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in een staat die geen lidstaat is, niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar is.
Lid 6
Indien gelijkwaardig toezicht als bedoeld in het eerste lid ontbreekt, kan de Nederlandsche Bank het eerste lid toepassen op een lager niveau van die groep ten aanzien van het toezicht van een staat die geen lidstaat is alwaar zich een moederonderneming bevindt, ongeacht of die moederonderneming een gemengde financiële holding of verzekeringsholding, een niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar is. De Nederlandsche Bank deelt haar besluit mee aan de verzekeringsrichtlijngroep. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:288k
Lid 1
Indien de Nederlandsche Bank groepstoezichthouder is en geen sprake is van gelijkwaardig toezicht als bedoeld in artikel 3:288j, eerste lid, of indien de Nederlandsche Bank artikel 3:288j, vierde lid, niet toepast in geval van tijdelijke gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 260, zevende lid, van de richtlijn solvabiliteit II, zijn de artikelen 1:51e, 1:53, 1:55a, 1:56, 1:58e, 3:288a, 3:288b, eerste en derde lid, 3:288d, 3:288e, 3:288f, 3:288h en 3:288i van overeenkomstige toepassing.
Lid 2
De algemene beginselen, vervat in de artikelen 1:51e, 1:53, 1:55a, 1:56, 1:58e, 3:271, 3:272, 3:288a tot en met 3:288f, 3:288h en 3:288i zijn van toepassing op het niveau van de gemengde financiële holding, verzekeringsholding, niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar.
Lid 3
Uitsluitend voor de berekening van de verzekeringsrichtlijngroepssolvabiliteit wordt de moederonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is, behandeld alsof zij een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar is waarop artikel 3:57, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is voor wat betreft het voor het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komende eigen vermogen evenals:
het overeenkomstig artikel 3:288a, tweede lid, bepaalde solvabiliteitskapitaalvereiste indien zij gemengde financiële holding of verzekeringsholding is;
het overeenkomstig artikel 3:288a, eerste lid, bepaalde solvabiliteitskapitaalvereiste indien zij een niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar is.
Lid 4
De Nederlandsche Bank kan andere methoden toepassen die passend toezicht waarborgen op herverzekeraars, levensverzekeraars en schadeverzekeraars in een verzekeringsrichtlijngroep.
Artikel 3:289
Lid 1
Tenzij die bevoegdheid op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht aan de Europese Centrale Bank toekomt, stelt de Nederlandsche Bank in overeenstemming met de relevante toezichthoudende instanties, en met toepassing van artikel 3 van de richtlijn financiële conglomeraten, vast of een groep een financieel conglomeraat is. Bij de vaststelling neemt zij de artikelen 30 en 30bis van die richtlijn in acht.
Lid 2
De Nederlandsche Bank kan, in overeenstemming met de relevante toezichthoudende instanties, en met inachtneming van artikel 3, leden 3 en 3bis, van de richtlijn financiële conglomeraten, besluiten de artikelen 3:269a, 3:297 en 3:298 niet toe te passen, indien zij de toepassing van die artikelen in het licht van de doeleinden van het toezicht onnodig, ongepast of misleidend acht.
Artikel 3:290
Lid 1
Indien de Nederlandsche Bank in overeenstemming met artikel 10 van de richtlijn financiële conglomeraten is aangewezen als coördinator, maakt zij aan de onderneming die aan het hoofd van de richtlijngroep staat, of bij ontbreken daarvan aan de in artikel 4, tweede lid, van de richtlijn bedoelde gereglementeerde entiteit, het besluit bekend dat de groep als financieel conglomeraat is aangemerkt en dat de Nederlandsche Bank als coördinator is aangewezen.
Lid 2
Bij de toepassing van artikel 10 van de richtlijn financiële conglomeraten wordt de Nederlandsche Bank beschouwd als de toezichthouder die een vergunning heeft verleend aan een beheerder van beleggingsinstellingen, een beheerder van icbe’s, of aan een beleggingsonderneming.
Artikel 3:291
Lid 1
Indien de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 10 van de richtlijn financiële conglomeraten is aangewezen als coördinator, heeft het toezicht overeenkomstig de artikelen 3:269a en 3:296 tot en met 3:298 betrekking op elke gereglementeerde entiteit van het financiële conglomeraat.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid oefent de Nederlandsche Bank geen toezicht overeenkomstig de artikelen 3:269a en 3:296 tot en met 3:298 uit op gereglementeerde entiteiten van een financieel conglomeraat waarvan de moederonderneming een gereglementeerde entiteit of een gemengde financiële holding is met zetel in een staat die geen lidstaat is indien zij heeft vastgesteld dat het toezicht door de toezichthoudende instantie van die staat op de gereglementeerde entiteiten van het financiële conglomeraat gelijkwaardig is aan het toezicht op gereglementeerde entiteiten, bedoeld in het eerste lid. De Nederlandsche Bank oefent eveneens geen toezicht uit op een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland die deel uitmaakt van een financieel conglomeraat als bedoeld in de eerste volzin, indien zij niet de coördinator is en de coördinator een vaststelling heeft gedaan die overeenkomt met een vaststelling als bedoeld in de eerste volzin.
Lid 3
De Nederlandsche Bank kan, in geval van een financieel conglomeraat als bedoeld in het tweede lid en indien er geen sprake is van gelijkwaardig toezicht als bedoeld in dat lid, toezicht op de gereglementeerde entiteiten met zetel in Nederland van dat financieel conglomeraat op een andere wijze uitoefenen dan bedoeld in het eerste lid, indien die wijze passend is, waarborgt dat de doeleinden van het toezicht worden bereikt en, indien de Nederlandsche Bank niet zelf de coördinator is, daarvoor toestemming is verleend door de coördinator.
Lid 4
De Nederlandsche Bank stelt, in samenwerking met de relevante toezichthoudende instanties, vast in hoeverre toezicht als bedoeld in deze afdeling wordt uitgeoefend op een gereglementeerde entiteit waarop artikel 5, vierde lid, van de richtlijn financiële conglomeraten van toepassing is.
Lid 5
Indien van een financieel conglomeraat een ander financieel conglomeraat deel uitmaakt, is het toezicht, bedoeld in deze afdeling, slechts van toepassing op het gehele financiële conglomeraat.
Lid 6
In afwijking van het vijfde lid kan de Nederlandsche Bank op verzoek van een financieel conglomeraat dat deel uitmaakt van een ander financieel conglomeraat besluiten dat het toezicht, bedoeld in deze afdeling, van toepassing is op de afzonderlijke financiële conglomeraten die deel uitmaken van dat andere financieel conglomeraat.
Artikel 3:292
Lid 1
Indien de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 10 van de richtlijn financiële conglomeraten is aangewezen als coördinator:
coördineert zij de verzameling en verspreiding van informatie die relevant of essentieel is in normale omstandigheden en in noodsituaties, met inbegrip van de verspreiding van informatie die van belang is voor het prudentieel toezicht op grond van de sectorale voorschriften;
ziet zij toe op en beoordeelt zij de financiële situatie van het financiële conglomeraat als geheel;
ziet zij toe op de naleving van de voorschriften inzake kapitaaltoereikendheid, risicoconcentratie en intragroepsovereenkomsten en -posities, bedoeld in de artikelen 3:296 tot en met 3:298;
ziet zij toe op de naleving van de regels met betrekking tot de bedrijfsvoering van het financieel conglomeraat, bedoeld in artikel 3:269a; en
plant en coördineert zij toezichtactiviteiten in normale omstandigheden en in noodsituaties, in samenwerking met de relevante toezichthoudende instanties.
Lid 2
Indien de Nederlandsche Bank als coördinator of als toezichthouder informatie nodig heeft die reeds aan een andere toezichthoudende instantie van een andere lidstaat is verstrekt, richt zij zich eerst tot deze toezichthoudende instantie.
Artikel 3:293
Lid 1
Op een gemengde financiële holding die deel uitmaakt van een financieel conglomeraat waarvoor de Nederlandsche Bank als coördinator is aangewezen, kan de Nederlandsche Bank artikel 1:75 toepassen indien, niettegenstaande dat voldaan is aan de artikelen 3:269a, 3:296 tot en met 3:298 of bepalingen van andere lidstaten die naar strekking daarmee overeenkomen, de solvabiliteit in gevaar zou kunnen worden gebracht dan wel de intragroepsovereenkomsten en -posities of de risicoconcentraties de financiële positie van een gereglementeerde entiteit die tot het financieel conglomeraat behoort, bedreigen of kunnen bedreigen.
Lid 2
Indien, niettegenstaande dat een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland voldoet aan de artikelen 3:269a en 3:296 tot en met 3:298, de solvabiliteit in gevaar zou kunnen worden gebracht dan wel de intragroepsovereenkomsten en -posities of de risicoconcentraties de financiële positie van die gereglementeerde entiteit bedreigen of kunnen bedreigen, kan de Nederlandsche Bank maatregelen nemen jegens die gereglementeerde entiteit.
Lid 3
Indien de Nederlandsche Bank geen coördinator is, kan zij op een gemengde financiële holding met zetel in Nederland die deel uitmaakt van een financieel conglomeraat de artikelen 1:75, 1:79 tot en met 1:81 en 1:85 toepassen indien die holding of een gereglementeerde entiteit die tot dat financiële conglomeraat behoort in strijd handelt met de artikelen 3:269a en 3:296 tot en met 3:298 of met bepalingen van andere lidstaten die naar strekking daarmee overeenkomen. Artikel 1:75 is eveneens van toepassing indien aan bedoelde bepalingen weliswaar wordt voldaan maar de solvabiliteit toch in gevaar zou kunnen worden gebracht dan wel de intragroepsovereenkomsten en -posities of de risicoconcentraties de financiële positie van een gereglementeerde entiteit die tot het financieel conglomeraat behoort, bedreigen of kunnen bedreigen.
Artikel 3:294
Vervallen
Artikel 3:295
Vervallen
Artikel 3:296
Lid 1
Een onderneming die, alleen of tezamen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat waarvan een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt, draagt er zorg voor dat zij op geconsolideerde basis dan wel geaggregeerde grondslag voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels met betrekking tot de kapitaaltoereikendheid van het conglomeraat, indien de Nederlandsche Bank coördinator is. Deze regels hebben betrekking op de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de rapportage, alsmede op de berekening van de kapitaaltoereikendheid.
Lid 2
Indien een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt van een financieel conglomeraat, draagt de onderneming, bedoeld in het eerste lid, er zorg voor dat er adequate kapitaaltoereikendheidsstrategieën zijn voor het conglomeraat als geheel.
Lid 3
Indien de onderneming de verplichting, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet of niet tijdig nakomt, rust die verplichting eveneens op de in dat lid bedoelde gereglementeerde entiteit.
Lid 4
Indien de Nederlandsche Bank coördinator is verstrekt de onderneming, bedoeld in het eerste lid, of een tot de groep behorende gereglementeerde entiteit die door de Nederlandsche Bank na overleg met de relevante toezichthoudende instanties en met het financiële conglomeraat is aangewezen, aan de Nederlandsche Bank ten minste een maal per jaar een berekening, tezamen met de bij die berekening gebruikte gegevens, waaruit blijkt of aan het eerste lid wordt voldaan.
Lid 5
Indien de Nederlandsche Bank is aangewezen als coördinator kan zij besluiten een richtlijngroepslid niet in aanmerking te nemen bij de berekening van de kapitaaltoereikendheid indien:
het richtlijngroepslid zijn zetel heeft in een staat die geen lidstaat is waar wettelijke belemmeringen bestaan voor het verstrekken van de benodigde informatie;
het richtlijngroepslid in het licht van de doelstellingen van het toezicht als bedoeld in deze afdeling van te verwaarlozen betekenis is; of
het in aanmerking nemen van het richtlijngroepslid in het licht van de doelstellingen van het toezicht als bedoeld in deze afdeling misplaatst of misleidend zou zijn.
Lid 6
Het vijfde lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien het meer dan een richtlijngroepslid betreft en de desbetreffende richtlijngroepsleden gezamenlijk van niet te verwaarlozen betekenis zijn.
Lid 7
In het geval, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, raadpleegt de Nederlandsche Bank, behoudens in spoedeisende gevallen, de relevante toezichthoudende instanties voordat zij een besluit neemt.
Lid 8
Ten aanzien van een groep die geen financieel conglomeraat is en waarvan naast een beleggingsonderneming of bank met zetel in Nederland een levensverzekeraar, schadeverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland deel uitmaakt, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de kapitaaltoereikendheid. De onderneming die, alleen of tezamen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van de groep draagt er zorg voor dat aan die regels wordt voldaan.
Artikel 3:297
Lid 1
Een onderneming die, alleen of tezamen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat waarvan een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt, rapporteert regelmatig en ten minste eenmaal per jaar alle significante risicoconcentraties op het niveau van het financiële conglomeraat aan de Nederlandsche Bank indien deze coördinator is.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid kan de Nederlandsche Bank bepalen, na overleg met de andere relevante toezichthoudende instanties en met het financiële conglomeraat, dat de rapportage aan haar wordt overgelegd door een door haar aangewezen gereglementeerde entiteit die deel uitmaakt van het financiële conglomeraat.
Lid 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de rapportage, bedoeld in het eerste lid. Deze regels hebben betrekking op de inhoud, de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de rapportage.
Lid 4
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot kwantitatieve limieten of andere maatregelen ter beperking van de risicoconcentratie.
Lid 5
Toepassing van dit artikel geschiedt met inachtneming van artikel 7, vierde lid, van de richtlijn financiële conglomeraten.
Artikel 3:298
Lid 1
Een onderneming die, alleen of tezamen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat waarvan een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt, rapporteert regelmatig en ten minste eenmaal per jaar alle significante intragroepsovereenkomsten en -posities van gereglementeerde entiteiten in het financiële conglomeraat aan de Nederlandsche Bank indien deze coördinator is.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid kan de Nederlandsche Bank bepalen, na overleg met de andere relevante toezichthoudende instanties en met het financiële conglomeraat, dat de rapportage aan haar wordt overgelegd door een door haar aangewezen gereglementeerde entiteit.
Lid 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de rapportage, bedoeld in het eerste lid. Deze regels hebben betrekking op de inhoud, de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de rapportage.
Lid 4
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot kwantitatieve of kwalitatieve limieten voor intragroepsovereenkomsten en -posities of met betrekking tot maatregelen die hetzelfde doel beogen.
Lid 5
Toepassing van dit artikel geschiedt met inachtneming van artikel 8, vierde lid, van de richtlijn financiële conglomeraten.
Artikel 3:299
Lid 1
Een onderneming die, alleen of tezamen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat waarvan een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt, informeert de Nederlandsche Bank ten minste eenmaal per jaar over de juridische structuur, het bestuur en de organisatiestructuur van de groep, met inbegrip van alle tot de groep behorende gereglementeerde entiteiten, niet gereguleerde dochterondernemingen en significante bijkantoren.
Lid 2
Een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland maakt jaarlijks op het niveau van het financieel conglomeraat een beschrijving openbaar van de juridische structuur, het bestuur en de organisatiestructuur van de groep, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar gelijkwaardige informatie.
Artikel 3:300
Lid 1
Deze afdeling is van toepassing op overeenkomsten die strekken tot het verlenen van financiële steun aan een partij bij de overeenkomst, wanneer die partij voldoet aan de voorwaarden voor vervroegde interventie, bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tussen:
een EU-moederinstelling met zetel in Nederland en één of meer entiteiten als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel a tot en met f, met zetel in een andere lidstaat;
één of meer entiteiten als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel a tot en met f, met zetel in Nederland en een EU-moederinstelling met zetel in een andere lidstaat.
Lid 2
Een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid bevat geen vereisten als bedoeld in artikel 19, derde lid, onderdelen a en b, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
Artikel 3:301
Lid 1
Een EU-moederinstelling met zetel in Nederland behoeft voor het sluiten of wijzigen van een overeenkomst voor het verlenen van financiële steun goedkeuring van de consoliderende toezichthouder.
Lid 2
Indien de Nederlandsche Bank consoliderende toezichthouder is, kan zij, met inachtneming van de procedure in artikel 20 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, goedkeuring onthouden, indien de overeenkomst niet voldoet aan het bepaalde ingevolge de artikelen 19, vijfde lid, onderdeel b, zevende en achtste lid, en 23 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
Artikel 3:302
Lid 1
Een EU-moederinstelling met zetel in Nederland die van de consoliderende toezichthouder goedkeuring heeft verkregen voor het sluiten of wijzigen van een overeenkomst voor het verlenen van financiële steun, legt die overeenkomst of de wijziging daarvan ter goedkeuring voor aan haar algemene vergadering. De overeenkomst dan wel de wijziging heeft eerst rechtsgevolgen nadat goedkeuring van de algemene vergadering is verkregen.
Lid 2
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op entiteiten als bedoeld in artikel 3:300, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 3:303
Lid 1
Een EU-moederinstelling met zetel in Nederland brengt jaarlijks schriftelijk verslag uit aan haar algemene vergadering over de uitvoering van overeenkomsten voor het verlenen van financiële steun waarbij zij partij is, alsmede van de op grond van die overeenkomsten genomen besluiten.
Lid 2
Een EU-moederinstelling met zetel in Nederland maakt, overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 26 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, openbaar:
of zij een overeenkomst voor het verlenen van financiële steun is aangegaan;
een beschrijving van de voorwaarden van de aangegane overeenkomsten; en
de namen van de groepsentiteiten die partij zijn bij de aangegane overeenkomsten.
Zij werkt deze informatie ten minste eenmaal per jaar bij. De artikelen 431 tot en met 434 van de verordening kapitaalvereisten zijn van overeenkomstige toepassing.
Lid 3
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op entiteiten als bedoeld in artikel 3:300, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 3:304
Een beslissing van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel a tot en met f, om op grond van een overeenkomst financiële steun te verlenen of te aanvaarden voldoet aan het bepaalde ingevolge artikel 24 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
Artikel 3:305
Lid 1
Een EU-moederinstelling met zetel in Nederland die voornemens is op grond van een overeenkomst financiële steun te verlenen brengt dit ter kennis van de consoliderende toezichthouder, de toezichthoudende instantie van de groepsentiteit waaraan de steun zal worden verleend en de Europese Bankautoriteit. De kennisgeving voldoet aan het bepaalde ingevolge artikel 25, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
Lid 2
De Nederlandsche Bank kan de uitvoering van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, verbieden dan wel daaraan voorwaarden verbinden indien zij van oordeel is dat niet aan de in artikel 23 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bedoelde voorwaarden voor het verlenen van financiële steun binnen de groep is voldaan.
Lid 3
Een EU-moederinstelling met zetel in Nederland kan overgaan tot het verlenen van financiële steun indien de uitvoering van het voornemen niet binnen vijf werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving door de Nederlandsche Bank ingevolge het tweede lid is verboden dan wel is goedgekeurd.
Lid 4
Een EU-moederinstelling met zetel in Nederland die overgaat tot het verlenen van financiële steun geeft daarvan kennis aan de in artikel 25, zesde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bedoelde instanties.
Lid 5
Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op entiteiten als bedoeld in artikel 3:300, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 3:306
Lid 1
Indien twee of meer banken waaraan een vergunning is verleend uit hoofde van artikel 8 van de richtlijn kapitaalvereisten of beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend uit hoofde van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 met zetel in een lidstaat deel uitmaken van een groep waarvan de moederonderneming haar zetel heeft in een staat die geen lidstaat is, hebben bedoelde banken en beleggingsondernemingen met zetel in Nederland die deel uitmaken van die groep één enkele intermediaire EU-moederonderneming als bedoeld in artikel 21 ter van de richtlijn kapitaalvereisten, die dezelfde is als de intermediaire EU-moederonderneming van alle bedoelde banken en beleggingsondernemingen met zetel in een lidstaat in die groep.
Lid 2
Een intermediaire EU-moederonderneming is:
een financiële holding of gemengde financiële holding waaraan overeenkomstig artikel 21 bis van de richtlijn kapitaalvereisten goedkeuring is verleend; hetzij
een van de banken uit de groep bedoeld in het eerste lid, waaraan overeenkomstig artikel 8 van de richtlijn kapitaalvereisten een vergunning is verleend, met dien verstande dat die bank dan zelf geen intermediaire EU-moederonderneming heeft.
Lid 3
De Nederlandsche Bank kan goedkeuren dat een bank waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 is verleend of een beleggingsonderneming waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend, die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in het eerste lid, een andere intermediaire EU-moederonderneming heeft dan die bedoeld in het eerste lid die voldoet aan het tweede lid, indien het hebben van één enkele intermediaire EU-moederonderneming voor alle in het eerste lid bedoelde banken en beleggingsondernemingen met zetel in een lidstaat in die groep:
niet in overeenstemming is met een verplicht voorschrift inzake scheiding van activiteiten waaraan de moederonderneming van die groep is onderworpen; of
de afwikkelbaarheid minder doeltreffend zou maken volgens een beoordeling van de bevoegde afwikkelingsautoriteit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 18, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, van de intermediaire EU-moederonderneming, bedoeld in het eerste lid.
Lid 4
In afwijking van het tweede lid kan de intermediaire EU-moederonderneming een beleggingsonderneming zijn waarop het aanvangskapitaalvereiste als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen van toepassing is en waaraan een vergunning is verleend uit hoofde van artikel 5, eerste lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, indien uitsluitend beleggingsondernemingen met zetel in een lidstaat waaraan een vergunning is verleend uit hoofde van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 deel uitmaken van een groep als bedoeld in het eerste lid en met dien verstande dat die beleggingsonderneming dan zelf geen intermediaire EU-moederonderneming heeft.
Lid 5
In afwijking van het derde lid kan de tweede intermediaire EU-moederonderneming een beleggingsonderneming zijn waarop het aanvangskapitaalvereiste van artikel 9, eerste lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen van toepassing is en waaraan een vergunning is verleend uit hoofde van artikel 5, eerste lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, indien dat noodzakelijk is in verband met een voorschrift of beoordeling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of b, inzake het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten, met dien verstande dat die beleggingsonderneming dan zelf geen intermediaire EU-moederonderneming heeft.
Lid 6
Het eerste lid is niet van toepassing indien de totale waarde van de activa van de groep, bedoeld in het eerste lid, binnen de Europese Unie minder bedraagt dan 40 miljard euro, waarbij de totale waarde van de activa van de groep wordt berekend met inachtneming van artikel 21 ter, vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.