Hoofdstuk 3. Deel Prudentieel Toezicht Financiële Ondernemingen

Artikel 3:7

Lid 1

Het is een ieder verboden het woord «bank» of vertalingen of vormen daarvan te bezigen in zijn naam of bij de uitoefening van zijn bedrijf, tenzij zulks in zodanige samenhang geschiedt, dat daaruit duidelijk blijkt, dat hij niet werkzaam is op de financiële markten.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing op:

  1. financiële instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling hebben als bedoeld in artikel 3:110 of die hebben voldaan aan het in artikel 2:25 of 2:26 bepaalde met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in bijlage I bij de richtlijn kapitaalvereisten vanuit een bijkantoor onderscheidenlijk door middel van het verrichten van diensten;

  2. banken die een door de Europese Centrale Bank, de Nederlandsche Bank of de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat verleende vergunning hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van een bank; en

  3. vertegenwoordigende organisaties van onder toezicht staande banken of financiële instellingen.

Lid 3

Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van het eerste lid.

Lid 4

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid, indien de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld waaraan de houder van een ontheffing dient te voldoen en met betrekking tot het verlenen van de ontheffing.

Artikel 3:8

Lid 1

Het dagelijks beleid van een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling met zetel in Nederland wordt bepaald door personen die geschikt zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van de financiële onderneming. Indien binnen de financiële onderneming een orgaan is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming, wordt dit toezicht gehouden door personen die geschikt zijn voor de uitoefening van dit toezicht. De in dit lid bedoelde geschiktheidseis is van overeenkomstige toepassing op personen werkzaam onder verantwoordelijkheid van een bank, kredietunie of verzekeraar met zetel in Nederland, die een leidinggevende functie vervullen direct onder het echelon van de beleidsbepalers en verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden.

Lid 2

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot een door personen als bedoeld in het eerste lid in het kader van de geschiktheid af te leggen eed of belofte .

Lid 3

De samenstelling en het functioneren van het bestuur en, voor zover aanwezig, van het orgaan dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van een bank, voldoet aan het bepaalde ingevolge artikel 91 van de richtlijn kapitaalvereisten, met dien verstande dat:

  1. het bepaalde in het derde lid, tweede volzin, en het vierde tot en met zesde lid van dat artikel toepassing vindt indien een bank significant is;

  2. de artikelen 132a, 142a, 242a en 252a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zijn op significante banken als bedoeld in onderdeel a; en

  3. voor de toepassing van het bepaalde in het derde lid van artikel 91 van de richtlijn als uitvoerende bestuursfunctie worden aangemerkt de functies van bestuurder en van uitvoerende bestuurder, indien de bestuurstaken bij een rechtspersoon zijn verdeeld over uitvoerende bestuurders en niet uitvoerende bestuurders, en als niet-uitvoerende bestuursfunctie worden aangemerkt de functies van commissaris en van niet uitvoerende bestuurder, indien de bestuurstaken bij een rechtspersoon zijn verdeeld over uitvoerende bestuurders en niet uitvoerende bestuurders.

Lid 4

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer een bank, gezien haar omvang, interne organisatie en aard, schaal en complexiteit van werkzaamheden, significant is en kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de geschiktheid van de personen, bedoeld in het eerste lid, alsmede de samenstelling en het functioneren van het bestuur en van het orgaan belast met toezicht, bedoeld in het derde lid, aanhef.

Artikel 3:9

Lid 1

Het beleid van een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling met zetel in Nederland wordt bepaald of mede bepaald door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Indien binnen de financiële onderneming een orgaan is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming, wordt dit toezicht gehouden door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. De in dit lid bedoelde betrouwbaarheidseis is van overeenkomstige toepassing op personen werkzaam onder verantwoordelijkheid van een bank, kredietunie of verzekeraar met zetel in Nederland, die een leidinggevende functie vervullen direct onder het echelon van de beleidsbepalers en verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden.

Lid 2

De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.

Lid 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt vastgesteld of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid buiten twijfel staat en welke feiten en omstandigheden daarbij in aanmerking worden genomen alsmede met betrekking tot de misdrijven die, indien begaan door die persoon, met het oog op de belangen die de wet beoogt te beschermen, tot de vaststelling leiden dat de betrouwbaarheid van die persoon niet buiten twijfel staat.

Artikel 3:9a

Lid 1

De uiteindelijk belanghebbende van een wisselinstelling met zetel in Nederland is, gelet op zijn reputatie, geschikt en zijn betrouwbaarheid staat buiten twijfel.

Lid 2

De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van deze wet, de Wet toezicht trustkantoren 2018 dan wel de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.

Lid 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt vastgesteld of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid buiten twijfel staat en welke feiten en omstandigheden daarbij in aanmerking worden genomen alsmede met betrekking tot de misdrijven die, indien begaan door die persoon, met het oog op de belangen die de wet beoogt te beschermen, tot de vaststelling leiden dat de betrouwbaarheid van die persoon niet buiten twijfel staat.

Lid 4

In dit artikel wordt verstaan onder uiteindelijk belanghebbende: uiteindelijk belanghebbende als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Artikel 3:10

Lid 1

Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling met zetel in Nederland voert een adequaat beleid dat een integere uitoefening van haar onderscheidenlijk zijn bedrijf waarborgt. Hieronder wordt verstaan dat:

  1. belangenverstrengeling wordt tegengegaan;

  2. wordt tegengegaan dat de financiële onderneming of haar werknemers strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kunnen schaden;

  3. wordt tegengegaan dat wegens haar cliënten het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kan worden geschaad; en

  4. wordt tegengegaan dat andere handelingen door de financiële onderneming of haar werknemers worden verricht die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de minimumvoorwaarden waaraan het beleid, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen.

Lid 3

Een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid verstrekt aan de Nederlandsche Bank bij algemene maatregel van bestuur te bepalen informatie over incidenten die verband houden met de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid.

Lid 4

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het tweede lid bepaalde indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 3:11

De artikelen 3:8, 3:9 en 3:10 zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van banken met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Artikel 3:12

De artikelen 3:8, 3:9 en 3:10 zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van levensverzekeraars of schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Artikel 3:12a

De artikelen 3:9, met uitzondering van het eerste lid, derde volzin, en 3:10 zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van wisselinstellingen met zetel in een aangewezen staat.

Artikel 3:13

De artikelen 3:8, 3:9 en 3:10 zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van clearinginstellingen met zetel in een niet-aangewezen staat, van entiteiten voor risico-acceptatie met zetel in een niet-aangewezen staat en van herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat, met dien verstande dat artikel 3:8, derde volzin, en artikel 3:9, derde volzin, uitsluitend van toepassing zijn op in Nederland gelegen bijkantoren van herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.

Artikel 3:13a

Lid 1

De artikelen 3:8 en 3:9 zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van afwikkelondernemingen met zetel in een niet-aangewezen staat.

Lid 2

Artikel 3:10 is van overeenkomstige toepassing op afwikkelondernemingen met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren dan wel door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.

Artikel 3:14

De artikelen 3:8, 3:9 en 3:10 zijn van overeenkomstige toepassing op verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Artikel 3:14a

De artikelen 3:9, met uitzondering van het eerste lid, derde volzin, en 3:10 zijn van overeenkomstige toepassing op wisselinstellingen met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Artikel 3:15

Lid 1

Ten minste twee natuurlijke personen bepalen het dagelijks beleid van een afwikkelonderneming, betaalinstelling, een clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling of verzekeraar met zetel in Nederland.

Lid 2

De personen die het dagelijks beleid van een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid bepalen, verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit Nederland.

Lid 3

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid aan een afwikkelonderneming, een clearinginstelling of verzekeraar indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die het eerste lid beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 3:16

Lid 1

Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling of verzekeraar met zetel in Nederland is niet met personen verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur die in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op die financiële onderneming.

Lid 2

De betaalinstelling, bank, kredietunie, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, herverzekeraar, levensverzekeraar, premiepensioeninstelling, schadeverzekeraar is niet met personen verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur indien het recht van een staat die geen lidstaat is, dat op die personen van toepassing is, een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op die financiële onderneming.

Lid 3

De afwikkelonderneming, clearinginstelling of natura-uitvaartverzekeraar is niet met personen verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur indien het recht van een andere staat, dat op die personen van toepassing is, een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op die financiële onderneming.

Artikel 3:17

Lid 1

Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling met zetel in Nederland richt de bedrijfsvoering zodanig in dat deze een beheerste en integere uitoefening van haar onderscheidenlijk zijn bedrijf waarborgt.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels hebben betrekking op:

  1. het beheersen van bedrijfsprocessen en bedrijfsrisico’s;

  2. integriteit, waaronder wordt verstaan het tegengaan van:

    1. belangenverstrengeling;

    2. het begaan van strafbare feiten of andere wetsovertredingen door de financiële onderneming of haar werknemers, die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kunnen schaden;

    3. relaties met cliënten die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kunnen schaden; en

    4. andere handelingen door de financiële onderneming of haar werknemers die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad;

  3. de soliditeit van de financiële onderneming, waaronder wordt verstaan:

    1. het beheersen van financiële risico’s;

    2. het beheersen van andere risico’s die de soliditeit van de financiële onderneming kunnen aantasten;

    3. het zorgen voor de instandhouding van de vereiste financiële waarborgen;

    4. met betrekking tot een bank of een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b, of een verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, het opstellen, bijhouden en uitvoeren van een herstelplan onderscheidenlijk een voorbereidend crisisplan, dat voorziet in maatregelen die de onderneming in staat stellen haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen; en

    5. andere bij algemene maatregel van bestuur te bepalen onderwerpen;

  4. met betrekking tot banken, beleggingsondernemingen en financiële instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 hebben, een administratie die zodanig is dat deze geen belemmering vormt of kan vormen bij de uitvoering van het depositogarantiestelsel of het beleggerscompensatiestelsel;

  5. met betrekking tot afwikkelondernemingen, banken, betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen, het waarborgen van de goede werking van het betalingsverkeer.

Lid 2a

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden normen gesteld voor afwikkelondernemingen, banken, betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen ter waarborging van de goede werking van het betalingsverkeer. Deze normen zien ten minste op de veilige afwikkeling van betalingstransacties en het functioneren van de daarvoor benodigde infrastructuur bij deze ondernemingen.

Lid 3

Onverminderd artikel 4:14 is het tweede lid, aanhef en onderdeel c, van overeenkomstige toepassing op beheerders met zetel in Nederland van een icbe, beleggingsondernemingen met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend, bewaarders met zetel in Nederland, Nederlandse beheerders van een beleggingsinstelling en pensioenbewaarders die zijn verbonden aan een pensioenfonds of premiepensioeninstelling met zetel in Nederland.

Lid 4

Het tweede lid, aanhef en onderdeel c, is van overeenkomstige toepassing op entiteiten als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen c tot en met g.

Lid 5

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het tweede lid bepaalde indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt, tenzij het op grond van het tweede lid bepaalde betrekking heeft op het verlenen van een beleggingsdienst of verrichten van een beleggingsactiviteit of nevendienst.

Lid 6

Een bank voert een administratie die zodanig is dat deze geen belemmering vormt of kan vormen bij de uitvoering van het depositogarantiestelsel. Zij maakt daarbij gebruik van het burgerservicenummer van een depositohouder en, voor zover van toepassing, van diens wettelijk vertegenwoordiger of, in het geval van een rechtspersoon, van diens rechtsgeldig vertegenwoordiger in het belang van de uitbetaling van de vergoeding binnen de ingevolge artikel 3:261, tweede lid, bepaalde termijn, het ingevolge artikel 3:262 vaststellen van de bijdragen, en het toezicht op de naleving van de in de eerste volzin van dit lid opgenomen verplichting.

Lid 7

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de toegang van betaaldienstverleners tot de persoonsgegevens van betaaldienstgebruikers.

Lid 8

De voordracht voor een krachtens het zevende lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 3:17a

Vervallen

Artikel 3:17b

Lid 1

Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, kredietunie, premiepensioeninstelling of verzekeraar met zetel in Nederland beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat natuurlijke personen die in Nederland werkzaam zijn onder haar verantwoordelijkheid en wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden of die zich rechtstreeks bezighouden met het verlenen van financiële diensten, een eed of belofte afleggen.

Lid 2

Een bank met zetel in Nederland beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat natuurlijke personen die in Nederland onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn een eed of belofte afleggen indien zij:

  1. een arbeidsovereenkomst met de bank hebben; of

  2. werkzaamheden uitvoeren die deel uitmaken van of voortvloeien uit het uitoefenen van het bankbedrijf, dan wel deel uitmaken van de wezenlijke bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan.

Lid 3

Een financiële onderneming als bedoeld in het eerste of tweede lid draagt er zorg voor dat de in dat lid bedoelde eed of belofte wordt nageleefd.

Lid 4

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op natuurlijke personen als bedoeld in artikel 3:8 die reeds in het kader van de geschiktheid een eed of belofte afleggen.

Lid 5

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de eed of belofte, bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 3:17c

Lid 1

Een bank met zetel in Nederland draagt er zorg voor dat de naleving van de bij of krachtens de artikelen 3:10 en 3:17 gestelde regels en de daaruit voor natuurlijke personen voortvloeiende integriteits- en zorgvuldigheidsnormen binnen de bank is gewaarborgd in een tuchtrechtelijke regeling waaraan de in de artikelen 3:8 en 3:17b, tweede lid, bedoelde natuurlijke personen werkzaam bij of onder verantwoordelijkheid van de bank zijn onderworpen en waarvan de toepassing en uitvoering zijn opgedragen aan een onafhankelijke en deskundige externe instantie.

Lid 2

De tuchtrechtelijke regeling, bedoeld in het eerste lid, voldoet voorts aan de volgende eisen:

  1. de omvang van de groep van natuurlijke personen waarop de regeling van toepassing is, is van voldoende betekenis; en

  2. de regeling voorziet in adequate waarborgen voor een behoorlijke procesgang.

Lid 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aan een tuchtrechtelijke regeling als bedoeld in het eerste lid te stellen eisen.

Artikel 3:18

Lid 1

Indien een financiële onderneming met zetel in Nederland werkzaamheden uitbesteedt aan een derde, draagt de financiële onderneming er zorg voor dat deze derde de ingevolge dit deel met betrekking tot die werkzaamheden op de uitbestedende financiële onderneming van toepassing zijnde regels naleeft.

Lid 2

Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling besteedt bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen werkzaamheden niet uit.

Lid 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur:

  1. worden in verband met het toezicht op de naleving van het ingevolge dit deel bepaalde, regels gesteld met betrekking tot het uitbesteden van werkzaamheden door financiële ondernemingen;

  2. worden regels gesteld met betrekking tot de beheersing van risico’s die verband houden met het uitbesteden van werkzaamheden door afwikkelondernemingen, betaalinstellingen, clearinginstellingen, elektronischgeldinstellingen, entiteiten voor risico-acceptatie, banken, kredietunies, premiepensioeninstellingen, verzekeraar of wisselinstelling; en

  3. worden regels gesteld met betrekking tot de tussen een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling en de derde te sluiten overeenkomst met betrekking tot het uitbesteden van werkzaamheden.

Artikel 3:18a

Lid 1

De Nederlandsche Bank evalueert periodiek, overeenkomstig de technische criteria, bedoeld in artikel 98 van de richtlijn kapitaalvereisten, van banken met zetel in Nederland en van beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten de wijze waarop de bedrijfsvoering is ingericht, de liquiditeit en de solvabiliteit, gelet op:

  1. de omvang en de aard van de huidige en mogelijk toekomstige risico’s voor de bank of beleggingsonderneming;

  2. de risico’s die zijn geïdentificeerd tijdens stresstests, rekening houdend met de aard, omvang en complexiteit van de activiteiten;

  3. de risico’s die zijn geïdentificeerd tijdens tests van digitale operationele weerbaarheid overeenkomstig hoofdstuk IV van de verordening digitale operationele weerbaarheid.

Lid 2

Op grond van de evaluatie, bedoeld in het eerste lid, beoordeelt de Nederlandsche Bank of de wijze waarop de bedrijfsvoering is ingericht en de aangehouden liquiditeit en toetsingsvermogen, een degelijk beheer en een solide dekking van de financiële risico’s waarborgen.

Lid 3

De Nederlandsche Bank stemt de frequentie en de omvang van de evaluatie af op de aard, omvang en complexiteit van de bank of beleggingsonderneming en het belang van de werkzaamheden van de desbetreffende financiële onderneming voor het financiële stelsel en kan, overeenkomstig artikel 97, vierde lid bis, van de richtlijn kapitaalvereisten, de methoden voor de evaluatie bedoeld in het eerste lid aanpassen.

Lid 4

De Nederlandsche Bank actualiseert de evaluatie van banken en beleggingsondernemingen waar het onderzoeksprogramma, bedoeld in artikel 99, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, betrekking op heeft, ten minste eenmaal per jaar.

Lid 5

De Nederlandsche Bank voert ten behoeve van de evaluatie ten minste eenmaal per jaar een stresstest uit.

Artikel 3:18aa

Lid 1

De Nederlandsche Bank evalueert periodiek van beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, de wijze waarop de bedrijfsvoering is ingericht en de wijze waarop de bedrijfsrisico’s worden beheerst, gelet op, waar van toepassing:

  1. de risico’s, bedoeld in artikel 29 van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen;

  2. het bedrijfsmodel;

  3. de geografische locatie van de blootstellingen van de beleggingsonderneming;

  4. de beoordeling van het systeemrisico, bedoeld in artikel 23 van verordening (EU) nr. 1093/2010 of de aanbevelingen van het Europees Comité voor systeemrisico’s;

  5. de risico’s voor de beveiliging van het netwerk- en informatiesysteem dat de beleggingsonderneming gebruikt voor de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van zijn processen, gegevens en activa;

  6. de blootstelling van de beleggingsonderneming aan het renterisico, voortvloeiend uit activiteiten buiten de handelsportefeuille; en

  7. de regelingen en procedures die gericht zijn op een doeltreffend bestuur van de beleggingsonderneming en de mate waarin het bestuur van de beleggingsonderneming in staat is zijn taken te vervullen.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing op kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, tenzij de Nederlandsche Bank een evaluatie noodzakelijk acht gelet op de omvang, aard, schaal en complexiteit van de activiteiten van een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming.

Lid 3

De Nederlandsche Bank stemt de frequentie en intensiteit van een evaluatie als bedoeld in het eerste en tweede lid af op de omvang, de aard en de schaal van de beleggingsonderneming, haar risicoprofiel, het bedrijfsmodel en de complexiteit van de activiteiten van de beleggingsonderneming, alsmede op, waar van toepassing, de systeemrelevantie van de beleggingsonderneming en houdt rekening met:

  1. het vereiste van artikel 4:87; en

  2. de omstandigheid dat een beleggingsonderneming al dan niet over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering beschikt.

Lid 4

De Nederlandsche Bank kan, met inachtneming van artikel 39, derde lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, regels stellen met betrekking tot de staten, bedoeld in artikel 3:72, en de rapportages ingevolge de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, inhoudende dat daarin aanvullende informatie wordt opgenomen door beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen of dat de staten of rapportages door deze beleggingsondernemingen frequenter worden verstrekt, indien dit noodzakelijk is voor de evaluatie, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3:18b

Lid 1

De Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling toont aan dat de hefboomfinancieringslimieten die hij stelt voor de beleggingsinstellingen die hij beheert redelijk zijn en dat hij zich te allen tijde aan deze limieten houdt. De Nederlandsche Bank stelt bovengrenzen aan de door een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling toegepaste hefboomfinanciering, of legt de beheerder andere beperkingen op met betrekking tot het beheren van een beleggingsinstelling, indien dit nodig wordt geacht om de stabiliteit van het financiële stelsel te waarborgen.

Lid 2

Uiterlijk tien dagen voordat de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden geacht in werking te treden stelt de Nederlandsche Bank het Europees Comité voor systeemrisico’s, de Europese Autoriteit voor effecten en markten en in voorkomend geval de met betrekking tot de belegginginstelling bevoegde toezichthoudende instanties hiervan naar behoren in kennis.

Lid 3

De kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, omvat in ieder geval:

  1. een gedetailleerde beschrijving van de voorgestelde maatregel;

  2. de redenen voor de voorgestelde maatregel; en

  3. de beoogde datum van inwerkingtreding van de maatregel.

Lid 4

In uitzonderlijke omstandigheden kan de Nederlandsche Bank afwijken van de periode, bedoeld in het tweede lid.

Lid 5

Indien de Nederlandsche Bank afwijkt van adviezen van de Europese Autoriteit voor effecten en markten met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde maatregelen, stelt zij de Europese Autoriteit voor effecten en markten hiervan gemotiveerd in kennis.

Lid 6

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 3:19

Lid 1

Een clearinginstelling of bank met zetel in Nederland die een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, dan wel een verzekeraar met zetel in Nederland die een naamloze vennootschap of Europese vennootschap is, heeft een uit ten minste drie leden bestaande raad van commissarissen als bedoeld in de artikelen 140, onderscheidenlijk 250, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Lid 2

Een clearinginstelling of bank met zetel in Nederland die geen naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, heeft een uit ten minste drie leden bestaand orgaan dat een met die van een raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft.

Lid 3

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 3:19a

Een premiepensioeninstelling met zetel in Nederland heeft de rechtsvorm van naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, stichting of Europese naamloze vennootschap.

Artikel 3:20.0a

In afwijking van artikel 38, eerste en derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kan in de statuten van een kredietunie aan een persoon niet meer dan tien procent van het totaal aantal stemmen worden toegekend.

Artikel 3:20

Een verzekeraar met zetel in Nederland heeft de rechtsvorm van naamloze vennootschap, onderlinge waarborgmaatschappij of Europese vennootschap.

Artikel 3:20a

Lid 1

Een betaaldienstverlener met zetel in een andere lidstaat of een elektronischgeldinstelling met zetel in een andere lidstaat die zijn bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland dan wel betaaldiensten verleent door tussenkomst van een in Nederland werkzaam zijnde betaaldienstagent, dient te beschikken over een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat daartoe verleende vergunning.

Lid 2

Artikel 1:107, tweede lid, is niet van toepassing.

Artikel 3:20b

Een entiteit voor risico-acceptatie, herverzekeraar, bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een andere lidstaat die haar onderscheidenlijk zijn bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of diensten verricht naar Nederland dient in die lidstaat bevoegd te zijn tot de uitoefening van dat bedrijf.

Artikel 3:21

Lid 1

Ten minste twee natuurlijke personen bepalen het dagelijks beleid van een in Nederland gelegen bijkantoor van een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Lid 2

De personen die het dagelijks beleid van een bijkantoor als bedoeld in het eerste lid bepalen, verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit Nederland.

Artikel 3:22

De artikelen 3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel c, derde lid, en 3:18, eerste en derde lid, aanhef en onderdeel a, zijn van overeenkomstige toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten in Nederland en bewaarders met zetel in een staat die geen lidstaat is, die zijn verbonden aan een door een Nederlandse beheerder beheerde niet-Europese beleggingsinstelling.

Artikel 3:23

Lid 1

De artikelen 3:173:17b en 3:18 zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van levensverzekeraars of schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Lid 2

De artikelen 3:17 en 3:18 zijn van overeenkomstige toepassing op banken met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Lid 3

De artikelen 3:17b en 3:17c zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van banken met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Artikel 3:24.0a

De artikelen 3:15, 3:16, 3:17, voor zover artikel 3:17 betrekking heeft op adequate financiële waarborgen en procedures voor de beheersing van risico’s van afwikkeling, en 3:17b zijn van overeenkomstige toepassing op afwikkelondernemingen met zetel in een aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen jegens cliënten met wie zij niet in een groep zijn verbonden vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.

Artikel 3:24.0b

Vervallen

Artikel 3:24

Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is die zijn bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of herverzekeringsdiensten verricht naar Nederland:

  1. is naar het recht van de staat van zijn zetel rechtspersoon;

  2. is in de staat van zijn zetel bevoegd tot de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk het bedrijf van schadeverzekeraar dan wel het bedrijf van herverzekeraar; en

  3. oefent dit bedrijf daadwerkelijk uit vanuit de zetel in die staat.

Artikel 3:24a

De artikelen 3:17 en 3:18 zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van wisselinstellingen met zetel in een aangewezen staat.

Artikel 3:24aa

Lid 1

De artikelen 3:15, eerste en derde lid, en 3:16, eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op afwikkelondernemingen in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.

Lid 2

De artikelen 3:15 en 3:16, eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van afwikkelondernemingen met zetel in een niet-aangewezen staat.

Artikel 3:24b

De artikelen 3:16, 3:17, eerste en tweede lid, met uitzondering van onderdeel c, onder 4°, en 3:17b zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van entiteiten voor risico-acceptatie met zetel in een niet-aangewezen staat.

Artikel 3:24c

De artikelen 3:15, 3:16, 3:17, eerste en tweede lid, met uitzondering van onderdeel c, onder 4° en 3:18 zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.

Artikel 3:25

De artikelen 3:17 en 3:18 zijn van overeenkomstige toepassing op afwikkelondernemingen met zetel in een niet-aangewezen staat die het bedrijf uitoefenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.

Artikel 3:26

De artikelen 3:17, 3:17b en 3:18 zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van afwikkelondernemingen met zetel in een niet-aangewezen staat en verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Artikel 3:27

De artikelen 3:17, 3:18, 3:20a en 3:21 zijn van overeenkomstige toepassing op clearinginstellingen met zetel in een niet-aangewezen staat.

Artikel 3:27a

Artikel 3:17b is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van clearinginstellingen met zetel in een niet-aangewezen staat.

Artikel 3:28

Lid 1

Artikel 3:24 is van overeenkomstige toepassing op entiteiten voor risico-acceptatie met zetel in een niet-aangewezen staat of herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.

Lid 2

Artikel 3:24 is van overeenkomstige toepassing op verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Artikel 3:28a

Lid 1

Een centrale tegenpartij geeft de Nederlandsche Bank schriftelijk kennis van het voornemen tot een substantiële wijziging van de wijze waarop zij uitvoering geeft aan de artikelen 26 tot en met 35 en 40 tot en met 54 van die verordening.

Lid 2

Een centrale effectenbewaarinstelling als bedoeld in de verordening centrale effectenbewaarinstellingen geeft de Nederlandsche Bank schriftelijk kennis van het voornemen tot een substantiële wijziging van de wijze waarop zij uitvoering geeft aan de artikelen 39 tot en met 47, 54, en 59 van die verordening.

Lid 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen procedures, bepaald van welke wijzigingen kennis wordt gegeven, welke gegevens daarbij worden verstrekt en, indien van toepassing, onder welke voorwaarden de wijzigingen ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 3:29

Lid 1

Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, financiële instelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, of wisselinstelling met zetel in Nederland geeft kennis van wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover ingevolge artikel 2:3.0d, eerste lid, 2:3b, 2:5, tweede lid, artikel 2:10b, derde lid, 2:12, vierde lid, 2:13, tweede lid, 2:26b, derde lid, 2:31, derde lid, 2:32, tweede lid, 2:33, tweede lid, 2:49, tweede lid, 2:54b, derde lid, 2:54h, eerste en tweede lid, 2:54j, tweede lid2:54p, tweede lid, 2:107, tweede lid, 2:108, derde lid, 2:111, tweede lid, 2:112, tweede lid, 2:115, tweede lid, 2:117, derde lid, 2:118, tweede lid, 2:120, tweede lid, 2:121, tweede lid, verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de Nederlandsche Bank.

Lid 2

Een afwikkelonderneming, clearinginstelling, entiteit voor risico-acceptatie, financiële instelling, bank of verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in Nederland geeft, onverminderd het eerste lid, kennis van wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover ingevolge artikel 2:106.0a, tweede lid, 2:108, tweede lid, 2:112, tweede lid, of 2:115, tweede lid, verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de financiële onderneming haar bedrijf uitoefent vanuit een bijkantoor.

Lid 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen procedures, bepaald van welke wijzigingen kennis wordt gegeven, welke gegevens daarbij worden verstrekt en, indien van toepassing, onder welke voorwaarden de wijzigingen ten uitvoer mogen worden gelegd.

Lid 4

De uiteindelijk belanghebbende van een wisselinstelling met zetel in Nederland verschaft die wisselinstelling alle informatie die noodzakelijk is om te voldoende aan dit artikel.

Artikel 3:29a

Lid 1

Een betaalinstelling of een elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland stelt de geldmiddelen die worden of zijn ontvangen van betaaldienstgebruikers of andere betaalinstellingen of elektronischgeldinstellingen op de wijze als bepaald in artikel 3:29aa, eerste lid, of op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze zeker.

Lid 2

Een elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland stelt de geldmiddelen die worden of zijn ontvangen in ruil voor elektronisch geld op de wijze als bepaald in artikel 3:29aa, eerste lid, of op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze zeker.

Lid 3

Het eerste lid is niet van toepassing indien een betaalinstelling alleen betaaldiensten verleent als bedoeld onder 7 en 8 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten.

Artikel 3:29aa

Lid 1

Een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:29a, eerste lid, kan de in dat lid bedoelde geldmiddelen zekerstellen door die geldmiddelen op een rekening aan te houden die uitsluitend daarvoor is bestemd.

Lid 2

De rekening wordt aangehouden bij een bank met zetel in Nederland die een vergunning heeft voor de uitoefening van het bedrijf van bank, verleend door de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank. Uit de tenaamstelling van deze rekening blijkt dat deze door de betaalinstelling of elektronischgeldinstelling wordt aangehouden in eigen naam ten behoeve van een of meer derden, met vermelding van de hoedanigheid van de betaalinstelling of elektronischgeldinstelling.

Lid 3

In afwijking van artikel 276 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek vormen de op een rekening als bedoeld in het eerste lid aangehouden geldmiddelen een afgescheiden vermogen dat uitsluitend dient tot voldoening van vorderingen:

  1. van de bank, bedoeld in het tweede lid, in verband met het beheer van de rekening en die volgens de overeenkomst tussen de bank en de betaalinstelling of elektronischgeldinstelling ten laste kunnen worden gebracht van het afgescheiden vermogen; en

  2. van de derden voor wie geldmiddelen op de rekening zijn geadministreerd, voor zover die vorderingen verband houden met het toevertrouwen van de geldmiddelen aan de betaalinstelling of elektronischgeldinstelling.

Lid 4

De betaalinstelling of elektronischgeldinstelling draagt zorg voor een adequate administratie van het afgescheiden vermogen.

Lid 5

Indien de geldmiddelen op de rekening bij vereffening ontoereikend zijn voor voldoening van de vorderingen, dienen de geldmiddelen ter voldoening van de vorderingen in de volgorde van het derde lid.

Lid 6

In afwijking van het derde lid zijn andere vorderingen verhaalbaar op de geldmiddelen op de rekening indien vaststaat dat de in het derde lid bedoelde vorderingen zullen kunnen worden voldaan en dat in de toekomst dergelijke vorderingen niet meer zullen ontstaan.

Lid 7

De betaalinstelling of elektronischgeldinstelling vult een tekort in het afgescheiden vermogen terstond aan. Ingeval een tekort niet is aangevuld, keert de betaalinstelling of elektronischgeldinstelling in geval van een verzoek van een derde als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, om uitkering van zijn aandeel in het saldo van de rekening slechts zoveel uit aan deze derde als in verband met de rechten van andere in dat onderdeel bedoelde derden mogelijk is.

Lid 8

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting, de administratie en het beheer van de rekening.

Artikel 3:29b

Indien een betaalinstelling, elektronischgeldinstelling of kredietunie met zetel in Nederland tevens werkzaamheden verricht die geen verband houden met het verlenen van betaaldiensten, het uitgeven van elektronisch geld, onderscheidenlijk het bedrijf van kredietunie, kan de Nederlandsche Bank de betaalinstelling, elektronischgeldinstelling of kredietunie verplichten die werkzaamheden te doen verrichten door een aparte rechtspersoon indien het verrichten van die werkzaamheden afbreuk doet of dreigt te doen aan:

  1. de financiële soliditeit van de betaalinstelling of de elektronischgeldinstelling, of

  2. het toezicht op de naleving van deze wet.

Artikel 3:29c

Lid 1

Een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland houdt alleen betaalrekeningen aan die uitsluitend voor betalingstransacties worden gebruikt.

Lid 2

Geldmiddelen die een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland in verband met het verlenen van betaaldiensten van betaaldienstgebruikers ontvangt, zijn, in afwijking van artikel 1:1, geen opvorderbare gelden.

Lid 3

Geldmiddelen die door een elektronischgeldinstelling zijn ontvangen in ruil voor elektronisch geld, zijn, in afwijking van artikel 1:1, geen opvorderbare gelden.

Lid 4

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van de onder 4 en 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten bedoelde kredieten door betaalinstellingen of elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland.

Artikel 3:29d

Lid 1

Een afwikkelonderneming kan de geldmiddelen van derden die haar in verband met haar werkzaamheden zijn toevertrouwd, zekerstellen door die geldmiddelen aan te houden op een rekening die uitsluitend daarvoor bestemd is.

Lid 2

De rekening wordt aangehouden bij de Nederlandsche Bank. Uit de tenaamstelling van deze rekening blijkt dat deze door de afwikkelonderneming wordt aangehouden in eigen naam ten behoeve van een of meer derden, met vermelding van de hoedanigheid van de afwikkelonderneming.

Lid 3

In afwijking van artikel 276 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek vormen de op een rekening als bedoeld in het eerste lid aangehouden geldmiddelen een afgescheiden vermogen dat uitsluitend dient tot voldoening van vorderingen van:

  1. de Nederlandsche Bank in verband met het beheer van de rekening en die volgens de overeenkomst tussen de Nederlandsche Bank en de afwikkelonderneming ten laste kunnen worden gebracht van het afgescheiden vermogen; en

  2. de derden voor wie geldmiddelen op de rekening zijn geadministreerd, voor zover die vorderingen verband houden met het toevertrouwen van de geldmiddelen.

Lid 4

De afwikkelonderneming draagt zorg voor een adequate administratie van het afgescheiden vermogen.

Lid 5

Indien de geldmiddelen op de rekening bij vereffening ontoereikend zijn voor voldoening van de vorderingen, dienen deze geldmiddelen ter voldoening van de vorderingen in de volgorde van het derde lid.

Lid 6

In afwijking van het derde lid zijn andere vorderingen verhaalbaar op de geldmiddelen op de rekening indien vaststaat dat de in het derde lid bedoelde vorderingen kunnen worden voldaan en dat in de toekomst dergelijke vorderingen niet meer zullen ontstaan.

Lid 7

De afwikkelonderneming vult een tekort in het afgescheiden vermogen terstond aan. Ingeval een tekort niet is aangevuld, keert de afwikkelonderneming in geval van een verzoek van een derde als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, om uitkering van zijn aandeel in het saldo van de rekening slechts zoveel uit aan deze derde als in verband met de rechten van andere in het vierde lid bedoelde derden mogelijk is.

Lid 8

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de aan een rekening als bedoeld in het eerste lid te verbinden voorwaarden en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting, de administratie en het beheer van de rekening.

Artikel 3:29e

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere categorieën financiële ondernemingen worden aangewezen als financiële ondernemingen waarop artikel 3:29aa van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 3:30

Lid 1

Een bank of verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in Nederland die tot ontbinding dan wel algehele of gedeeltelijke liquidatie van haar of zijn bedrijf heeft besloten, raadpleegt de Nederlandsche Bank over de wijze waarop de ontbinding onderscheidenlijk de liquidatie zal plaatsvinden ten minste dertien weken voordat aan de beslissing uitvoering wordt gegeven.

Lid 2

De Nederlandsche Bank kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten.

Lid 3

De Nederlandsche Bank wordt aangemerkt als een belanghebbende in de zin van artikel 23, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Lid 4

Ingeval een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid besluit tot ontbinding en geen rechtspersoonlijkheid bezit, is het bepaalde in de artikelen 19, vierde lid, 23, eerste en tweede lid, 23a, eerste lid, en 23c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van de artikelen 23, eerste lid, en 23a, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gelden de beherende vennoten als bestuurders en geldt de vennootschapsovereenkomst als statuten.

Artikel 3:31

Een bank met zetel in Nederland die een dochtermaatschappij is van een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is, staat in de staat waar de laatstbedoelde bank haar zetel heeft onder voldoende geconsolideerd toezicht.

Artikel 3:32

Het is een bank met zetel in Nederland die een vergunning heeft voor de uitoefening van het bedrijf van bank toegestaan de werkzaamheden, bedoeld in bijlage I bij de richtlijn kapitaalvereisten, te verrichten, tenzij in de vergunning uitdrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 3:33

Indien een financiële onderneming met zetel in Nederland een vergunning heeft voor het uitoefenen van het bedrijf van bank en deze vergunning omvat niet het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten, kan zij een uitbreiding van de vergunning met deze activiteiten aanvragen, indien zij ervoor zorgt en aantoont dat wordt voldaan aan het bepaalde ingevolge de artikelen 4:91a, met betrekking tot de eisen die gelden voor het handelsproces en de afhandeling van transacties in een multilaterale handelsfaciliteit indien de aanvrager voornemens is een multilaterale handelsfaciliteit te exploiteren, 4:14, tweede lid, onderdeel c, onder 1° tot en met 6° en 4:87 en met betrekking tot de aanvraag van de vergunning.

Artikel 3:33a

Lid 1

Het is een bank met zetel in Nederland verboden gedekte obligaties uit te geven zonder toestemming van de Nederlandsche Bank.

Lid 2

De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag de toestemming, bedoeld in het eerste lid, indien de bank aantoont dat zal worden voldaan aan de bij of krachtens het derde en vierde lid en de artikelen 3:33b en 3:33ba gestelde regels.

Lid 3

Een bank die een programma van gedekte obligaties uitvoert, beschikt over:

  1. een adequaat programma van werkzaamheden waarin de uitgifte van gedekte obligaties wordt beschreven;

  2. adequate beleidslijnen, processen en methodieken wat betreft de goedkeuring, wijziging, verlenging en herfinanciering van in de dekkingspool opgenomen activa;

  3. met het programma van gedekte obligaties belaste leidinggevenden en personeelsleden die beschikken over adequate kwalificaties en kennis met betrekking tot de uitgifte van gedekte obligaties en het beheer van het programma van gedekte obligaties; en

  4. een adequate administratieve structuur van de dekkingspool en de monitoring daarvan.

Lid 4

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden, bedoeld in het derde lid.

Lid 5

De aanvraag voor de toestemming, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

Artikel 3:33b

Lid 1

De verplichtingen uit gedekte obligaties worden gedekt door een dekkingspool met activa waarvan de hoofdsom en de opgelopen en toekomstige rente bij voorrang worden aangewend voor aflossing van de gedekte obligatie, indien de uitgevende bank, bedoeld in artikel 3:33a, eerste lid, in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van haar een besluit tot afwikkeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 1, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen wordt genomen.

Lid 2

De verplichtingen omvatten ten minste:

  1. de aflossingsverplichtingen van de hoofdsom van uitstaande gedekte obligaties;

  2. de verplichtingen tot betaling van eventuele rente op uitstaande gedekte obligaties;

  3. de betalingsverplichtingen verbonden aan derivatencontracten in de dekkingspool; en

  4. de verwachte kosten met betrekking tot onderhoud en beheer voor de afbouw van het programma van gedekte obligaties.

Lid 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, de dekkingspool en de in de dekkingspool op te nemen activa, alsmede met betrekking tot de verwachte kosten bedoeld in onderdeel d.

Artikel 3:33ba

Lid 1

Een bank als bedoeld in artikel 3:33a, eerste lid, die een programma van gedekte obligaties uitvoert, verschaft beleggers ten minste elk kwartaal voldoende gedetailleerde informatie over dat programma, waaronder in ieder geval de informatie, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de richtlijn gedekte obligaties. Deze informatie wordt ook op de website van de bank bekend gemaakt.

Lid 2

Een bank als bedoeld in artikel 3:33a, eerste lid, die een programma van gedekte obligaties uitvoert, verstrekt de Nederlandsche Bank periodiek alsmede op verzoek informatie aan de hand waarvan deze kan vaststellen of de uitgevende bank voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 3:33a, derde en vierde lid, 3:33b en 3:33ba gestelde regels.

Lid 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde informatie en de periodiciteit.

Artikel 3:33c

Lid 1

Een bank of clearinginstelling die optreedt als tussenpersoon in de zin van hoofdstuk 3b van de Wet giraal effectenverkeer draagt zorg voor een adequate administratie van het derivatenvermogen, zodanig dat aan artikel 49g, tweede lid van die wet wordt voldaan.

Lid 2

Ter voldoening van het eerste lid wordt de administratie op zodanige wijze gevoerd en worden de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze bewaard dat in elk geval te allen tijde op eenvoudige wijze de rechten en verplichtingen die deel uitmaken van het derivatenvermogen en van de daarmee samenhangende cliëntposities kunnen worden gekend.

Artikel 3:34

Een elektronischgeldinstelling geeft geen elektronisch geld uit via een agent.

Artikel 3:35

Lid 1

Het is een ieder verboden als betaaldienstverlener gebruik te maken van een afwikkelonderneming met zetel in een niet-aangewezen staat die haar bedrijf uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland en die niet is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 1:107, of aan wie een verbod als bedoeld in artikel 2:3.0e, 2:3.0j of 2:3.0n is opgelegd.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing op een betaaldienstverlener die in een groep is verbonden met degene die de afwikkeldiensten verleent.

Artikel 3:35a

Lid 1

Een premiepensioeninstelling met zetel in Nederland wordt op basis van kapitaaldekking gefinancierd.

Lid 2

Een premiepensioeninstelling met zetel in Nederland is onafhankelijk van enige bijdragende onderneming of bedrijfstak waarvoor premieregelingen worden uitgevoerd.

Artikel 3:36

Lid 1

Het is een financiële onderneming met zetel in Nederland die een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van herverzekeraar, levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar, premiepensioeninstelling of schadeverzekeraar heeft, verboden een ander bedrijf dan het bedrijf waarvoor de vergunning is verleend, uit te oefenen.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid is het:

  1. verzekeraars toegestaan handelsactiviteiten te verrichten die voortvloeien uit hun verzekeringsbedrijf en is het levensverzekeraars die een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar hebben, toegestaan het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar uit te oefenen zonder een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar;

  2. levensverzekeraars, natura-uitvaartverzekeraars en schadeverzekeraars toegestaan het bedrijf van herverzekeraar uit te oefenen in de activiteit levensherverzekering, natura-uitvaartherverzekering onderscheidenlijk schadeherverzekering zonder een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van herverzekeraar in de desbetreffende activiteit, met dien verstande dat levensverzekeraars en schadeverzekeraars het bedrijf van herverzekeraar alleen mogen uitoefenen met betrekking tot de risico’s van de branches waarvoor zij een vergunning hebben;

  3. premiepensioeninstellingen die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:54g, eerste lid, toegestaan te adviseren, bemiddelen of op te treden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent in verzekeringen in Nederland, voorzover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan te adviseren, bemiddelen of op te treden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent in verzekeringen.

Lid 3

Het is een levensverzekeraar of een schadeverzekeraar die een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar heeft, verboden dat bedrijf in een andere branche uit te oefenen dan de branche of branches waarvoor de vergunning is verleend.

Lid 4

Op een levensverzekeraar met zetel in Nederland die een vergunning heeft voor de branche Levensverzekering algemeen en die uitsluitend het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar uitoefent, zijn de bepalingen inzake de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar van toepassing.

Lid 5

Op levensverzekeraars, natura-uitvaartverzekeraars of schadeverzekeraars met zetel in Nederland die tevens het bedrijf van herverzekeraar uitoefenen in de activiteit levensherverzekering, natura-uitvaartherverzekering onderscheidenlijk schadeherverzekering, zijn de bepalingen inzake de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar onderscheidenlijk schadeherverzekeraar van toepassing, voor zover niet anders is bepaald.

Lid 6

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt, in afwijking van het derde lid, bepaald welke risico’s die behoren tot een andere branche dan de branche of branches waarvoor een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar is verleend als bijkomend risico mogen worden verzekerd, alsmede welke risico’s niet als bijkomende risico’s met andere branches mogen worden gecombineerd.

Artikel 3:37

Lid 1

Een levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland die voornemens is vanuit een buiten Nederland gelegen bijkantoor zijn bedrijf uit te oefenen, stelt als zijn vertegenwoordiger een persoon aan.

Lid 2

De vertegenwoordiger heeft ten aanzien van de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar vanuit de bijkantoren van rechtswege alle bevoegdheden die een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid heeft. Hij maakt daarvan in ieder geval gebruik indien de Nederlandsche Bank zulks met het oog op de naleving van het ingevolge dit deel bepaalde verlangt.

Lid 3

Indien de vertegenwoordiger rechtspersoon is, wijst hij op zijn beurt een natuurlijke persoon aan die hem bij uitsluiting van ieder ander vertegenwoordigt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de nakoming van zijn verplichtingen.

Lid 4

De artikelen 3:8, met uitzondering van het eerste lid, derde volzin, en 3:9, met uitzondering van het eerste lid, derde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing op de persoon die als vertegenwoordiger van een verzekeraar is aangesteld en op de natuurlijke persoon, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3:38

Het is een schadeverzekeraar met zetel in Nederland verboden schaden te verzekeren veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer of muiterij die zich in Nederland voordoen. In zee-, transport-, luchtvaart- en reisverzekeringen is het evenwel toegestaan risico’s van molest te verzekeren in de algemeen gebruikelijke molestclausules zolang de Nederlandsche Bank daartegen geen bedenkingen naar voren heeft gebracht.

Artikel 3:38a

Het is een entiteit voor risico-acceptatie met zetel in Nederland die een vergunning heeft voor het verrichten van haar werkzaamheden verboden andere werkzaamheden uit te oefenen dan de werkzaamheden waarvoor de vergunning is verleend. In afwijking daarvan is het entiteiten voor risico-acceptatie met zetel in Nederland toegestaan handelsactiviteiten te verrichten die voortvloeien uit hun bedrijf.

Artikel 3:38b

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot voorwaarden die in door entiteiten voor risico-acceptatie gesloten overeenkomsten worden opgenomen.

Artikel 3:38c

Een kredietunie met zetel in Nederland heeft een bij ministeriële regeling te bepalen maximale hoeveelheid aangetrokken opvorderbare gelden en een maximaal aantal leden.

Artikel 3:39

Lid 1

Het is een bank met zetel in een andere lidstaat die vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor haar bedrijf uitoefent toegestaan de werkzaamheden, bedoeld in bijlage I bij de richtlijn kapitaalvereisten, te verrichten, tenzij in de in die lidstaat verleende vergunning uitdrukkelijk anders is bepaald dan wel de mededeling, bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, het verrichten van die werkzaamheden niet vermeldt.

Lid 2

Het is een bank met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, toegestaan de werkzaamheden, bedoeld in bijlage I bij de richtlijn kapitaalvereisten, te verrichten, tenzij in de in die lidstaat verleende vergunning uitdrukkelijk anders is bepaald dan wel zij van de werkzaamheden die zij voornemens is door middel van het verrichten van diensten naar Nederland uit te oefenen geen kennis heeft gegeven aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar zij haar zetel heeft.

Artikel 3:39a

De artikelen 3:29a, 3:29b, 3:29c en 3:34 zijn van overeenkomstige toepassing op betaaldienstverleners met zetel in een andere lidstaat en elektronischgeldinstellingen met zetel in een andere lidstaat die vanuit een bijkantoor dan wel door middel van het verrichten van diensten in Nederland hun bedrijf uitoefenen.

Artikel 3:40

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld:

  1. indien een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de richtlijn solvabiliteit II en het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar uitoefent vanuit een bijkantoor in Nederland: met betrekking tot het adres van de door een levensverzekeraar of schadeverzekeraar aangestelde vertegenwoordiger waaraan rechtsgeldig mededelingen kunnen worden gedaan, en wordt geregeld onder welke omstandigheden de vertegenwoordiger ophoudt vertegenwoordiger te zijn;

  2. indien een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een andere lidstaat die een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar heeft, welke geen vergunning is als bedoeld in artikel 14 van de richtlijn solvabiliteit II en die het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar uitoefent vanuit een bijkantoor in Nederland: met betrekking tot de woonplaats, het adres van de door een levensverzekeraar of schadeverzekeraar aangestelde vertegenwoordiger waaraan rechtsgeldig mededelingen kunnen worden gedaan, en de eisen waaraan die vertegenwoordiger voldoet, en wordt geregeld onder welke omstandigheden de vertegenwoordiger ophoudt vertegenwoordiger te zijn.

Artikel 3:41

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de voorwaarden, waaronder wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover krachtens de artikelen 2:17, tweede lid, 2:36, derde lid, of 2:37, tweede lid, de Nederlandsche Bank gegevens heeft ontvangen, ten uitvoer mogen worden gelegd.

Artikel 3:42

Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een andere lidstaat geeft kennis van wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover krachtens artikel 2:39, eerste lid, verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de Nederlandsche Bank. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen procedures, bepaald welke gegevens daarbij worden verstrekt en, indien van toepassing, onder welke voorwaarden de wijzigingen ten uitvoer mogen worden gelegd.

Artikel 3:43

Lid 1

De artikelen 3:32, 3:36 en 3:38 zijn van overeenkomstige toepassing op een bank, levensverzekeraar en schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is, die vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor haar onderscheidenlijk zijn bedrijf uitoefent, voorzover deze artikelen betrekking hebben op de desbetreffende financiële ondernemingen.

Lid 2

Een bank of levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is die vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor haar onderscheidenlijk zijn bedrijf uitoefent, geeft kennis van wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover krachtens artikel 2:21, tweede lid, 2:41, tweede lid, 2:42, tweede lid, 2:43, tweede lid, of 2:46, derde lid, verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de Nederlandsche Bank. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen procedures, bepaald welke gegevens daarbij worden verstrekt en, indien van toepassing, onder welke voorwaarden de wijzigingen ten uitvoer mogen worden gelegd.

Artikel 3:44

Lid 1

Een bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is die tot ontbinding dan wel algehele of gedeeltelijke liquidatie van haar of zijn in Nederland gelegen bijkantoor heeft besloten, raadpleegt de Nederlandsche Bank over de wijze waarop de ontbinding onderscheidenlijk de liquidatie zal plaatsvinden ten minste dertien weken voordat aan de beslissing uitvoering wordt gegeven.

Lid 2

Artikel 3:30, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:45

Indien een financiële onderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor haar bedrijf uitoefent en die een vergunning heeft voor het uitoefenen van het bedrijf van bank en deze vergunning omvat niet het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten, kan zij een uitbreiding van de vergunning met deze activiteiten aanvragen, indien zij ervoor zorgt en aantoont dat wordt voldaan aan het bepaalde ingevolge de artikelen 4:91a, met betrekking tot de eisen die gelden voor het handelsproces en de afhandeling van transacties in een multilaterale handelsfaciliteit indien de aanvrager voornemens is een multilaterale handelsfaciliteit te exploiteren, 4:14, tweede lid, onderdeel c, onder 1° tot en met 6° en 4:87 en met betrekking tot de aanvraag van de vergunning.

Artikel 3:46

Een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is die vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor haar bedrijf uitoefent en die een dochteronderneming is van een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is, staat in de staat waar de laatstbedoelde bank haar zetel heeft onder voldoende geconsolideerd toezicht.

Artikel 3:47

Lid 1

Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is, die voornemens is vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor zijn bedrijf uit te oefenen, stelt als zijn vertegenwoordiger een persoon aan die zijn woonplaats in Nederland heeft.

Lid 2

De vertegenwoordiger van een verzekeraar heeft ten aanzien van de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar vanuit de in Nederland gelegen bijkantoren van rechtswege alle bevoegdheden die de levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar heeft. Hij maakt daarvan gebruik voorzover de Nederlandsche Bank zulks met het oog op de naleving van het ingevolge dit deel bepaalde verlangt.

Lid 3

De vertegenwoordiger van een verzekeraar voldoet namens de verzekeraar aan de ingevolge deze wet gestelde regels. Het ontbreken van de vertegenwoordiger of zijn in gebreke zijn, ontslaat de schadeverzekeraar onderscheidenlijk levensverzekeraar niet van de verplichting deze regels na te leven.

Lid 4

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het derde lid, eerste zin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Lid 5

Is de vertegenwoordiger van de verzekeraar rechtspersoon, dan wijst hij op zijn beurt een natuurlijke persoon aan die in Nederland zijn woonplaats heeft en die hem bij uitsluiting van ieder ander vertegenwoordigt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en van zijn uit deze wet voortvloeiende verplichtingen.

Lid 6

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het adres van de door een levensverzekeraar of een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is aangestelde vertegenwoordiger waaraan rechtsgeldig mededelingen kunnen worden gedaan, en wordt geregeld onder welke omstandigheden de vertegenwoordiger ophoudt vertegenwoordiger te zijn en wordt de opvolging van de vertegenwoordiger geregeld.

Lid 7

Als woonplaats van de verzekeraar in Nederland geldt de woonplaats van zijn vertegenwoordiger, met dien verstande dat, indien de vertegenwoordiger een natuurlijke persoon is die een kantoor houdt, dit kantoor als woonplaats van de verzekeraar wordt aangemerkt.

Lid 8

De artikelen 3:8, met uitzondering van het eerste lid, derde volzin, en 3:9, met uitzondering van het eerste lid, derde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing op de persoon die als vertegenwoordiger van een verzekeraar is aangesteld en natuurlijke persoon is en op de natuurlijke persoon, bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 3:48

Lid 1

Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is die door middel van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in een staat die geen lidstaat is zijn bedrijf van herverzekeraar uitoefent, geeft kennis van wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover ingevolge artikel 2:45, derde lid, verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de Nederlandsche Bank.

Lid 2

Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is die door middel van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat zijn bedrijf van herverzekeraar uitoefent, geeft kennis van wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover ingevolge artikel 2:46, derde lid, verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de Nederlandsche Bank.

Lid 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen procedure, bepaald van welke wijzigingen kennis wordt gegeven, welke gegevens daarbij worden verstrekt en, indien van toepassing, onder welke voorwaarden de wijzigingen ten uitvoer mogen worden gelegd.

Artikel 3:49

Artikel 3:29 is van overeenkomstige toepassing op afwikkelondernemingen, clearinginstellingen, entiteiten voor risico-acceptatie, herverzekeraars, verzekeraars met beperkte risico-omvang en wisselinstellingen die gegevens hebben verstrekt ingevolge de artikelen 2:3.0i, eerste lid, 2:3.0m, eerste lid, 2:7, tweede lid, 2:9, eerste lid, 2:26f, tweede lid, 2:51, tweede lid, 2:53, eerste lid, 2:54e, tweede lid, 2:54f, tweede lid, onderscheidenlijk 2:54m, tweede lid.

Artikel 3:50

Lid 1

Artikel 3:44 is van overeenkomstige toepassing op entiteiten voor risico-acceptatie, herverzekeraars en verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat.

Lid 2

Artikel 3:47 is van overeenkomstige toepassing op verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel buiten Nederland.

Artikel 3:51

Het is een verzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat verboden vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor een ander bedrijf dan het bedrijf waarvoor die verzekeraar een vergunning heeft verkregen uit te oefenen.

Artikel 3:52

Een verzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen lidstaat die door middel van het verrichten van diensten naar Nederland zijn bedrijf uitoefent, geeft kennis van wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover ingevolge artikel 2:53 verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de Nederlandsche Bank. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen procedures, bepaald van welke wijzigingen kennis wordt gegeven, welke gegevens daarbij worden verstrekt en, indien van toepassing, onder welke voorwaarden de wijzigingen ten uitvoer mogen worden gelegd.

Artikel 3:53

Lid 1

Een bank met zetel in Nederland, een beheerder met zetel in Nederland van een icbe, een beleggingsonderneming met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend, een betaalinstelling, een bewaarder met zetel in Nederland, een clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, kredietunie, pensioenbewaarder, premiepensioeninstelling met zetel in Nederland, een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling of een verzekeraar met zetel in Nederland beschikt over een minimumbedrag aan eigen vermogen.

Lid 2

Onverminderd het eerste lid beschikt een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid over financiële middelen tot dekking van de kosten voor de inrichting van de administratie en van het productienet.

Lid 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de omvang en de samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen. Bij de vaststelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen wordt bepaald wat daarbij voor de onderscheiden rechtsvormen onder eigen vermogen wordt verstaan.

Lid 4

Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid wordt uitgedrukt in het minimumkapitaalvereiste.

Lid 5

Indien een bewaarder of pensioenbewaarder als bedoeld in het eerste lid voorziet of redelijkerwijze kan voorzien dat zijn minimumbedrag aan eigen vermogen niet voldoet of niet zal voldoen aan de regels, bedoeld in het derde lid, geeft hij hiervan onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank.

Lid 6

Indien een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid constateert dat niet meer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste, dan wel voorziet dat er in de drie volgende maanden mogelijk niet aan wordt voldaan, geeft hij hiervan onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank.

Lid 7

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, aan een clearinginstelling, kredietunie of premiepensioeninstelling als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen van het eerste of derde lid, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Lid 8

Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing indien een betaalinstelling alleen betaaldiensten verleent als bedoeld onder 8 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten.

Artikel 3:54

Lid 1

Artikel 3:53, eerste, derde, vierde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten in Nederland, en banken, levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren en bewaarders met zetel in een staat die geen lidstaat is, die zijn verbonden aan een door een Nederlandse beheerder beheerde niet-Europese beleggingsinstelling. Artikel 3:53, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op bewaarders als bedoeld in de vorige volzin.

Lid 2

Artikel 3:53, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Lid 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het minimumkapitaalvereiste en de lokalisatie van de waarden die het solvabiliteitskapitaalvereiste van het bijkantoor van de levensverzekeraar of schadeverzekeraar vertegenwoordigen. Hierbij kan worden bepaald dat de levensverzekeraar of schadeverzekeraar voor bepaalde handelingen toestemming van de Nederlandsche Bank behoeft.

Artikel 3:55

Lid 1

Artikel 3:53, eerste, derde, vierde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op clearinginstellingen en verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het minimumkapitaalvereiste en de lokalisatie van de waarden die het solvabiliteitskapitaalvereiste van het bijkantoor van de verzekeraar met beperkte risico-omvang vertegenwoordigen. Hierbij kan worden bepaald dat de verzekeraar met beperkte risico-omvang voor bepaalde handelingen toestemming van de Nederlandsche Bank behoeft.

Artikel 3:55a

Lid 1

Artikel 3:53, eerste tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het minimumkapitaalvereiste.

Artikel 3:56

Artikel 3:53, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Artikel 3:57

Lid 1

De volgende financiële ondernemingen met zetel in Nederland beschikken over voldoende solvabiliteit:

  1. afwikkelondernemingen die werkzaamheden verrichten, gericht op salderen;

  2. banken;

  3. beheerders van beleggingsinstellingen;

  4. beheerders van icbe’s;

  5. beleggingsondernemingen met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend;

  6. betaalinstellingen;

  7. clearinginstellingen;

  8. elektronischgeldinstellingen;

  9. kredietunies;

  10. premiepensioeninstellingen;

  11. verzekeraars.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de solvabiliteit van de financiële ondernemingen, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen in het bijzonder betrekking hebben op de minimumomvang, de samenstelling en de berekening van de solvabiliteit, alsmede op de waardering van de vermogensbestanddelen die tot de solvabiliteit kunnen worden gerekend.

Lid 3

De aan te houden solvabiliteit van een beheerder, beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, kredietunie, premiepensioeninstelling of bank als bedoeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in een minimaal aan te houden toetsingsvermogen. De aan te houden solvabiliteit van een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in een solvabiliteitskapitaalvereiste.

Lid 4

Indien een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid voorziet of redelijkerwijze kan voorzien dat haar solvabiliteit niet voldoet of niet zal voldoen aan de regels, bedoeld in het tweede lid, geeft zij hiervan onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank. Indien het een verzekeraar betreft die constateert dat niet meer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, dan wel voorziet dat in drie maanden mogelijk niet aan dat vereiste wordt voldaan, geeft hij hiervan onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank.

Lid 5

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het aanhouden van balansposten of posten buiten de balanstelling door beheerders, beleggingsondernemingen, clearinginstellingen, kredietunies en banken, bedoeld in het eerste lid, maatschappijen voor collectieve belegging in effecten met zetel in Nederland, bewaarders met zetel in Nederland.

Lid 6

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, aan een afwikkelonderneming, clearinginstelling, kredietunie of premiepensioeninstelling als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen van ingevolge het eerste, tweede of zesde lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Lid 7

Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing indien een betaalinstelling alleen betaaldiensten verleent als bedoeld onder 7 en 8 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten.

Artikel 3:57a

Indien een verzekeraar met zetel in Nederland constateert dat zijn financiële positie verslechtert, geeft hij hiervan onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank.

Artikel 3:57b

De Nederlandsche Bank stelt bij de intrekking van de vergunning van een verzekeraar de minimaal aan te houden solvabiliteit vast en bepaalt de samenstelling en de wijze van berekening van de solvabiliteit, alsmede de waardering van de vermogensbestanddelen die tot de solvabiliteit kunnen worden gerekend. Artikel 3:57 is niet van toepassing.

Artikel 3:58

Lid 1

Artikel 3:57 is van overeenkomstige toepassing op:

  1. beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten in Nederland;

  2. banken met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren;

  3. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Lid 2

Artikel 3:57 is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf van herverzekeraar uitoefenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in een staat die geen lidstaat is.

Artikel 3:59

Lid 1

Artikel 3:57 is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van levensverzekeraars of schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het minimumkapitaalvereiste en de lokalisatie van de waarden die het solvabiliteitskapitaalvereiste van het bijkantoor van een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid vertegenwoordigen.

Lid 3

Artikel 3:57b is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:60

Lid 1

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is die zijn bedrijf uitoefent of wil uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, ontheffing verlenen van het bij of krachtens de artikelen 3:54, eerste en derde lid, en 3:59 bepaalde, ertoe leidend dat:

  1. het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt berekend op basis van het gehele bedrijf van de levensverzekeraar of schadeverzekeraar dat de levensverzekeraar onderscheidenlijk de schadeverzekeraar vanuit de in de lidstaten gelegen bijkantoren uitoefent;

  2. de waarden die het minimumkapitaalvereiste vertegenwoordigen in de lidstaat aanwezig zijn van waaruit het toezicht op het solvabiliteitskapitaalvereiste van het bijkantoor wordt uitgeoefend; en

  3. ten minste de helft van de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste wordt aangehouden in waarden volgens de terzake geldende voorschriften in de lidstaat van waaruit het toezicht op het solvabiliteitskapitaalvereiste van het bijkantoor wordt uitgeoefend.

Lid 2

De aanvraag voor de ontheffing bevat een gemotiveerde keuze van de toezichthoudende instantie die zich zal belasten met het toezicht op het solvabiliteitskapitaalvereiste, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

Artikel 3:61

Lid 1

Artikel 3:57 is van overeenkomstige toepassing op afwikkelondernemingen, clearinginstellingen, herverzekeraars en verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Lid 2

Artikel 3:57 is van overeenkomstige toepassing op afwikkelondernemingen of herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat en verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen lidstaat die hun bedrijf uitoefenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in een niet-aangewezen staat onderscheidenlijk vanuit een vestiging in een niet-aangewezen lidstaat.

Artikel 3:62

Lid 1

Artikel 3:57 is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat en op bijkantoren van verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de lokalisatie van de waarden die het solvabiliteitskapitaalvereiste van het bijkantoor van een verzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat vertegenwoordigen.

Lid 3

Artikel 3:57b is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:62a

Lid 1

Een bank met zetel in Nederland of een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, beschikt over een kapitaalbuffer die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels met betrekking tot aard, omvang en samenstelling. Bij die maatregel kan worden bepaald dat de omvang van onderdelen van de door een individuele bank of beleggingsonderneming aan te houden kapitaalbuffer wordt vastgesteld bij besluit van de Nederlandsche Bank.

Lid 2

De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben betrekking op de minimaal vereiste omvang van de kapitaalbuffer, vermeerderd met opslagen in verband met:

  1. risico’s die voortvloeien uit een kredietcyclus;

  2. het risico dat de financiële onderneming vormt voor de stabiliteit van het financiële stelsel; of

  3. risico’s die voortvloeien uit macroprudentiële of systeemrisico’s die niet vallen onder de verordening kapitaalvereisten en die niet afdoende worden gedekt door de opslagen in verband met de risico’s bedoeld in onderdelen a en b.

Lid 3

Indien een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid niet voldoet dan wel voorziet of redelijkerwijze kan voorzien dat zij niet zal voldoen aan de ingevolge dat lid op haar toepasselijke vereisten, geeft zij hiervan onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank.

Lid 4

Indien een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid niet voldoet aan de ingevolge dat lid gestelde vereisten, dient zij binnen vijf werkdagen na de kennisgeving een kapitaalconserveringsplan in bij de Nederlandsche Bank waarin zij aangeeft welke maatregelen zij voornemens is te treffen om aan het eerste lid te voldoen, met dien verstande dat de Nederlandsche Bank de termijn kan verlengen tot tien dagen, indien zij dit met het oog op de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de onderneming passend acht.

Lid 5

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de kennisgeving en het kapitaalconserveringsplan, bedoeld in het derde, onderscheidenlijk vierde lid.

Lid 6

Indien het naar het oordeel van de Nederlandsche Bank aannemelijk is dat de maatregelen in het kapitaalconserveringsplan de betrokken onderneming tijdig in staat stellen te voldoen aan het eerste lid, keurt zij het plan goed. Indien de Nederlandsche Bank haar goedkeuring aan het plan onthoudt, legt zij de onderneming een verplichting op, inhoudende:

  1. dat de onderneming uiterlijk op een voorgeschreven datum beschikt over een toetsingsvermogen van een voorgeschreven omvang; of

  2. dat de onderneming een door de Nederlandsche Bank te bepalen gedragslijn volgt ten aanzien van het doen van uitkeringen voor zover die zouden leiden tot een aantasting van het kapitaal, bedoeld in artikel 50 van de verordening kapitaalvereisten, het toekennen of uitkeren van variabele beloningen of aanspraken daarop dan wel het doen van betalingen op kapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 52 van de verordening kapitaalvereisten.

Lid 7

Onder uitkeringen als bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, worden mede begrepen de gevallen, bedoeld in artikel 141, tiende lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

Artikel 3:62b

Lid 1

Onverminderd de artikelen 77 en 78 van de verordening kapitaalvereisten is het een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:62a, eerste lid, verboden om uitkeringen te doen voor zover die zouden leiden tot een zodanige aantasting van het kapitaal, bedoeld in artikel 50 van de verordening kapitaalvereisten, dat de betrokken bank of beleggingsonderneming niet langer zou voldoen aan het bepaalde ingevolge artikel 3:62a, eerste lid.

Lid 2

Het is een bank of beleggingsonderneming die niet voldoet aan het bepaalde ingevolge artikel 3:62a, eerste lid, behoudens in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, verboden:

  1. uitkeringen te doen voor zover die zouden leiden tot een aantasting van het kapitaal, bedoeld in artikel 50 van de verordening kapitaalvereisten;

  2. variabele beloningen of aanspraken daarop toe te kennen of uit te keren; of

  3. betalingen te doen op kapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 52 van de verordening kapitaalvereisten.

Lid 3

Onder het doen van uitkeringen als bedoeld in het eerste en tweede lid worden mede verstaan de gevallen, bedoeld in artikel 141, tiende lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

Artikel 3:62ba

Lid 1

Onverminderd de artikelen 77 en 78 van de verordening kapitaalvereisten is het een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:62a, eerste lid, die een hefboomratiobuffer als bedoeld in artikel 92, eerste lid bis, van de verordening kapitaalvereisten gehouden is aan te houden, verboden om uitkeringen te doen voor zover die zouden leiden tot een zodanige aantasting van het kapitaal, bedoeld in artikel 25 van de verordening kapitaalvereisten, dat de betrokken bank of beleggingsonderneming niet langer zou voldoen aan de hefboomratiobuffer.

Lid 2

Het is een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in het eerste lid die niet voldoet aan de hefboomratiobuffer behoudens in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, verboden:

  1. uitkeringen te doen voor zover die zouden leiden tot een aantasting van het kapitaal, bedoeld in artikel 50 van de verordening kapitaalvereisten;

  2. variabele beloningen of aanspraken daarop toe te kennen of uit te keren; of

  3. betalingen te doen op kapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 52 van de verordening kapitaalvereisten.

Lid 3

Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in het eerste lid beschikt over voldoende kapitaal als bedoeld in artikel 25 van de verordening kapitaalvereisten, dat naar aard, omvang en samenstelling noodzakelijk is om zowel te voldoen aan de hefboomratiobuffer als aan de hefboomratio, bedoeld in artikel 92, eerste lid, onderdeel d, van de verordening kapitaalvereisten, en aan een hogere solvabiliteit of liquiditeit opgelegd op grond van artikel 3:111a, tweede lid, onderdeel a, om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen als dat niet voldoende gedekt wordt door de hefboomratio.

Lid 4

Indien een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in het eerste lid niet voldoet dan wel voorziet of redelijkerwijs kan voorzien dat zij niet zal voldoen aan de hefboomratiobuffer, geeft zij hiervan onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank.

Lid 5

Indien een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in het eerste lid niet voldoet aan de hefboomratiobuffer, dient zij binnen vijf werkdagen na de kennisgeving een kapitaalconserveringsplan in bij de Nederlandsche Bank waarin zij aangeeft welke maatregelen zij voornemens is te treffen om aan het derde lid te voldoen, met dien verstande dat de Nederlandsche Bank de termijn kan verlengen tot tien dagen, indien zij dit met het oog op de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de onderneming passend acht.

Lid 6

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de kennisgeving en het kapitaalconserveringsplan, bedoeld in het vierde, onderscheidenlijk vijfde lid.

Lid 7

Indien het naar het oordeel van de Nederlandsche Bank aannemelijk is dat de maatregelen in het kapitaalconserveringsplan de betrokken onderneming tijdig in staat stellen te voldoen aan het derde lid, keurt zij het plan goed. Indien de Nederlandsche Bank haar goedkeuring aan het plan onthoudt, legt zij de onderneming een verplichting op, inhoudende:

  1. dat de onderneming uiterlijk op een voorgeschreven datum beschikt over een toetsingsvermogen van een voorgeschreven omvang; of

  2. dat de onderneming een door de Nederlandsche Bank te bepalen gedragslijn volgt ten aanzien van het doen van uitkeringen voor zover die zouden leiden tot een aantasting van het kapitaal, bedoeld in artikel 25 van de verordening kapitaalvereisten, het toekennen of uitkeren van variabele beloningen of aanspraken daarop dan wel het doen van betalingen op kapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 52 van de verordening kapitaalvereisten.

Lid 8

Onder uitkeringen als bedoeld in het eerste, tweede, of zevende lid, onderdeel b, worden mede begrepen de gevallen, bedoeld in artikel 141, tiende lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

Artikel 3:62c

Lid 1

Het is een bank met zetel in Nederland of een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:62a, eerste lid, niet toegestaan informatie over het risico, bedoeld in artikel 3:62a, tweede lid, onderdeel b, ten behoeve van reclamedoeleinden te gebruiken.

Lid 2

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een bank met zetel buiten Nederland die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van dienstverrichting naar Nederland en een beleggingsonderneming buiten Nederland die beleggingsdiensten verleent als bedoeld in onderdeel e van de definitie van een beleggingsdienst in artikel 1:1, of beleggingsactiviteiten verricht als bedoeld in onderdeel a van de definitie van verrichten van een beleggingsactiviteit in artikel 1:1 vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van dienstverrichting naar Nederland.

Artikel 3:63

Lid 1

De volgende financiële ondernemingen met zetel in Nederland beschikken over voldoende liquiditeit:

  1. banken;

  2. beleggingsinstellingen met hefboomfinanciering, waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald;

  3. beleggingsondernemingen met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend;

  4. clearinginstellingen;

  5. icbe’s waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald;

  6. kredietunies.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de minimumomvang, de samenstelling en de berekening van de liquiditeit van een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid.

Lid 3

Indien een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid voorziet of redelijkerwijze kan voorzien dat haar liquiditeit niet voldoet of niet zal voldoen aan de regels, bedoeld in het tweede lid, doet zij hiervan onverwijld mededeling aan de Nederlandsche Bank.

Lid 4

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt. Geen ontheffing kan worden verleend aan een bank of een beleggingsonderneming als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3:64

Artikel 3:63 is van overeenkomstige toepassing op banken met een zetel in een andere lidstaat als bedoeld in artikel 2:16, eerste lid.

Artikel 3:65

Artikel 3:63 is van overeenkomstige toepassing op banken en op beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:96, die beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten in Nederland, hun zetel hebben in een staat die geen lidstaat is en hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.

Artikel 3:66

Lid 1

In geval van veranderingen in de intensiteit van macroprudentieel risico of systeemrisico in het financiële stelsel met mogelijk ernstige gevolgen voor dat stelsel of de reële economie kan de Nederlandsche Bank ter uitvoering van artikel 458 van de verordening kapitaalvereisten in overleg met Onze Minister tijdelijk regels stellen. Deze regels kunnen mede strekken tot verhoging of aanvulling van de eisen, gesteld bij of krachtens de artikelen 3:17, eerste lid en tweede lid, onderdeel c, 3:57, 3:62a en 3:63.

Lid 2

De in het eerste lid bedoelde verplichting tot overleg met Onze Minister is niet van toepassing indien de Europese Centrale Bank de in dat lid genoemde bevoegdheid uitoefent.

Lid 3

De regels, bedoeld in het eerste lid, gelden voor de duur van ten hoogste twee jaar, met de mogelijkheid tot verlenging met telkens een jaar.

Artikel 3:67

Lid 1

Een verzekeraar met zetel in Nederland houdt technische voorzieningen aan voor al zijn verzekeringsverplichtingen jegens verzekeringnemers en begunstigden van verzekeringen.

Lid 2

De waarde van de technische voorzieningen stemt overeen met het bedrag dat een verzekeraar zou moeten betalen indien hij zijn verzekeringsverplichtingen met onmiddellijke ingang aan een andere verzekeraar zou overdragen.

Lid 3

Een levensverzekeraar met zetel in Nederland stelt, rekening houdend met alle financiële aspecten van zijn onderneming, de premies voor te sluiten levensverzekeringen op adequate wijze vast.

Lid 4

Een levensverzekeraar, schadeverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar dekt de verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen, genoemd in artikel 213m, tweede lid, onderdelen b, c en d, derde lid, onderdelen a, b en c, dan wel artikel 213kk, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de Faillissementswet, volledig door waarden.

Lid 5

Met betrekking tot het bepaalde in het eerste, tweede en vierde lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld.

Lid 6

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van op grond van het vijfde lid gestelde regels, voor zover het regels betreft met betrekking tot de dekking door waarden van de technische voorzieningen en de verplichtingen, bedoeld in het vierde lid, bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Lid 7

Indien een verzekeraar met zetel in Nederland niet voldoet aan de regels gesteld op grond van het vijfde lid, kan de toezichthouder die verzekeraar verplichten de technische voorzieningen zodanig te verhogen, dat wel voldaan wordt aan deze regels.

Artikel 3:67a

De waarde van de technische voorzieningen van een verzekeraar met zetel in Nederland waarvan de vergunning door de Nederlandsche Bank is ingetrokken, stemt overeen met het bedrag dat de verzekeraar zou moeten betalen indien hij zijn verzekeringsverplichtingen met onmiddellijke ingang aan een andere verzekeraar zou overdragen. Indien de middelen van de verzekeraar ontoereikend zijn houdt hij zoveel mogelijk technische voorzieningen aan.

Artikel 3:68

Lid 1

Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is, houdt voor zijn vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor aangegane verplichtingen uit levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen toereikende technische voorzieningen aan. De technische voorzieningen worden volledig door waarden gedekt.

Lid 2

Artikel 3:67, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars als bedoeld in het eerste lid.

Lid 3

De levensverzekeraar of schadeverzekeraar dekt de verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen, genoemd in artikel 213m, tweede lid, onderdelen b, c en d, dan wel derde lid, onderdelen a, b en c, van de Faillissementswet, volledig door waarden.

Lid 4

De artikelen 3:67, vijfde en zesde lid, en 3:67a zijn van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en schadeverzekeraars.

Artikel 3:68a

Lid 1

Een herverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat houdt technische voorzieningen aan voor al zijn vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor aangegane verplichtingen uit herverzekeringen.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Lid 3

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Lid 4

Artikel 3:67a is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:69

Lid 1

Een verzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat houdt voor zijn vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor aangegane verplichtingen uit natura-uitvaartverzekeringen toereikende technische voorzieningen aan. De technische voorzieningen worden volledig door waarden gedekt.

Lid 2

De levensverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang dekt de verplichtingen uit vorderingen, genoemd in artikel 213m, tweede lid, onderdelen b, c en d, dan wel derde lid, onderdelen a, b en c, van de Faillissementswet, volledig door waarden. De natura-uitvaartverzekeraar dekt de verplichtingen uit vorderingen, genoemd in artikel 213kk, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de Faillissementswet, volledig door waarden.

Lid 3

De artikelen 3:67, vijfde en zesde lid, en 3:67a zijn van overeenkomstige toepassing op verzekeraars met beperkte risico-omvang.

Artikel 3:69a

Lid 1

Een verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in Nederland waardeert, tenzij anders vermeld, activa en passiva als volgt:

  1. activa worden gewaardeerd tegen het bedrag waarvoor ze kunnen worden verhandeld tussen ter zake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk van elkaar zijn;

  2. passiva worden gewaardeerd tegen het bedrag waarvoor ze kunnen worden overgedragen of afgewikkeld tussen ter zake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk van elkaar zijn.

Lid 2

Bij de waardering van de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde passiva wordt niet gecorrigeerd voor de eigen kredietwaardigheid van de verzekeraar.

Artikel 3:70

Lid 1

Een entiteit voor risico-acceptatie of verzekeraar met zetel in Nederland doet het boekjaar gelijk lopen met het kalenderjaar.

Lid 2

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 3:70a

Lid 1

Een premiepensioeninstelling met zetel in Nederland maakt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening en het bestuursverslag overeenkomstig titel 9, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op, met dien verstande dat de in de artikelen 395a, 396 en 397 van genoemd wetboek geformuleerde uitzonderingen niet van toepassing zijn.

Lid 2

Een premiepensioeninstelling beschrijft de wezenlijke kenmerken van haar belangrijkste beleggingsprofielen afzonderlijk in de jaarrekening en het bestuursverslag.

Artikel 3:71

Lid 1

Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, pensioenbewaarder, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling met zetel in Nederland verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in de artikelen 361, eerste lid, onderscheidenlijk 391, eerste lid, en 392, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van de verstrekking van de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens.

Lid 3

Onverminderd het bepaalde in Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kan de Nederlandsche Bank op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 3:72

Lid 1

Een afwikkelonderneming met zetel in Nederland, een bank met zetel in Nederland, een beheerder met zetel in Nederland van een icbe, een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die beleggingsdiensten verleent of beleggingsactiviteiten verricht in Nederland, een betaalinstelling, een clearinginstelling, elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland, kredietunie met zetel in Nederland, premiepensioeninstelling met zetel in Nederland of een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling verstrekt periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen staten aan de Nederlandsche Bank, al dan niet tevens op geconsolideerde basis, die deze nodig heeft voor het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit deel bepaalde.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen als bedoeld in het eerste lid, waaraan een ontheffing als bedoeld in artikel 3:57, zesde lid, of 3:63, vierde lid, is verleend.

Lid 3

Een entiteit voor risico-acceptatie of verzekeraar met zetel in Nederland verstrekt periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen staten aan de Nederlandsche Bank, die deze nodig heeft voor het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit deel bepaalde.

Lid 4

Indien een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland een nieuw type levensverzekering of natura-uitvaartverzekering heeft gesloten, voegt hij bij de staten een opgave van de technische grondslagen voor de berekening van het desbetreffende tarief en van de desbetreffende technische voorzieningen. De levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar voegt bij de staten eveneens een opgave van de wijzigingen in de technische grondslagen voor de berekening van zijn tarieven en van de technische voorzieningen.

Lid 5

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden, onverminderd het bepaalde ingevolge deel 7 bis van de verordening kapitaalvereisten en ingevolge de artikelen 54 en 55 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, regels gesteld met betrekking tot de inhoud en de modellen van de staten en de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de verstrekking, en wordt bepaald welke staten worden verstrekt en welke staten of gegevens uit die staten openbaar worden gemaakt.

Lid 6

De Nederlandsche Bank kan, indien zich een gebeurtenis voordoet of heeft voorgedaan die ernstige gevolgen heeft of kan hebben voor de financiële positie van een financiële onderneming als bedoeld in het eerste of derde lid, voorschrijven dat een of meer staten tijdelijk worden verstrekt met een hogere frequentie of op een kortere termijn dan ingevolge het vijfde lid is bepaald. Deze staten worden niet openbaar gemaakt.

Lid 7

Staten, verstrekt door een afwikkelonderneming, een bank, beheerder, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, premiepensioeninstelling of verzekeraar zijn periodiek voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een accountant. De Nederlandsche Bank kan bepalen dat staten, verstrekt door een beleggingsonderneming, voorzien zijn van een verklaring als bedoeld in de eerste volzin. De accountant waarmerkt de betrokken staten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het onderzoek en de waarmerking van de staten.

Lid 8

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste of derde lid indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Lid 9

De Nederlandsche Bank maakt periodiek de voornaamste geaggregeerde gegevens openbaar op basis van de staten die ingevolge het eerste lid door banken met zetel in Nederland aan haar zijn verstrekt en publiceert de niet-geaggregeerde gegevens van deze banken die daartoe bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vijfde lid, zijn aangewezen.

Lid 10

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de periodiciteit van de publicatie van niet-geaggregeerde gegevens op grond van het negende lid en de procedure bij openbaarmaking.

Artikel 3:73

Een verzekeraar met beperkte risico-omvang legt de jaarrekening en het bestuursverslag, bedoeld in titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op al zijn kantoren in Nederland ter inzage van een ieder tot achttien maanden na afloop van het boekjaar. Tot zolang verstrekt hij een ieder op verzoek een afschrift tegen ten hoogste de kostprijs.

Artikel 3:73a

Lid 1

Een afwikkelonderneming met zetel in Nederland meldt gebeurtenissen of omstandigheden die de ordelijke uitoefening van het bedrijf van afwikkelonderneming bedreigen onverwijld aan de Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank doet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de Autoriteit Financiële Markten.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de melding, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3:73b

Lid 1

Een afwikkelonderneming met zetel in Nederland draagt zorg voor het effectief verlenen van haar diensten.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 3:73c

Lid 1

Een verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in Nederland maakt jaarlijks een rapport over zijn solvabiliteit en financiële positie openbaar. Een verzekeraar met beperkte risico-omvang neemt in de toelichting op de jaarrekening gegevens op over zijn solvabiliteit en financiële positie.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 3:74

Lid 1

Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank een opgave met betrekking tot de vanuit Nederland of andere lidstaten gelegen vestigingen gesloten levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen, onder aparte vermelding van de uit hoofde van het verrichten van diensten naar andere lidstaten gesloten verzekeringen.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud en de modellen van de opgaven en de wijze van de verstrekking.

Lid 3

Het eerste lid is niet van toepassing op de vanuit de zetel in Nederland gesloten levensverzekeringen of schadeverzekeringen waarbij geen sprake is van het verrichten van diensten.

Lid 4

De Nederlandsche Bank verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot een lidstaat in geaggregeerde vorm aan de toezichthoudende instantie van die lidstaat indien deze daarom verzoekt.

Artikel 3:74a

Lid 1

De Nederlandsche Bank kan de volgende financiële ondernemingen met een zetel in Nederland opdragen de volgende informatie met een hogere frequentie dan eens per jaar te publiceren en voorschrijven op welke wijze deze publicatie plaatsvindt:

  1. een bank of beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, met betrekking tot de informatie, bedoeld in deel 8 van de verordening kapitaalvereisten;

  2. een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, niet zijnde een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, met betrekking tot de informatie, bedoeld in artikel 46, eerste lid, van die verordening; of

  3. een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 46, tweede lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, met betrekking tot de informatie, bedoeld in artikel 46, tweede lid, van die verordening.

Lid 2

De Nederlandsche Bank kan een moederonderneming met zetel in Nederland, die aan het hoofd staat van een groep waartoe een bank of een beleggingsonderneming als bedoeld in het eerste lid behoort, opdragen om, overeenkomstig het bepaalde in artikel 106, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, of, in het geval van een moederonderneming van een beleggingsonderneming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of c, overeenkomstig het bepaalde in artikel 26, eerste lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen en artikel 10 van de richtlijn markten financiële instrumenten 2014, een beschrijving te publiceren van de juridische structuur en de governance- en organisatiestructuur van de groep.

Lid 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van de richtlijn kapitaalvereisten en de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen nadere regels worden gesteld betreffende verplichtingen voor banken of voor beleggingsondernemingen als bedoeld in het eerste lid tot het publiceren van informatie, alsmede met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Artikel 3:74b

Lid 1

Een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland die naast het verlenen van betaaldiensten tevens andere werkzaamheden verricht, voert een afzonderlijke boekhouding voor de betaaldiensten.

Lid 2

Een elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland die naast de uitgifte van elektronisch geld andere werkzaamheden verricht, voert een afzonderlijke boekhouding voor de uitgifte van het elektronisch geld.

Lid 3

Een wisselinstelling met zetel in Nederland die naast wisseltransacties andere werkzaamheden verricht, voert een afzonderlijke boekhouding voor wisseltransacties.

Artikel 3:74c

Een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling verstrekt aan de Nederlandsche Bank de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens met betrekking tot de wijze waarop de beheerder beleggingsinstellingen beheert, de beleggingsinstellingen die hij beheert, de beleggingen van de beleggingsinstellingen en de markten waarop de beleggingsinstellingen actief zijn.

Artikel 3:75

Een bank met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, voert in Nederland een afzonderlijke boekhouding met betrekking tot dat bijkantoor.

Artikel 3:76

Lid 1

Een bank met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank de jaarrekening, de geconsolideerde jaarrekening en het bestuursverslag.

Lid 2

De jaarrekening is voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een accountant, dan wel door een deskundige die ingevolge het recht van de lidstaat waar de bank haar zetel heeft, bevoegd is de jaarrekening te onderzoeken.

Artikel 3:77

Indien de Nederlandsche Bank daarom verzoekt, verstrekt een bank met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, al dan niet periodiek, staten als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, met betrekking tot het bijkantoor. Artikel 3:72, vijfde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:78

Lid 1

Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een andere lidstaat die vanuit een in een staat die geen lidstaat is gelegen bijkantoor zijn bedrijf uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank een opgave met betrekking tot de vanuit de bijkantoren gesloten levensverzekeringen of schadeverzekeringen uit hoofde van het verrichten van diensten naar Nederland.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud en de modellen van de opgaven en de wijze van de verstrekking.

Artikel 3:79

De artikelen 3:69a en 3:70 zijn van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is, die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Artikel 3:80

Artikel 3:75 is van overeenkomstige toepassing op banken, levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is, die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren, met dien verstande dat levensverzekeraars en schadeverzekeraars de bedoelde boekhouding ter plaatse van het bijkantoor bewaren.

Artikel 3:81

Lid 1

Een bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is, die haar onderscheidenlijk zijn bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank de jaarrekening, de geconsolideerde jaarrekening en het bestuursverslag.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van de verstrekking van de jaarrekening, de geconsolideerde jaarrekening en het bestuursverslag.

Lid 3

De jaarrekening is voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, dan wel een met de verklaring omtrent de getrouwheid overeenkomende verklaring, afgegeven door een accountant, dan wel door een deskundige die ingevolge het recht van de staat waar de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, haar zetel heeft, bevoegd is de jaarrekening te onderzoeken.

Artikel 3:82

Lid 1

Artikel 3:72, eerste lid en vijfde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten in Nederland en in Nederland gelegen bijkantoren van banken met zetel in een staat die geen lidstaat is, met dien verstande dat de staten zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, dan wel een met de verklaring omtrent de getrouwheid overeenkomende verklaring, afgegeven door een accountant, dan wel door een deskundige die ingevolge het recht van de staat waar de beleggingsonderneming of bank haar zetel heeft, bevoegd is de staten te onderzoeken. Artikel 3:72, negende lid, is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van banken met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Lid 2

Artikel 3:72, derde en vijfde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van levensverzekeraars of schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is. Artikel 3:72, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van levensverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Artikel 3:82a

Artikel 3:73c is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Artikel 3:83

Lid 1

Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is, verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank een opgave met betrekking tot de vanuit de in Nederland gelegen bijkantoren gesloten levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen uit hoofde van het verrichten van diensten naar andere lidstaten.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud en de modellen van de opgaven en de wijze van de verstrekking.

Lid 3

Artikel 3:74, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Lid 4

Artikel 3:78 is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is, die diensten verrichten naar Nederland.

Artikel 3:83a

Lid 1

Het bepaalde ingevolge artikel 3:74a, eerste lid, onderdeel a, tweede en derde lid, van deze wet en deel 8 van de verordening kapitaalvereisten omtrent de openbaarmaking van informatie is van overeenkomstige toepassing op een bank of een beleggingsonderneming waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend, die haar zetel heeft in een staat die geen lidstaat is, die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die, in het geval van een beleggingsonderneming, indien zij haar zetel in Nederland zou hebben gehad, zou worden aangemerkt als een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten.

Lid 2

Het bepaalde ingevolge artikel 3:74a, eerste lid, onderdelen b en c, tweede en derde lid, van deze wet en artikel 46 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen omtrent de openbaarmaking van informatie is van overeenkomstige toepassing op een beleggingsonderneming waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend, die haar zetel heeft in een staat die geen lidstaat is, die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die, zou zij haar zetel in Nederland hebben gehad, zou worden aangemerkt als een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen.

Artikel 3:84

De artikelen 3:69a en 3:70 zijn van overeenkomstige toepassing op herverzekeraars en verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat, die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Artikel 3:84a

De artikelen 3:71, 3:72, 3:73a en 3:73b zijn van overeenkomstige toepassing op afwikkelondernemingen met zetel in een niet-aangewezen staat en op in Nederland gelegen bijkantoren van afwikkelondernemingen met zetel in een niet-aangewezen staat.

Artikel 3:85

De artikelen 3:75 en 3:81 zijn van overeenkomstige toepassing op clearinginstellingen, herverzekeraars en verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat, die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Artikel 3:86

Lid 1

Artikel 3:72, eerste lid en vijfde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van clearinginstellingen met zetel in een niet-aangewezen staat, met dien verstande dat de staten zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, dan wel een met de verklaring omtrent de getrouwheid overeenkomende verklaring, afgegeven door een accountant, dan wel door een deskundige die ingevolge het recht van de staat waar de afwikkelonderneming onderscheidenlijk de clearinginstelling haar zetel heeft, bevoegd is de staten te onderzoeken.

Lid 2

Artikel 3:72, derde tot en met zesde en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van entiteiten voor risico-acceptatie, herverzekeraars en verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat.

Artikel 3:86a

Artikel 3:73c is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van herverzekeraars en verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat.

Artikel 3:87

Lid 1

Een verzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen lidstaat, die zijn bedrijf uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank een opgave met betrekking tot de gesloten levensverzekeringen, natura-uitvaartverzekeringen dan wel schadeverzekeringen uit hoofde van het verrichten van diensten naar Nederland.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud en de modellen van de opgaven, bedoeld in het eerste lid, en de wijze van de verstrekking.

Artikel 3:87a

De artikelen 3:71 en 3:74b, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op wisselinstellingen met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Artikel 3:87b

Vervallen

Artikel 3:88

Lid 1

Een accountant die het onderzoek uitvoert van de jaarrekening van een afwikkelonderneming met zetel in Nederland, een bank met zetel in Nederland, een beheerder met zetel in Nederland van een icbe, een beleggingsonderneming met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend, een betaalinstelling, een clearinginstelling, een elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland, kredietunie met zetel in Nederland, een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling, een Nederlandse beleggingsinstelling, een icbe of verzekeraar met zetel in Nederland, dan wel van de staten van een financiële onderneming met zetel in Nederland als bedoeld in artikel 3:72, eerste of derde lid, geeft de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk kennis van elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van het onderzoek kennis heeft gekregen en die:

  1. in strijd is met de ingevolge dit deel opgelegde verplichtingen; of

  2. het voortbestaan van de financiële onderneming bedreigt.

Lid 2

Een accountant die het onderzoek uitvoert van de jaarrekening van een afwikkelonderneming met zetel in Nederland, een clearinginstelling, bank, een beleggingsonderneming met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend kredietunie of verzekeraar met zetel in Nederland, dan wel van de staten van een financiële onderneming met zetel in Nederland als bedoeld in artikel 3:72, eerste of derde lid, geeft de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk kennis van elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van het onderzoek kennis heeft gekregen en die leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.

Lid 3

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een accountant die naast het onderzoek van de jaarrekening of de staten, bedoeld in het eerste en tweede lid, ook het onderzoek uitvoert van de jaarrekening of de staten van een persoon waarmee een financiële onderneming als bedoeld in het eerste of tweede lid, in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur is verbonden.

Lid 4

De accountant, bedoeld in het tweede lid, verstrekt zo spoedig mogelijk bij algemene maatregel van bestuur te bepalen inlichtingen aan de Nederlandsche Bank ten behoeve van het toezicht op de financiële onderneming. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in acht te nemen procedures.

Lid 5

De Nederlandsche Bank stelt de financiële onderneming in de gelegenheid aanwezig te zijn bij de kennisgeving, bedoeld in het eerste of tweede lid, en bij het verstrekken van inlichtingen, bedoeld in het vierde lid, door de accountant.

Lid 6

De accountant die op grond van het eerste, tweede of derde lid tot een melding of op grond van het vierde lid tot het verstrekken van inlichtingen aan de Nederlandsche Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot kennisgeving of tot het verstrekken van inlichtingen had mogen worden overgegaan.

Artikel 3:89

Vervallen

Artikel 3:90

Artikel 3:88 is van overeenkomstige toepassing op accountants die het onderzoek, bedoeld in artikel 3:77 uitvoeren van de staten van een in Nederland gelegen bijkantoor van een bank met zetel in een andere lidstaat.

Artikel 3:91

Artikel 3:88 is van overeenkomstige toepassing op accountants of andere deskundigen die het onderzoek, bedoeld in artikel 3:82, eerste of tweede lid, uitvoeren van de staten van een in Nederland gelegen bijkantoor van een beleggingsonderneming, bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is, of van een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die diensten verricht naar Nederland.

Artikel 3:92

Vervallen

Artikel 3:93

Artikel 3:88 is van overeenkomstige toepassing op accountants of andere deskundigen die het onderzoek, bedoeld in artikel 3:86, eerste of tweede lid, uitvoeren van de staten van een in Nederland gelegen bijkantoor van een afwikkelonderneming met zetel in een niet-aangewezen staat, clearinginstelling met zetel in een niet-aangewezen staat, herverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat of verzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat.

Artikel 3:94

Vervallen

Artikel 3:95

Lid 1

Het is verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank of, ten aanzien van banken, niet zijnde houders van een vergunning als bedoeld in artikel 3:4, de Europese Centrale Bank, een gekwalificeerde deelneming te houden, te verwerven of zodanig te vergroten dat een bovengrens als bedoeld in artikel 3:102, eerste lid, wordt bereikt of overschreden, dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming uit te oefenen in een:

  1. afwikkelonderneming met zetel in Nederland die een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning als bedoeld in artikel 2:3.0b, eerste lid, heeft;

  2. bank met zetel in Nederland;

  3. beheerder van een icbe met zetel in Nederland;

  4. beleggingsonderneming met zetel in Nederland;

  5. entiteit voor risico-acceptatie;

  6. premiepensioeninstelling met zetel in Nederland;

  7. verzekeraar met zetel in Nederland;

  8. betaalinstelling die een of meer van de in bijlage I, punt 1 tot en met 7, van de richtlijn betaaldiensten bedoelde bedrijfsactiviteiten uitoefent; of

  9. elektronischgeldinstelling.

Lid 2

De aanvrager van een verklaring van geen bezwaar dient de aanvraag in bij de Nederlandsche Bank onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens. De aanvraag van een verklaring van geen bezwaar voor een gekwalificeerde deelneming in een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c of d, kan evenwel bij de Autoriteit Financiële Markten worden ingediend, indien die financiële onderneming op het moment van de aanvraag van de verklaring van geen bezwaar geen vergunning heeft.

Lid 3

Op de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar voor een gekwalificeerde deelneming in een bank, niet zijnde de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 3:4, stelt de Nederlandsche Bank een ontwerpbesluit op als bedoeld in artikel 15 van de verordening bankentoezicht.

Lid 4

In afwijking van het eerste lid dient een verklaring van geen bezwaar met betrekking tot een gekwalificeerde deelneming in een bank die in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien waarvan een besluit als bedoeld in de artikelen 16 of 18 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, is genomen te worden verkregen van de Nederlandsche Bank.

Artikel 3:96

Lid 1

Het is een bank met zetel in Nederland verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank:

  1. een gekwalificeerde deelneming te verwerven of te vergroten in een bank, beleggingsonderneming of verzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is of in een financiële instelling waaraan geen verklaring van ondertoezichtstelling is verleend als bedoeld in artikel 3:110, indien het balanstotaal van die bank, beleggingsonderneming, verzekeraar of financiële instelling ten tijde van de verwerving onderscheidenlijk de vergroting, meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde balanstotaal van de bank, bedoeld in de aanhef;

  2. een gekwalificeerde deelneming in een onderneming, niet zijnde een bank, beleggingsonderneming, financiële instelling of verzekeraar met zetel in Nederland of in een andere lidstaat of in een staat die geen lidstaat is, te verwerven of te vergroten, indien het bedrag dat wordt betaald voor die verwerving, onderscheidenlijk die vergroting, tezamen met de bedragen die voor eerdere verwerving en vergroting van een deelneming in die onderneming zijn betaald, meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde aanwezige eigen vermogen van de bank, bedoeld in de aanhef;

  3. de activa en passiva van een andere onderneming of instelling geheel of voor een belangrijk deel al dan niet middellijk over te nemen indien het totaalbedrag van de over te nemen activa of van de over te nemen passiva meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde balanstotaal van de bank, bedoeld in de aanhef;

  4. een fusie aan te gaan met een andere onderneming of instelling indien het balanstotaal van de onderneming of instelling waarmee de fusie wordt aangegaan meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde balanstotaal van de bank, bedoeld in de aanhef;

  5. over te gaan tot financiële of vennootschappelijke reorganisatie;

  6. een beherend vennoot tot de bank te doen toetreden.

Lid 2

De aanvrager van een verklaring van geen bezwaar dient de aanvraag in bij de Nederlandsche Bank onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

Lid 3

Het eerste lid is niet van toepassing op gekwalificeerde deelnemingen in vennootschappen wier activa op het moment van verwerving van de gekwalificeerde deelneming door de bank voor meer dan negentig procent uit liquide middelen bestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke middelen tot de liquide middelen mogen worden gerekend.

Lid 4

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b.

Lid 5

Onder gekwalificeerde deelneming als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, worden niet begrepen de stemrechten op aandelen die een bank kan uitoefenen op grond van een verkregen pandrecht op de aandelen en de stemrechten op aandelen die bewaarnemers van aandelen niet naar eigen goeddunken kunnen uitbrengen.

Artikel 3:97

Het is een verzekeraar met zetel in Nederland verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank:

  1. zijn eigen vermogen door terugbetaling van kapitaal of uitkering van reserves te verminderen dan wel een dividenduitkering te doen, indien de verzekeraar ten tijde van deze terugbetaling dan wel uitkering niet voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste of voorziet dat hij in de twaalf volgende maanden waarschijnlijk niet aan dat vereiste zal voldoen;

  2. zijn kapitaalstructuur te wijzigen door de indiening van een verzoek tot toelating tot de handel op een gereglementeerde markt van aandelen of andere effecten waaraan zeggenschap is verbonden.

Artikel 3:98

Lid 1

Artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel d, is niet van toepassing op handelingen waarvoor ingevolge artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 3:96, eerste lid, een verklaring van geen bezwaar is verleend.

Lid 2

Tevens is artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel d, niet van toepassing op handelingen waarvoor ingevolge artikel 3:96, eerste lid, onderdeel a of b, geen verklaring van geen bezwaar is vereist.

Lid 3

Artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel d, is niet van toepassing indien ingevolge artikel 5:32d, tweede lid, een verklaring van geen bezwaar is verleend voor een gekwalificeerde deelneming in een marktexploitant die tevens een multilaterale handelsfaciliteit exploiteert.

Artikel 3:99

Lid 1

De betrouwbaarheid van de houder van een verklaring van geen bezwaar die op grond van zijn gekwalificeerde deelneming het beleid van de betrokken onderneming zal bepalen of mede bepalen of zal kunnen bepalen of mede bepalen staat buiten twijfel.

Lid 2

De betrouwbaarheid staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.

Lid 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld, uitgezonderd ten aanzien van entiteiten voor risico-acceptatie, met betrekking tot de wijze waarop wordt vastgesteld of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid buiten twijfel staat en welke feiten en omstandigheden daarbij in aanmerking worden genomen alsmede met betrekking tot de misdrijven die, indien begaan door die persoon, met het oog op de belangen die de wet beoogt te beschermen, tot de vaststelling leiden dat de betrouwbaarheid van die persoon niet buiten twijfel staat.

Artikel 3:99a

De houder van een verklaring van geen bezwaar die op grond van zijn gekwalificeerde deelneming het beleid van de betrokken onderneming zal bepalen of mede bepalen of zal kunnen bepalen of mede bepalen is, gelet op zijn reputatie, geschikt.

Artikel 3:100

Lid 1

De Nederlandsche Bank of, ten aanzien van banken, niet zijnde houders van een vergunning als bedoeld in artikel 3:4, de Europese Centrale Bank verleent een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, tenzij:

  1. de betrouwbaarheid van de aanvrager van de verklaring van geen bezwaar of van de personen die op grond van de voorgenomen gekwalificeerde deelneming het beleid van de financiële onderneming zullen bepalen of mede bepalen of zullen kunnen bepalen of mede bepalen niet buiten twijfel staat;

  2. de aanvrager, gelet op zijn reputatie, niet geschikt is of de personen die op grond van de voorgenomen gekwalificeerde deelneming het dagelijks beleid van de financiële onderneming zullen bepalen terzake niet geschikt zijn;

  3. de financiële soliditeit van de aanvrager, rekening houdend met de bedrijfsactiviteiten van de financiële onderneming, niet is gewaarborgd;

  4. de financiële onderneming als gevolg van de gekwalificeerde deelneming niet zal kunnen blijven voldoen aan de prudentiële regels die ingevolge deze wet zijn gesteld;

  5. er goede redenen zijn om te vermoeden dat in verband met de voorgenomen verwerving of vergroting geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd of dat gepoogd wordt of werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren in de zin van de Wet voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme of dat de voorgenomen verwerving of vergroting het risico daarop zou kunnen vergroten; of

  6. onvolledige of onjuiste informatie is verstrekt door de aanvrager.

Lid 2

De Nederlandsche Bank stelt een ontwerpbesluit op als bedoeld in artikel 3:95, derde lid, dat in ieder geval strekt tot afwijzing van de aanvraag indien zich een geval voordoet als bedoeld in het eerste lid.

Lid 3

Met betrekking tot de betrouwbaarheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, zijn het tweede en derde lid van artikel 3:99 van overeenkomstige toepassing.

Lid 4

Indien op grond van artikel 3:102, tweede lid, een verklaring van geen bezwaar wordt aangevraagd voor alle groepsmaatschappijen, gelden de vereisten van het eerste lid, onderdelen b en c, behalve voor de aanvrager tevens voor alle groepsmaatschappijen die een gekwalificeerde deelneming in de financiële onderneming houden, verwerven of zodanig vergroten dat een bovengrens als bedoeld in artikel 3:102, eerste lid, wordt bereikt of overschreden, dan wel enige zeggenschap verbonden aan de gekwalificeerde deelneming uitoefenen in de financiële onderneming.

Artikel 3:101

De Nederlandsche Bank verleent een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in artikel 3:96, eerste lid, of 3:97, tenzij:

  1. de handeling in strijd zou kunnen komen of zou zijn met hetgeen voor de betrokken bank of verzekeraar ingevolge artikel 3:57, eerste en tweede lid, is bepaald met betrekking tot de solvabiliteit;

  2. de handeling anderszins in strijd zou kunnen komen of zou zijn met een gezonde en prudente bedrijfsuitoefening; of

  3. de handeling zou kunnen leiden of zou leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële sector.

Artikel 3:102

Lid 1

Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend kan op aanvraag de aanvrager tevens toestemming worden verleend tot het vergroten van zijn gekwalificeerde deelneming, waarbij als bovengrens 20, 33, 50 of 100 procent kan gelden. Voor de vergroting van een gekwalificeerde deelneming in een entiteit voor risico-acceptatie is geen toestemming vereist. Voor een betaalinstelling kan een bovengrens gelden van 20, 30, 50 of 100 procent.

Lid 2

Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend voor een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, kan, op aanvraag, worden bepaald dat die verklaring van geen bezwaar geldt voor alle groepsmaatschappijen gezamenlijk.

Lid 3

Indien een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:96, eerste lid, wordt verleend, kan deze betrekking hebben op door de aanvrager:

  1. via een dochtermaatschappij verworven en nog te verwerven middellijke deelnemingen; of

  2. verworven dan wel nog te verwerven middellijke deelnemingen, niet zijnde deelnemingen als bedoeld in onderdeel a, voorzover deze deelnemingen buiten de invloedssfeer van de aanvrager zijn verworven dan wel worden verworven.

Artikel 3:103

Lid 1

Een ieder geeft de Nederlandsche Bank vooraf kennis van een wijziging van zijn gekwalificeerde deelneming in een financiële onderneming, niet zijnde een entiteit voor risico-acceptatie als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid:

  1. waardoor de omvang van deze deelneming boven de 20, 33 of 50 procent stijgt of waardoor de financiële onderneming een dochtermaatschappij wordt; of

  2. waardoor de omvang van deze deelneming onder de 10, 20, 33 of 50 procent daalt of waardoor de financiële onderneming ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.

Lid 2

Een financiële onderneming als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, onderdeel a tot en met d, f, h of i, geeft, zodra zulks haar bekend wordt, de Nederlandsche Bank kennis van iedere verwerving, afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in die onderneming:

  1. waardoor de omvang van deze deelneming boven de 20, 33 of 50 procent stijgt of waardoor de betrokken financiële onderneming een dochtermaatschappij wordt; of

  2. waardoor de omvang van deze deelneming onder de 10, 20, 33 of 50 procent daalt of waardoor de betrokken financiële onderneming ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.

Lid 3

Een financiële onderneming als bedoeld in tweede lid, geeft, voor zover haar bekend, de Nederlandsche Bank in de maand juli van elk jaar kennis van de identiteit van iedere persoon die een gekwalificeerde deelneming in de betrokken onderneming houdt.

Lid 4

Een entiteit voor risico-acceptatie of herverzekeraar geeft, zodra zulks haar of hem bekend wordt, de Nederlandsche Bank kennis van iedere afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in haar of hem waardoor de omvang van deze deelneming onder de 10 procent daalt.

Lid 5

Indien de omvang van een deelneming waarvoor een verklaring van geen bezwaar is afgegeven onder de 10 procent daalt, vervalt de afgegeven verklaring van geen bezwaar van rechtswege.

Lid 6

Voor de toepassing van het eerste en tweede lid geldt voor een betaalinstelling een verplichting tot kennisgeving als de omvang van de deelneming boven de 20, 30 of 50 procent stijgt dan wel onder de 10, 20, 30 of 50 procent daalt.

Artikel 3:103a

Lid 1

Een groepsmaatschappij waaraan op grond van artikel 3:102, tweede lid, een verklaring van geen bezwaar is verleend die geldt voor alle groepsmaatschappijen gezamenlijk, stelt de Nederlandsche Bank in kennis van een voorgenomen wijziging binnen de groep die ertoe leidt dat een groepsmaatschappij een gekwalificeerde deelneming in een financiële onderneming zal houden, verwerven of zodanig zal vergroten dat een bovengrens als bedoeld in artikel 3:102, eerste lid, wordt bereikt of overschreden, dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming zal uitoefenen. Gelijke verplichting rust op de overige bij die wijziging betrokken groepsmaatschappijen.

Lid 2

Zodra een groepsmaatschappij aan de ingevolge het eerste lid op haar rustende verplichting heeft voldaan, is de verplichting voor de andere in dat lid bedoelde groepsmaatschappijen opgeheven. Melding op grond van dit artikel geldt tevens als een melding van de groepsmaatschappij en alle bij de wijziging betrokken groepsmaatschappijen ter voldoening aan de verplichting, bedoeld in artikel 3:103, eerste lid.

Lid 3

Aan een voorgenomen wijziging binnen een groep als bedoeld in het eerste lid, wordt door een groepsmaatschappij geen uitvoering gegeven voordat de Nederlandsche Bank of, ten aanzien van banken, niet zijnde houders van een vergunning als bedoeld in artikel 3:4, de Europese Centrale Bank, daarmee heeft ingestemd.

Lid 4

De Nederlandsche Bank, of ten aanzien van banken, niet zijnde houders van een vergunning als bedoeld in artikel 3:4, de Europese Centrale Bank, stemt in met de voorgenomen wijziging, tenzij één van de in artikel 3:100, eerste lid, genoemde gronden zich voordoet met betrekking tot de voorgenomen wijziging.

Lid 5

De artikelen 1:62 en artikel 1:106 tot en met 1:106e zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit als bedoeld in het derde lid, waarbij:

  1. voor «aanvraag van een verklaring van geen bezwaar» wordt gelezen: een kennisgeving als bedoeld in artikel 3:103a, eerste lid;

  2. voor «verklaring van geen bezwaar» wordt gelezen: de instemming, bedoeld in artikel 3:103a, vierde lid;

  3. voor de toepassing van artikel 1:106b, eerste lid, voor «alle gegevens en bescheiden» wordt gelezen: de gegevens, bedoeld in artikel 3:103a, zesde lid; en

  4. voor «aanvrager» wordt gelezen: de groepsmaatschappij die de Nederlandsche Bank overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:103a, eerste lid, in kennis stelt van een voorgenomen wijziging binnen de groep.

Lid 6

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke gegevens worden verstrekt bij een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3:104

Lid 1

Onverminderd de artikelen 1:102, tweede lid, en 1:106a, kan de Nederlandsche Bank aan een door haar verleende verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, 3:96, eerste lid, of 3:97, dan wel een besluit tot instemming als bedoeld in artikel 3:103a, derde lid, beperkingen stellen dan wel voorschriften verbinden met het oog op de belangen die artikel 3:100, onderscheidenlijk 3:101 beoogt te beschermen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 3:95, derde lid.

Lid 2

Indien enige zeggenschap, verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een financiële onderneming als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, is uitgeoefend zonder dat een verklaring van geen bezwaar is verkregen of dat de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht zijn genomen, dan wel indien zonder de in artikel 3:103a, derde lid, bedoelde instemming is verkregen of de daaraan gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van de Nederlandsche Bank. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank binnen wier rechtsgebied de financiële onderneming haar zetel heeft, vernietigd indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend anders zou hebben geluid of niet zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend of de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken. De rechtbank regelt voorzover nodig de gevolgen van de vernietiging.

Lid 3

De Nederlandsche Bank kan degene die niet voldoet aan artikel 3:95, eerste lid, of artikel 3:103a, derde lid, door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om binnen een door de Nederlandsche Bank te stellen termijn ten aanzien van in de aanwijzingsbeschikking aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

Artikel 3:105

Lid 1

Van de door haar verleende verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, wordt door de Nederlandsche Bank aan de financiële onderneming waarin de gekwalificeerde deelneming wordt gehouden, verworven of vergroot mededeling gedaan. Indien de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar overeenkomstig artikel 3:95, tweede lid, tweede volzin, is ingediend bij de Autoriteit Financiële Markten, zendt de Nederlandsche Bank de verleende verklaring van geen bezwaar aan de Autoriteit Financiële Markten. De Autoriteit Financiële Markten deelt de verleende verklaring van geen bezwaar mede aan de betrokken financiële onderneming.

Lid 2

Van de afgifte van een verklaring van geen bezwaar wordt door de Nederlandsche Bank mededeling gedaan in de Staatscourant, tenzij de publicatie zou leiden of zou kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van belanghebbenden.

Lid 3

Onverminderd de artikelen 1:104, 1:105, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en 1:106a, kan de Nederlandsche Bank de verklaring van geen bezwaar geheel of gedeeltelijk intrekken:

  1. indien aan de houder een nieuwe verklaring van geen bezwaar wordt verleend die betrekking heeft of mede betrekking heeft op handelingen waarvoor de in te trekken verklaring van geen bezwaar was verleend;

  2. indien de houder van een verklaring van geen bezwaar niet de gedragslijn volgt die de Nederlandsche Bank op grond van artikel 1:75 aan die houder heeft voorgeschreven; of

  3. indien de aanvrager de verwerving of vergroting niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 1:106e, heeft voltooid.

Lid 4

Onverminderd de artikelen 1:104, 1:105, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en 1:106a, kan de Nederlandsche Bank aan een verklaring van geen bezwaar nadere beperkingen stellen dan wel daaraan nadere voorschriften verbinden of de verklaring van geen bezwaar intrekken indien zich met betrekking tot de handeling waarvoor de verklaring van geen bezwaar is verleend omstandigheden voordoen of feiten bekend worden die, indien zij zich ten tijde van de verlening van de verklaring van geen bezwaar zouden hebben voorgedaan of bekend zouden zijn geweest, aanleiding zouden hebben gegeven tot het stellen van deze beperkingen, het verbinden van deze voorschriften of het niet verlenen van de verklaring van geen bezwaar.

Lid 5

De Nederlandsche Bank of de Europese Centrale Bank deelt de wijziging of de intrekking van een verklaring van geen bezwaar mede aan de betrokken financiële onderneming.

Lid 6

Van de wijziging of de intrekking van een verklaring van geen bezwaar wordt door de Nederlandsche Bank mededeling gedaan in de Staatscourant, tenzij de publicatie zou leiden of zou kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van belanghebbenden.

Lid 7

Indien een verklaring van geen bezwaar is verleend voor een gekwalificeerde deelneming in een bank, niet zijnde de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 3:4, stelt de Nederlandsche Bank in afwijking van het derde en vierde lid geen besluit als bedoeld in het derde en vierde lid, maar een ontwerpbesluit op van die strekking.

Lid 8

Het eerste lid, eerste volzin, en tweede tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit tot instemming als bedoeld in artikel 3:103a, derde lid, met dien verstande dat voor «verklaring van geen bezwaar» steeds wordt gelezen «besluit tot instemming».

Artikel 3:106

Lid 1

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot houders van een verklaring van geen bezwaar waarvan ten minste een dochtermaatschappij een beleggingsonderneming is die een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 heeft, om te voorkomen dat de handeling waarvoor de verklaring van geen bezwaar is verleend, zou kunnen leiden of zou leiden tot een invloed op de beleggingsonderneming die in strijd is met de financiële soliditeit van die beleggingsonderneming.

Lid 2

De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend betrekking hebben op financiële waarborgen, op te verstrekken gegevens en inlichtingen alsmede op de vorm waarin die gegevens en inlichtingen worden verstrekt.

Lid 3

De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing van het eerste lid indien de houder van de verklaring van geen bezwaar aantoont dat aan die regels redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze regels beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 3:107

De Nederlandsche Bank deelt Onze Minister eens per jaar de gegevens mede waarover zij ingevolge artikel 3:103, eerste en tweede lid, beschikt.

Artikel 3:108

De artikelen 3:95 en 3:103 zijn niet van toepassing ten aanzien van gekwalificeerde deelnemingen die beleggingsondernemingen of banken houden als gevolg van het verlenen van een beleggingsdienst als bedoeld in onderdeel e en f van de definitie van het verlenen van een beleggingsdienst, indien de hieruit voortvloeiende stemrechten niet worden uitgeoefend of anderszins gebruikt worden om zeggenschap uit te oefenen in de uitgevende instelling en de betreffende gekwalificeerde deelneming binnen een jaar na verwerving wordt overgedragen.

Artikel 3:108a

Vervallen

Artikel 3:109

De artikelen 3:96, 3:99, 3:101, 3:102, eerste en derde lid, 3:104, eerste lid, 3:105, tweede, derde, vierde lid en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van banken met zetel in een staat die geen lidstaat is die een vergunning als bedoeld in artikel 2:20 hebben.