Hoofdstuk 1.4. Toezicht en handhaving

Artikel 1:72

Lid 1

Met het toezicht op de naleving van de bij en krachtens deze wet gestelde regels zijn belast de bij besluit van de toezichthouder aangewezen personen.

Lid 2

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 1:73

Lid 1

De personen, bedoeld in artikel 1:72, eerste lid, beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

Lid 2

Voorzover de door de Autoriteit Financiële Markten op grond van artikel 1:72 aangewezen personen voor het uitoefenen van het gedragstoezicht ten aanzien van financiële ondernemingen waaraan de Nederlandsche Bank een vergunning heeft verleend, gegevens nodig hebben over aspecten van de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel a of b, maken deze personen geen gebruik van hun bevoegdheden op grond van de artikelen 5:15, 5:16 of 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, dan nadat de Nederlandsche Bank is verzocht deze gegevens te verstrekken en is gebleken dat de Nederlandsche Bank niet aan dit verzoek tegemoet kan komen.

Lid 3

Voorzover de door de Nederlandsche Bank op grond van artikel 1:72 aangewezen personen voor het uitoefenen van het prudentieel toezicht ten aanzien van financiële ondernemingen waaraan de Autoriteit Financiële Markten een vergunning heeft verleend, gegevens nodig hebben over aspecten van de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 4:14, tweede lid, onderdeel a of b, maken de door de Nederlandsche Bank op grond van artikel 1:72 aangewezen personen geen gebruik van hun bevoegdheden op grond van de artikelen 5:15, 5:16 of 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, dan nadat de Autoriteit Financiële Markten is verzocht deze gegevens te verstrekken en is gebleken dat de Autoriteit Financiële Markten niet aan dit verzoek tegemoet kan komen.

Lid 4

Van het tweede en derde lid kan, na overleg met de andere toezichthouder, worden afgeweken indien sprake is van een redelijk vermoeden van een overtreding van het bij of krachtens deze wet gestelde en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 1:74

Lid 1

De toezichthouder kan ten behoeve van de uitoefening van een taak ingevolge deze wet van een ieder inlichtingen vorderen.

Lid 2

De artikelen 5:13 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Lid 3

De toezichthouder is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen.

Lid 4

Voorzover de Autoriteit Financiële Markten voor het uitoefenen van het gedragstoezicht ten aanzien van financiële ondernemingen waaraan de Nederlandsche Bank een vergunning heeft verleend, gegevens nodig heeft over aspecten van de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel a en b, vordert de Autoriteit Financiële Markten geen inlichtingen, dan nadat de Nederlandsche Bank is verzocht deze gegevens te verstrekken en is gebleken dat de Nederlandsche Bank niet aan dit verzoek tegemoet kan komen.

Lid 5

Voorzover de Nederlandsche Bank voor het uitoefenen van het prudentieel toezicht ten aanzien van financiële ondernemingen waaraan de Autoriteit Financiële Markten een vergunning heeft verleend, gegevens nodig heeft over aspecten van de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 4:14, tweede lid, onderdeel a of b,vordert de Nederlandsche Bank geen inlichtingen, dan nadat de Autoriteit Financiële Markten is verzocht deze gegevens te verstrekken en is gebleken dat de Autoriteit Financiële Markten niet aan dit verzoek tegemoet kan komen.

Lid 6

Van het vierde of vijfde lid kan, na overleg met de andere toezichthouder, worden afgeweken indien sprake is van een redelijk vermoeden van een overtreding van de regels bij of krachtens deze wet gesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 1:75

Lid 1

De toezichthouder of de Europese Centrale Bank, indien deze bevoegd is toezicht uit te oefenen op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, kan een persoon die niet voldoet aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om binnen een door de toezichthouder, onderscheidenlijk de Europese Centrale Bank, gestelde redelijke termijn ten aanzien van in de aanwijzingsbeschikking aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

Lid 2

De Nederlandsche Bank of de Europese Centrale Bank, indien deze bevoegd is toezicht uit te oefenen op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, kan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid eveneens aan een financiële onderneming geven indien zij tekenen ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de solvabiliteit of de liquiditeit, onderscheidenlijk de technische voorzieningen, van die financiële onderneming in gevaar kan brengen.

Lid 3

Een op grond van het eerste of tweede lid aan een persoon gegeven aanwijzing strekt niet tot aantasting van overeenkomsten tussen die persoon en derden.

Lid 4

Het derde lid is niet van toepassing op overeenkomsten tussen een financiële onderneming of een aan het hoofd van een groep als bedoeld in artikel 1:114 staande groepsmaatschappij en een onder haar verantwoordelijkheid werkzame natuurlijk persoon, voor zover de aanwijzing betrekking heeft op Hoofdstuk 1.7.

Artikel 1:75a

Lid 1

De toezichthouder of, al naar gelang de bevoegdheidsverdeling op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht de Europese Centrale Bank, kan bij overtreding door een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2, of overeenkomstig artikel 30 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen door een EU-moederonderneming, van voorschriften gesteld bij of krachtens:

  1. de artikelen 2:11, 2:15, 2:20, 2:25, 2:26, 2:96, 2:108, 2:110, 2:112, 2:114;

  2. het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen, het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen of de verordening kapitaalvereisten; of

  3. de artikelen 3 tot en met 7, 14 tot en met 17 en 24, 25 en 26 van de verordening markten voor financiële instrumenten;

de volgende maatregelen treffen ten aanzien van die bank of beleggingsonderneming:

  1. vereisen dat een of meer van de in het in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, onder 4°, bedoelde herstelplan vastgelegde regelingen of maatregelen worden uitgevoerd, of dat het herstelplan bijgewerkt wordt omdat de omstandigheden anders zijn dan bij vaststelling van het herstelplan, waarna regelingen of maatregelen uit het bijgewerkte herstelplan worden uitgevoerd;

  2. voorschrijven dat de overtreding onderzocht wordt, maatregelen worden aangegeven om de overtreding te stoppen, een actieprogramma wordt opgesteld inclusief een tijdspad voor de tenuitvoerlegging van het actieprogramma;

  3. voorschrijven dat bepaalde besluiten ter goedkeuring aan de algemene vergadering worden voorgelegd, of, indien daaraan niet binnen de gestelde termijn wordt voldaan, deze zelf daartoe bijeenroepen;

  4. vereisen dat een of meer leden van het bestuur, de raad van commissarissen of van het hoger management uit hun functie worden ontheven of worden vervangen indien deze personen op grond van artikel 3:8, 3:9, 3:15, 3:21 of 4:9.0a voor de uitvoering van hun taken ongeschikt worden geacht;

  5. voorschrijven dat een onderneming een plan opstelt voor het voeren van onderhandelingen met enkele of alle schuldeisers over de herstructurering van de schulden, al naar gelang van toepassing overeenkomstig het herstelplan;

  6. vereisen dat de bedrijfsstrategie van de onderneming wordt aangepast;

  7. vereisen dat de juridische of operationele structuur van de onderneming wordt gewijzigd; of

  8. vereisen dat alle informatie aangeleverd wordt, onder meer via inspecties ter plaatse, die noodzakelijk is om het afwikkelingsplan bij te werken en om de mogelijke afwikkeling van de onderneming en de waardering van de activa en passiva van de onderneming op grond van artikel 3A:17, vijfde lid, 3A:18, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 20 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, voor te bereiden.

Lid 2

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de overtreding in de nabije toekomst is wegens een snel verslechterende financiële toestand van de onderneming, te beoordelen met inachtneming van de voorwaarden, bedoeld in artikel 27 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

Lid 3

De Nederlandsche Bank kan, met inachtneming van artikel 1:89 en de voorwaarden in artikel 39, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen voorschrijven dat een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, indien er sprake is van een situatie bedoeld in het eerste of tweede lid, contact opneemt met potentiële verkrijgers om de afwikkeling voor te bereiden.

Lid 4

Indien er sprake is van een significante verslechtering van de financiële positie van een bank of beleggingsonderneming, bij ernstige overtredingen van wetten, reglementen of van de statuten van de bank of beleggingsonderneming of ernstige administratieve onregelmatigheden, en de maatregelen uit het eerste lid de verslechtering niet kunnen keren, kan de Nederlandsche Bank de afzetting van het volledige hoger management, het bestuur of de raad van commissarissen van de bank of beleggingsonderneming, dan wel van individuele leden daarvan eisen.

Lid 5

Voor elke maatregel, bedoeld in het eerste lid, stelt de Nederlandsche Bank een gepaste termijn vast waarbinnen de maatregel voltooid moet zijn.

Artikel 1:76

Lid 1

De toezichthouder kan besluiten een of meer personen te benoemen als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen of vertegenwoordigers van een financiële onderneming indien die financiële onderneming niet voldoet aan hetgeen ingevolge deze wet is bepaald.

Lid 2

Het besluit ingevolge het eerste lid wordt slechts genomen:

  1. nadat door de financiële onderneming niet of niet volledig binnen de gestelde termijn aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75, eerste lid, gevolg is gegeven; of

  2. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding een adequate functionering van de financiële onderneming ernstig in gevaar brengt en die financiële onderneming voorafgaand in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen over het voorgenomen besluit; of

  3. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding de belangen van consumenten of, indien het financiële instrumenten of verzekeringen betreft, de belangen van cliënten met uitzondering van professionele beleggers ernstig in gevaar brengt en die financiële onderneming voorafgaand in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen over het voorgenomen besluit.

Lid 3

Onverminderd het eerste en tweede lid kan de Nederlandsche Bank besluiten een of meer personen te benoemen als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen of vertegenwoordigers van een financiële onderneming indien zij bij die financiële onderneming tekenen ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de solvabiliteit of de liquiditeit, onderscheidenlijk de technische voorzieningen, van die financiële onderneming in gevaar kunnen brengen.

Lid 4

Het besluit ingevolge het derde lid wordt slechts genomen:

  1. nadat door de financiële onderneming niet of niet volledig binnen de gestelde termijn aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75, tweede lid, gevolg is gegeven; of

  2. indien onverwijld ingrijpen noodzakelijk is en de financiële onderneming voorafgaand in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen over het voorgenomen besluit.

Lid 5

Het benoemingsbesluit bevat onder meer een beschrijving van de belangen waardoor de curator zich dient te laten leiden. De toezichthouder benoemt de curator voor ten hoogste een jaar, met de mogelijkheid om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te verlengen; de verlenging wordt terstond van kracht. Met ingang van het tijdstip waarop het besluit tot benoeming van de curator aan de financiële onderneming is bekendgemaakt mogen de desbetreffende organen of vertegenwoordigers hun bevoegdheden slechts uitoefenen na goedkeuring door de curator en met inachtneming van de opdrachten van de curator.

Lid 6

De toezichthouder onderscheidenlijk de Europese Centrale Bank kan de curator verzoeken om tijdens of bij beëindiging van zijn werkzaamheden schriftelijk verslag te doen van zijn werkzaamheden en van de financiële positie van de financiële onderneming.

Lid 7

Tegen een besluit van een curator kan administratief beroep worden ingesteld bij de toezichthouder.

Lid 8

Na de benoeming van een curator:

  1. verlenen de organen en de vertegenwoordigers van de financiële onderneming de curator alle medewerking;

  2. kan de toezichthouder de betrokken organen of vertegenwoordigers van de financiële onderneming toestaan bepaalde rechtshandelingen zonder goedkeuring te verrichten;

  3. kan de toezichthouder te allen tijde de door hem aangewezen curator vervangen;

  4. is voor schade ten gevolge van handelingen, die zijn verricht in strijd met een besluit als bedoeld in het eerste of derde lid, elke persoon die deel uitmaakt van het orgaan van de financiële onderneming dat deze handelingen verrichtte, hoofdelijk aansprakelijk tegenover de financiële onderneming, tenzij het verrichten van deze handelingen niet aan hem is te verwijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden;

  5. zijn de handelingen, bedoeld in onderdeel d, voorzover deze rechtshandelingen zijn, vernietigbaar, indien de wederpartij wist of behoorde te weten dat de vereiste goedkeuring ontbrak.

Lid 9

Zodra de omstandigheid, bedoeld in het eerste of derde lid niet langer aanwezig is, trekt de toezichthouder het besluit tot benoeming van de curator in. De toezichthouder maakt het besluit tot intrekking onverwijld bekend aan de financiële onderneming.

Lid 10

Het eerste, tweede en vijfde tot en met negende lid zijn van overeenkomstige toepassing op een ieder die in of vanuit Nederland bedrijfsmatig opvorderbare gelden van het publiek aantrekt, ter beschikking verkrijgt of ter beschikking heeft.

Artikel 1:76a

Lid 1

De toezichthouder of, al naar gelang de bevoegdheidsverdeling op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, de Europese Centrale Bank kan bij een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2, of overeenkomstig artikel 30 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bij een EU-moederonderneming een of meer tijdelijk bewindvoerders benoemen om het bestuur van de onderneming of leden daarvan tijdelijk te vervangen, dan wel tijdelijk met het bestuur van de onderneming samen te werken, indien zij van oordeel is dat de maatregel bedoeld in artikel 1:75a, vierde lid, niet volstaat. De tijdelijk bewindvoerder beschikt over de vereiste kwalificaties, vaardigheden en kennis om zijn of haar functies uit te oefenen.

Lid 2

Bij het besluit tot benoeming van een tijdelijk bewindvoerder wordt, met inachtneming van artikel 29, tweede, derde en vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, bepaald welke rol, taken en bevoegdheden aan de tijdelijk bewindvoerder worden toegekend en aan welke regels aangaande het raadplegen van de tijdelijk bewindvoerder of het verkrijgen van diens goedkeuring het bestuur van de instelling zich dient te houden alvorens bepaalde besluiten of maatregelen te nemen.

Lid 3

De toezichthouder, onderscheidenlijk de Europese Centrale Bank, kan de tijdelijk bewindvoerder op elk moment uit zijn functie ontheffen of de aanstellingsvoorwaarden bedoeld in het tweede lid wijzigen met inachtneming van artikel 29 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

Lid 4

De toezichthouder, onderscheidenlijk de Europese Centrale Bank, maakt het besluit tot benoeming van een tijdelijk bewindvoerder openbaar.

Lid 5

De toezichthouder, onderscheidenlijk de Europese Centrale Bank, benoemt de tijdelijk bewindvoerder voor ten hoogste een jaar. De termijn kan in uitzonderlijke situaties verlengd worden indien de voorwaarden voor het aanstellen van de tijdelijk bewindvoerder nog steeds gelden.

Lid 6

Artikel 1:76, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1:76aa

Lid 1

De Nederlandsche Bank kan bij een premiepensioeninstelling een of meer bijzondere bewindvoerders benoemen om het bestuur van de onderneming geheel of gedeeltelijk te vervangen, indien:

  1. een aanwijzing op grond van artikel 1:75 niet volstaat;

  2. de toepassing van artikel 1:76 niet toereikend is; en

  3. zij dat noodzakelijk acht ter bescherming van de belangen van de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van een pensioenregeling.

Lid 2

Bij het besluit tot benoeming van een bijzondere bewindvoerder wordt bepaald welke rol, taken en bevoegdheden aan de bijzondere bewindvoerder worden toegekend.

Lid 3

De toezichthouder maakt het besluit tot benoeming van een bijzondere bewindvoerder openbaar.

Lid 4

Artikel 1:76, vijfde lid, tweede volzin, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1:76b

Lid 1

Een ten aanzien van een in artikel 3A:2 bedoelde entiteit getroffen maatregel als bedoeld in de artikelen 1:75, eerste lid, met betrekking tot een in artikel 3:17 bedoeld herstelplan, 1:75a, 1:76 of 1:76a, of een gebeurtenis die daarmee rechtstreeks verband houdt, is voor de toepassing van een overeenkomst waarbij die entiteit partij is, indien deze voortgaat met zowel de voldoening aan de verplichtingen die voortvloeien uit de bedingen in de overeenkomst die de kern van de prestaties weergeven, als het verschaffen van zekerheden, geen:

  1. afdwingingsgrond als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel l, van de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten;

  2. grond voor uitoefening van een recht op beëindiging, opschorting, wijziging, saldering of verrekening;

  3. grond voor verwerving van het bezit van, uitoefening van de zeggenschap over of uitoefening of vestiging van een zekerheidsrecht op een goed in eigendom van de entiteit; of

  4. grond voor afbreuk aan de rechten van de entiteit uit de overeenkomst.

Lid 2

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een overeenkomst die is aangegaan door een entiteit in de groep waarvan de entiteit als bedoeld in het eerste lid deel uitmaakt en die kruiselingse tekortkomingsbepalingen bevat.

Lid 3

Het eerste lid, onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing op een overeenkomst die is aangegaan door een dochteronderneming van de entiteit als bedoeld in het eerste lid en die verplichtingen omvat die door een andere entiteit in de groep waarvan de entiteit als bedoeld in het eerste lid deel uitmaakt, zijn gegarandeerd of anderszins worden gewaarborgd.

Lid 4

Een maatregel of een gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid laat onverlet:

  1. een overboekingsopdracht die is gegeven aan een systeem of systeemexploitant als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel q, van de Faillissementswet, een centrale tegenpartij of centrale bank;

  2. een aan een systeem of systeemexploitant als bedoeld in onderdeel a gegeven opdracht tot verrekening, of een uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren; of

  3. rechten en verplichtingen die voor de entiteit zijn ontstaan in verband met zijn deelname aan het systeem.

Lid 5

Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op een besluit tot toepassing van een crisispreventiemaatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 101, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen door een toezichthoudende instantie van een lidstaat.

Lid 6

Dit artikel is een bepaling van bijzonder dwingend recht als bedoeld in artikel 9 van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (PbEU 2008, L 177).

Artikel 1:76ba

Lid 1

Een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen a tot en met f, neemt in een financiële overeenkomst waarop het recht van een staat die geen lidstaat is van toepassing is, een bepaling op waarbij de wederpartij ermee instemt dat artikel 1:76b van toepassing is boven het recht dat van toepassing is op de overeenkomst.

Lid 2

De Nederlandsche Bank kan eisen dat een EU-moederonderneming met zetel in Nederland binnen een door de Nederlandsche Bank gestelde redelijke termijn ervoor zorgt dat een of meer van haar dochterondernemingen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 16, van de verordening kapitaalvereisten met zetel in een staat die geen lidstaat is en die een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling zijn, of die beleggingsondernemingen zouden zijn indien zij hun zetel in Nederland hadden gehad, de in het eerste lid bedoelde bepaling opnemen in door hen gesloten financiële overeenkomsten. De EU-moederonderneming behoeft niet aan de eis te voldoen indien zij aantoont dat zij daartoe rechtens of feitelijk niet in staat is.

Lid 3

Het eerste lid en tweede lid zijn niet van toepassing op financiële overeenkomsten die zijn aangegaan voor de inwerkingtreding van dit artikel, tenzij na de inwerkingtreding van dit artikel in een financiële overeenkomst een nieuwe verbintenis wordt gecreëerd of een daarin opgenomen verbintenis wezenlijk wordt gewijzigd.

Artikel 1:76c

Indien een systeemexploitant als bedoeld in artikel 212a, onderdeel q, van de Faillissementswet een goed overdraagt met de bedoeling een vorm van zekerheid te verschaffen aan een andere systeemexploitant in verband met een interoperabel systeem en op deze overdracht artikel 84, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is, worden de in verband met die zekerheid bestaande rechten van de systeemexploitant die de zekerheid verstrekte, niet aangetast door insolventieprocedures ten aanzien van de systeemexploitant aan wie de zekerheid werd verstrekt.

Artikel 1:76d

Lid 1

De Autoriteit Financiële Markten kan aan een beleggingsonderneming die niet voldoet aan het ingevolge deze wet bepaalde ten aanzien van beleggingsondernemingen, tijdelijk de bevoegdheid ontzeggen om deelnemer of lid te zijn van een handelsplatform.

Lid 2

Een ontzegging als bedoeld in het eerste lid kan worden opgelegd voor de duur van ten hoogste een jaar en kan eenmaal met ten hoogste een jaar worden verlengd.

Artikel 1:77

Lid 1

Indien een financiële onderneming van de toezichthouder of de Europese Centrale Bank een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75 heeft gekregen met betrekking tot de bedrijfsvoering of haar financiële positie, en die financiële onderneming hieraan niet of onvoldoende gevolg heeft gegeven, kan de toezichthouder dan wel de Europese Centrale Bank besluiten niet langer toe te staan dat die financiële onderneming vanuit het bijkantoor of de vestiging of door middel van het verrichten van diensten haar bedrijf uitoefent of financiële diensten verleent in de andere staat. De toezichthouder of de Europese Centrale Bank doet mededeling van dit besluit aan de toezichthoudende instantie van de betrokken staat. Vanaf het tijdstip van deze mededeling is het de financiële onderneming verboden nog langer vanuit het bijkantoor of de vestiging of door middel van het verrichten van diensten haar bedrijf uit te oefenen of diensten te verlenen in de andere staat.

Lid 2

Indien een verzekeraar een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75 heeft gekregen met betrekking tot de geschiktheid of betrouwbaarheid van de vertegenwoordiger van de verzekeraar of van een persoon die het dagelijks beleid van die verzekeraar bepaalt, en de verzekeraar hieraan niet of onvoldoende gevolg heeft gegeven, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1:77a

De Autoriteit Financiële Markten kan de beheerder van een beleggingsinstelling of de beheerder van een icbe door middel van een aanwijzing verplichten om in het algemeen belang of in het belang van de deelnemers de inschrijving, inkoop of terugbetaling van rechten van deelneming op te schorten.

Artikel 1:77b

Lid 1

De Autoriteit Financiële Markten kan ter uitvoering van een daartoe strekkend verzoek van de Europese Autoriteit voor effecten en markten overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) Nr. 1095/1020 het aanbieden van deelnemingsrechten in de hierna bedoelde beleggingsinstellingen in een lidstaat tijdelijk verbieden:

  1. beleggingsinstellingen die worden beheerd door een beheerder van een beleggingsinstelling waarvan Nederland referentielidstaat in de zin van artikel 2:69a is;

  2. niet-Europese beleggingsinstellingen die worden beheerd door een beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in Nederland die geen vergunning als bedoeld in artikel 37 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen heeft of aan wie het niet anderszins is toegestaan om in een andere lidstaat actief te zijn.

Lid 2

De Autoriteit Financiële Markten kan ter uitvoering van een daartoe strekkend verzoek van de Europese Autoriteit voor effecten en markten overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) Nr. 1095/1020 aan een beheerder van een beleggingsinstelling waarvan Nederland referentielidstaat in de zin van artikel 2:69a is, tijdelijk beperkingen opleggen met betrekking tot het beheer van een beleggingsinstelling.

Artikel 1:77c

De toezichthouder kan, overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 17 van de verordening essentiële-informatiedocumenten, in de gevallen, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, een verbod of beperking opleggen met betrekking tot:

  1. het aanbieden van of bemiddelen in verzekeringen met een beleggingscomponent; of

  2. het verlenen van andere financiële diensten door een verzekeraar.

Artikel 1:77d

Lid 1

De Autoriteit Financiële Markten kan degene die een handelsplatform exploiteert of een beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om de handel in een financieel instrument op te schorten of te onderbreken, indien dit noodzakelijk is voor de bescherming van de belangen van de beleggers in dit financieel instrument of de ordelijke handel daarin.

Lid 2

De Autoriteit Financiële Markten verplicht degene die een handelsplatform exploiteert of een beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling door middel van het geven van een aanwijzing om de handel in een financieel instrument op te schorten of te onderbreken, indien:

  1. de handel in dat financieel instrument op een ander handelsplatform is opgeschort overeenkomstig artikel 4:91c, eerste lid, of artikel 5:32g, eerste lid, als gevolg van vermoedelijke overtreding van de verordening marktmisbruik of van een overnamebod, tenzij dit de bescherming van de belangen van de beleggers in dit financieel instrument of het ordelijk verloop van de handel daarin aanzienlijk zou kunnen schaden;

  2. zij door toezichthoudende instanties van een andere lidstaat in kennis wordt gesteld van een besluit tot opschorting of onderbreking van de handel in dat financieel instrument op een handelsplatform of door een beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling in die lidstaat als gevolg van een vermoedelijke overtreding van de verordening marktmisbruik of van een overnamebod, tenzij dit de bescherming van de belangen van de beleggers in dit financieel instrument of het ordelijk verloop van de handel daarin aanzienlijk zou kunnen schaden.

Lid 3

Indien de Autoriteit Financiële Markten op grond van het eerste of tweede lid een aanwijzing geeft tot het opschorten of onderbreken van de handel in een financieel instrument doet zij hetzelfde voor afgeleide financiële instrumenten als bedoeld in de onderdelen d tot en met j van de definitie van financieel instrument in artikel 1:1 die verband houden met dat financieel instrument of daarnaar verwijzen, indien dit noodzakelijk is ter ondersteuning van de doelstellingen van de opschorting of onderbreking van de handel in het onderliggende financieel instrument.

Lid 4

In afwijking van artikel 1:97 maakt de Autoriteit Financiële Markten een besluit als bedoeld in het eerste lid onverwijld openbaar en stelt de toezichthoudende instanties van de overige lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 1:77e

Lid 1

De Autoriteit Financiële Markten kan de Rechtbank Rotterdam verzoeken om een financieel instrument uit te sluiten van de handel op een handelsplatform of door een beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling nadat zij met betrekking tot dat financieel instrument een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:77d, eerste of tweede lid, heeft gegeven.

Lid 2

De Autoriteit Financiële Markten maakt de beslissing van de Rechtbank Rotterdam onverwijld openbaar en stelt de toezichthoudende instanties van de overige lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 1:77f

De toezichthouder kan, overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 42 van de verordening markten voor financiële instrumenten, indien is voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid, eerste volzin, van dat artikel, een verbod of beperking opleggen om:

  1. een financieel instrument of een gestructureerde deposito als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 43, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 op de markt te brengen, te verspreiden of te verkopen; of

  2. een andere beleggingsdienst te verlenen, een andere beleggingsactiviteit te verrichten of diensten te verlenen ten aanzien van gestructureerde deposito’s.

Artikel 1:77g

De Autoriteit Financiële Markten kan, overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 32, eerste lid, onderdelen d en f, van de prospectusverordening, een aanbieding van effecten aan het publiek of een toelating tot de handel op de gereglementeerde markt:

  1. telkens voor tien opeenvolgende werkdagen opschorten, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er inbreuk is gepleegd op de prospectusverordening;

  2. verbieden indien er een inbreuk is gepleegd op de prospectusverordening, of indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er inbreuk op gepleegd zou kunnen worden.

Artikel 1:77h

De Autoriteit Financiële Markten kan, overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 32, eerste lid, onderdelen g, h en m, van de prospectusverordening:

  1. de handel op een handelsplatform voor ten hoogste tien opeenvolgende werkdagen opschorten of degene die een handelsplatform exploiteert door middel van het geven van een aanwijzing verplichten de handel in een financieel instrument voor ten hoogste tien opeenvolgende werkdagen op te schorten, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er inbreuk is gepleegd op de prospectusverordening;

  2. de handel op een handelsplatform verbieden, indien er sprake is van inbreuk op de prospectusverordening;

  3. de handel in effecten opschorten of degene die de betrokken handelsplatform exploiteert door middel van het geven van een aanwijzing verplichten dit te doen, indien zij van oordeel is dat de uitgevende instelling in een zodanige situatie verkeert dat de voortzetting van de handel de belangen van de beleggers zou schaden.

Artikel 1:77i

De Autoriteit Financiële Markten kan, overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 32, eerste lid, onderdeel e, van de prospectusverordening, het maken van reclame verbieden of opschorten of de uitgevende instelling, de aanbieder, aanvrager van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt of tussenpersoon door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om het maken van reclame te verbieden of telkens voor ten hoogste tien opeenvolgende werkdagen op te schorten, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er inbreuk is gepleegd op de prospectusverordening.

Artikel 1:77j

De Autoriteit Financiële Markten kan, overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 32, eerste lid, onderdeel j, van de prospectusverordening, de controle van een ter goedkeuring voorgelegd prospectus schorsen.

Artikel 1:77k

De Autoriteit Financiële Markten kan, overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 32, eerste lid, onderdeel k, van de prospectusverordening, voor ten hoogste vijf jaar de goedkeuring van een prospectus dat door een uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt is opgesteld weigeren, indien die uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van een toelating tot de handel op een gereglementeerde markt herhaaldelijk en ernstig inbreuk heeft gepleegd op de prospectusverordening.

Artikel 1:77l

De Autoriteit Financiële Markten kan, overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 32, eerste lid, onderdeel l, van de prospectusverordening, overgaan tot de openbaarmaking van alle essentiële informatie die van invloed kan zijn op de beoordeling van effecten die aan het publiek worden aangeboden of die tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, dan wel de uitgevende instelling door middel van het geven van een aanwijzing ertoe verplichten hiertoe over te gaan teneinde de bescherming van de beleggers of de goede werking van de markt te garanderen.

Artikel 1:77m

Lid 1

De toezichthouder kan met inachtneming van artikel 30, tweede lid, van de verordening crowdfundingdienstverleners voor bedrijven:

  1. een crowdfundingaanbod telkens voor maximaal tien opeenvolgende werkdagen schorsen indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat er inbreuk op de verordening crowdfundingdienstverleners voor bedrijven is gepleegd;

  2. publicitaire mededelingen verbieden of schorsen, dan wel door middel van het geven van een aanwijzing een crowdfundingdienstverlener of derde die is aangewezen om functies te vervullen in verband met de verlening van crowdfundingdiensten, verplichten publicitaire mededelingen te staken of telkens voor maximaal tien opeenvolgende werkdagen te schorsen, indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat er inbreuk op de verordening crowdfundingdienstverleners voor bedrijven is gepleegd;

  3. een crowdfundingaanbod verbieden indien inbreuk op de verordening crowdfundingdienstverleners voor bedrijven is gepleegd of indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat inbreuk op die verordening zou kunnen worden gepleegd;

  4. het verlenen van crowdfundingdiensten telkens voor maximaal tien opeenvolgende werkdagen schorsen of door middel van het geven van een aanwijzing crowdfundingdienstverleners hiertoe te verplichten, indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat er inbreuk op de verordening crowdfundingdienstverleners voor bedrijven is gepleegd;

  5. het verlenen van crowdfundingdiensten verbieden indien inbreuk op de verordening crowdfundingdienstverleners voor bedrijven is gepleegd;

  6. openbaar maken dat een crowdfundingdienstverlener of een derde die is aangewezen om functies te vervullen in verband met de verlening van crowdfundingdiensten, zijn verplichtingen niet nakomt;

  7. alle essentiële informatie die van invloed kan zijn op de verlening van crowdfundingdiensten openbaar maken, dan wel door middel van het geven van een aanwijzing de crowdfundingdienstverlener of een derde die is aangewezen om functies te vervullen in verband met de verlening van crowdfundingdiensten hiertoe verplichten, teneinde de beleggersbescherming of de goede marktwerking te garanderen;

  8. het verlenen van crowdfundingdiensten schorsen dan wel door middel van het geven van een aanwijzing de crowdfundingdienstverlener of een derde die is aangewezen om functies te vervullen in verband met de verlening van crowdfundingdiensten hiertoe te verplichten, indien de crowdfundingdienstverlener in een zodanige situatie verkeert dat de crowdfundingdienstverlener de belangen van de beleggers zou schaden;

  9. bestaande overeenkomsten aan een andere crowdfundingdienstverlener overdragen ingeval de vergunning van een crowdfundingdienstverlener overeenkomstig artikel 17, eerste lid, onderdeel c, van de verordening crowdfundingdienstverleners voor bedrijven wordt ingetrokken en indien de cliënten en de ontvangende crowdfundingdienstverlener daarmee instemmen.

Lid 2

Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:

  1. crowdfundingaanbod: een crowdfundingaanbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, van de verordening crowdfundingdienstverleners voor bedrijven;

  2. crowdfundingdienst: een crowdfundingdienst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a van de verordening crowdfundingdienstverleners voor bedrijven;

  3. crowdfundingdienstverlener: een crowdfundingdienstverlener als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de verordening crowdfundingdienstverleners voor bedrijven.

Artikel 1:77n

De toezichthouder kan met inachtneming van artikel 94, eerste en derde lid, en artikel 111, vijfde lid, van de verordening cryptoactiva:

  1. het aanbieden van cryptoactivadiensten verbieden;

  2. het aanbieden van cryptoactiva aan het publiek verbieden;

  3. een toelating tot de handel in cryptoactiva verbieden;

  4. de handel op een cryptoactivahandelsplatform verbieden;

  5. het maken van reclame verbieden;

  6. het aanbieden van cryptoactiva aan het publiek of een toelating tot de handel in cryptoactiva opschorten;

  7. het aanbieden van cryptoactivadiensten opschorten of een aanbieder van cryptoactivadiensten daartoe te verplichten;

  8. de handel in cryptoactiva op een cryptoactivahandelsplatform opschorten of een aanbieder van cryptoactivadiensten die een cryptoactivahandelsplatform exploiteert daartoe te verplichten;

  9. de handel in cryptoactiva opschorten of de aanbieder van cryptoactivadiensten die een cryptoactivahandelsplatform exploiteert daartoe te verplichten;

  10. het maken van reclame opschorten, of een aanbieder, uitgever van activagerelateerde of e-money tokens, persoon die verzoekt om toelating tot de handel van cryptoactiva, of een aanbieder van cryptoactivadiensten verplichten het maken van reclame te staken of op te schorten;

  11. een persoon die zonder vergunning cryptoactivadiensten aanbiedt verplichten tot de onmiddellijke staking daarvan, zonder voorafgaande waarschuwing of zonder dat een termijn wordt opgelegd;

  12. een persoon die zonder vergunning activagerelateerde tokens of e-moneytokens uitgeeft of andere cryptoactiva aanbiedt of om toelating tot de handel daarvan verzoekt zonder dat hij overeenkomstig artikel 8 van de verordening cryptoactiva een cryptoactivawitboek heeft kennisgegeven, verplichten tot de onmiddellijke staking daarvan zonder voorafgaande waarschuwing of zonder dat een termijn wordt opgelegd;

  13. overgaan tot de openbaarmaking van alle essentiële informatie die gevolgen kan hebben voor het aanbieden van cryptoactivadiensten, of voor de beoordeling van de cryptoactiva die aan het publiek worden aangeboden of tot de handel zijn toegelaten, of de aanbieder van cryptoactivadiensten, aanbieder van cryptoactiva, persoon die verzoekt om toelating tot de handel of uitgever van een activagerelateerde token of e-moneytoken daartoe te verplichten;

  14. verplichten tot de overdracht van bestaande overeenkomsten aan een andere aanbieder van cryptoactivadiensten;

  15. een aanbieder van cryptoactiva, persoon die verzoekt om toelating tot de handel van andere cryptoactiva dan activagerelateerde tokens en e-moneytokens, of een uitgever van activagerelateerde tokens of e-moneytokens verplichten tot:

    1. het wijzigen van hun cryptoactivawitboek of hun reclame-uitingen;

    2. het opnemen van aanvullende informatie in hun cryptoactivawitboek;

  16. de uitgever van een activagerelateerde token of een e-moneytoken verplichten tot het overeenkomstig artikel 23,vierde lid, artikel 24, derde lid, of artikel 58, derde lid, van de verordening cryptoactiva, invoeren van een minimumdenominatiewaarde of het beperken van het uitgegeven bedrag;

  17. openbaar maken dat een aanbieder van cryptoactivadiensten, een aanbieder van cryptoactiva, een persoon die verzoekt om toelating tot de handel in een cryptoactivum of een uitgever van een activagerelateerde token of e-moneytoken zijn verplichtingen uit hoofde van de verordening cryptoactiva niet nakomt;

  18. alle noodzakelijke maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het publiek juist wordt geïnformeerd, onder meer door onjuiste of misleidende openbaar gemaakte informatie te rectificeren of een aanbieder, een persoon die verzoekt om toelating tot de handel, een uitgever of een andere persoon die onjuiste of misleidende informatie heeft gepubliceerd of verspreid verplichten dit te doen;

  19. het leidinggevende orgaan van een aanbieder van cryptoactivadiensten of andere natuurlijke personen die voor een inbreuk, als bedoeld in de artikelen 88 tot en met 92 van de verordening, aansprakelijk worden gesteld, een tijdelijk verbod opleggen om voor eigen rekening te handelen;

  20. personen verzoeken om maatregelen te nemen om de omvang van hun positie of blootstelling aan cryptoactiva te verkleinen;

  21. alle noodzakelijke maatregelen nemen om:

    1. inhoud te verwijderen van een online interface of de toegang ertoe beperken, of de duidelijke weergave van een waarschuwing aan cliënten en cryptoactivahouders op te dragen wanneer zij zich toegang tot de online interface verschaffen;

    2. een aanbieder van hostingdiensten op te dragen de toegang tot een online interface te deactiveren, te blokkeren of te beperken; of

    3. domeinregisters of registrerende instanties op te dragen een volledig gekwalificeerde domeinnaam te schrappen en deze door de betrokken bevoegde instantie te laten opnemen in een register.

Artikel 1:77o

De toezichthouder kan met inachtneming van de artikelen 45, eerste lid, onderdelen h tot en met n, en 49, vierde lid, onderdeel c, van de verordening Europese groene obligaties:

  1. een aanbieding of de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt van Europese groene obligaties voor maximaal tien opeenvolgende werkdagen schorsen;

  2. een aanbieding of toelating tot de handel op een gereglementeerde markt van Europese groene obligaties verbieden;

  3. reclame-uitingen maximaal tien opeenvolgende werkdagen schorsen of verplichten reclame-uitingen telkens voor maximaal tien opeenvolgende werkdagen te schorsen;

  4. reclame-uitingen verbieden of verplichten reclame-uitingen te staken; en

  5. het uitgeven van Europese groene obligaties gedurende een periode van maximaal één jaar verbieden.

Artikel 1:77p

De Autoriteit Financiële Markten kan een kredietservicer of een kredietservicingaanbieder met zetel in Nederland die niet voldoet aan het ingevolge deze wet bepaalde ten aanzien kredietservicers of kredietservicingaanbieders verbieden kredietservicingactiviteiten te verrichten.

Artikel 1:78

Lid 1

Indien een accountant of actuaris niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze zijn taak met betrekking tot de financiële onderneming naar behoren zal kunnen vervullen, kan de toezichthouder ten aanzien van deze accountant of actuaris bepalen dat hij niet langer bevoegd is de in deze wet bedoelde verklaringen met betrekking tot die financiële onderneming af te leggen.

Lid 2

De toezichthouder maakt het besluit, bedoeld in het eerste lid, bekend aan de financiële onderneming.

Artikel 1:79

Lid 1

De toezichthouder kan een last onder dwangsom opleggen terzake van een overtreding van:

  1. voorschriften, gesteld ingevolge de in de bijlage bij dit artikel genoemde artikelen;

  2. voorschriften met betrekking tot het toezicht op financiële markten of op die markten werkzame personen, gesteld ingevolge een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verordening als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

  3. de verordening ratingbureaus.

Lid 2

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 1:80

De toezichthouder kan een bestuurlijke boete opleggen terzake van overtreding van:

  1. voorschriften, gesteld ingevolge de in de bijlage bij dit artikel genoemde artikelen;

  2. voorschriften met betrekking tot het toezicht op financiële markten of op die markten werkzame personen, gesteld ingevolge een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verordening als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

  3. de verordening ratingbureaus; en

  4. artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 1:80a

De toezichthouder kan aan de houder van een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van bank als bedoeld in artikel 2:11, van een vergunning voor het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2:99, of van een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van centrale effectenbewaarinstelling in de zin van de verordening centrale effectenbewaarinstellingen, een boete opleggen van de derde categorie, bedoeld in artikel 1:81, tweede lid, indien de vergunninghouder bij de aanvraag van de vergunning:

  1. onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, en kennis omtrent de juiste en volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; of

  2. omstandigheden of feiten heeft verzwegen op grond waarvan, zo zij voor het tijdstip waarop de vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest, de vergunning zou zijn geweigerd.

Artikel 1:81

Lid 1

Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald bij algemene maatregel van bestuur, met dien verstande dat de bestuurlijke boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 20 000 000, of, in gevallen bedoeld in het vierde lid, ten hoogste € 40 000 000 bedraagt.

Lid 2

De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het maximale bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke boete. De overtredingen worden gerangschikt in categorieën naar zwaarte van de overtreding met de daarbij behorende basisbedragen, minimumbedragen en maximumbedragen. Daarbij wordt de volgende indeling gebruikt.

Categorie

Basisbedrag

Minimumbedrag

Maximumbedrag

1

€ 10 000,–

€ 0,–

€ 10 000,–

2

€ 500 000,–

€ 0,–

€ 1 000 000,–

3

€ 2 500 000,–

€ 0,–

€ 5 000 000,–.

Lid 3

Ter uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen kunnen bij algemene maatregel van bestuur voor bij die maatregel aan te geven overtredingen de basis- en maximumbedragen van de tweede en derde categorie worden verhoogd, met dien verstande dat:

  1. het maximumbedrag van de boete voor een afzonderlijke overtreding van een voorschrift dat is gerangschikt in de tweede categorie wordt vastgesteld op € 2 500 000;

  2. het maximumbedrag van de boete voor een afzonderlijke overtreding van een voorschrift dat is gerangschikt in de derde categorie wordt vastgesteld op € 10 000 000, € 15 000 000 of € 20 000 000;

  3. het basisbedrag voor een overtreding wordt vastgesteld op de helft van het maximumbedrag voor die overtreding.

Lid 4

Indien ten tijde van het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding, bedraagt de bestuurlijke boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste tweemaal het ingevolge het tweede of derde lid toepasselijke maximumbedrag.

Artikel 1:82

Lid 1

In afwijking van artikel 1:81 bedraagt de bestuurlijke boete voor een afzonderlijke overtreding van een voorschrift gerangschikt in de derde categorie ten hoogste 10% van de netto-omzet van de overtreder in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarmee de bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien dit meer is dan het ingevolge artikel 1:81, tweede, derde of vierde lid, toepasselijke maximumbedrag.

Lid 2

Ter uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen kan bij algemene maatregel van bestuur voor bij die maatregel aan te geven overtredingen:

  1. het percentage bedoeld in het eerste lid worden verhoogd tot 15%;

  2. worden bepaald dat voor een overtreding van een voorschrift gerangschikt in de tweede categorie een boete kan worden opgelegd van ten hoogste 5% van de netto-omzet van de overtreder in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarmee de bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien dit meer is dan tweemaal het ingevolge artikel 1:81, tweede of derde lid, toepasselijke maximumbedrag.

Lid 3

Indien de bestuurlijke boete wordt opgelegd aan een onderneming die opgenomen is in een groep met een geconsolideerde jaarrekening, worden bij de berekening van de netto-omzet de totaalbedragen gehanteerd uit de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijke moederonderneming.

Artikel 1:83

In afwijking van artikel 1:81 of 1:82 kan de toezichthouder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste driemaal het bedrag van het voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen.

Artikel 1:84

Vervallen

Artikel 1:85

Lid 1

Indien tegen een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete bezwaar of beroep wordt aangetekend, schorst dit de verplichting tot betaling van de boete totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Lid 2

De schorsing van de verplichting tot betaling schorst niet de berekening van de wettelijke rente.

Artikel 1:86

Bij overtreding van van het gestelde in de artikelen 2:11, eerste lid, 3:5, eerste lid, 3:95, eerste lid, of 3:103, eerste lid, kan de toezichthouder of de Europese Centrale Bank, indien deze bevoegd is toezicht uit te oefenen op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht besluiten tot schorsing van de uitoefening van de stemrechten die verbonden zijn aan de deelneming in de bank of beleggingsonderneming door aandeelhouders of vennoten die voor de overtreding verantwoordelijk zijn. Het besluit tot oplegging regelt de duur van de schorsing.

Artikel 1:87

Lid 1

De toezichthouder of de Europese Centrale Bank, indien deze bevoegd is toezicht uit te oefenen op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, kan bij overtreding van een voorschrift dat op grond van artikel 1:81 beboetbaar is met een boete van de derde categorie, de overtreder of, indien de overtreding is begaan door een rechtspersoon, de natuurlijke personen die tot de betrokken gedraging opdracht hebben gegeven of daar feitelijk leiding aan hebben gegeven, de bevoegdheid ontzeggen om bij een datarapporteringsdienstverlener, beheerder als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel 6, van de verordening financiële benchmarks, financiële onderneming of marktexploitant bepaalde functies uit te oefenen.

Lid 2

Een ontzegging als bedoeld in het eerste lid kan, onverminderd het derde lid, worden opgelegd voor de duur van ten hoogste een jaar en eenmaal met ten hoogste een jaar worden verlengd.

Lid 3

Een ontzegging om bij een datarapporteringsdienstverlener, financiële onderneming of marktexploitant een functie als beleidsbepaler of medebeleidsbepaler uit te oefenen kan voor onbepaalde tijd worden opgelegd, indien ten tijde van het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert het opleggen aan betrokkene van een bestuurlijke sanctie ter zake van eenzelfde overtreding.

Lid 4

Bij algemene maatregel van bestuur kan, voor zover een verordening als bedoeld in artikel 1:24, derde lid, 1:25, derde lid, of 1:25a, tweede lid, daartoe verplicht, voor bij die maatregel aan te geven bepalingen worden bepaald dat een ontzegging als bedoeld in het eerste lid tevens betrekking kan hebben op de bevoegdheid om bij andere ondernemingen dan die, genoemd in het eerste lid, bepaalde functies uit te oefenen voor de termijn die de verordening voorschrijft. Indien een verordening geen termijn voorschrijft, zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1:88

Lid 1

De toezichthouder kan wegens overtreding van artikel 14 of artikel 15 van de verordening marktmisbruik een natuurlijk persoon tijdelijk de bevoegdheid ontzeggen om te handelen voor eigen rekening.

Lid 2

Een ontzegging als bedoeld in het eerste lid kan worden opgelegd voor de duur van ten hoogste een jaar en kan eenmaal met ten hoogste een jaar verlengd worden.

Artikel 1:88a

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitoefening van de bevoegdheden geregeld in dit hoofdstuk.