Afdeling 2.2.0. Uitoefenen van bedrijf van betaaldienstverlener
Wordt genoemd in:
Artikel 2:3a
Lid 1
Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van betaaldienstverlener.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank of voor het uitoefenen van het bedrijf van elektronischgeldinstelling een door de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben, voor zover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan betaaldiensten te verlenen.
Lid 3
Het eerste lid is niet van toepassing op elektronischgeldinstellingen die gevestigd zijn in een door Onze Minister aangewezen staat als bedoeld in artikel 2:10f, derde lid, en die voldoen aan de in artikel 2:10f, derde lid, bedoelde voorwaarden.
Artikel 2:3b
Lid 1
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen;
artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
artikel 3:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
artikel 3:16, eerste en tweede lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
artikel 3:29a, eerste lid, met betrekking tot het veiligstellen van ontvangen middelen uit betaaldiensten, voor zover van toepassing;
artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
artikel 3:57, eerste tot en met derde lid, met betrekking tot de solvabiliteit.
Lid 2
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, verleent de Nederlandsche Bank een vergunning uitsluitend indien de aanvrager aantoont dat hij ten minste een deel van zijn bedrijf zal uitoefenen in Nederland.
Lid 3
Indien de aanvraag een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling betreft waarin een gekwalificeerde deelneming wordt gehouden, verleent de Nederlandsche Bank, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, een vergunning uitsluitend indien de houder van de gekwalificeerde deelneming een verklaring van geen bezwaar overeenkomstig artikel 3:95, tweede lid, heeft aangevraagd, en de Nederlandsche Bank vaststelt dat voldaan is aan het bepaalde ingevolge de artikelen 3:99 tot en met 3:101 met betrekking tot de verklaring van geen bezwaar.
Lid 4
Indien de aanvrager voornemens is uitsluitend betaalinitiatiediensten te verlenen, is het eerste lid, onderdelen g en i, niet van toepassing.
Lid 5
Indien de aanvrager voornemens is uitsluitend rekeninginformatiediensten te verlenen, is het eerste lid, onderdelen g, h en i, niet van toepassing.
Lid 6
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
Lid 7
De Nederlandsche Bank beslist op de aanvraag binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen drie maanden na ontvangst van alle voor het nemen van de beslissing benodigde gegevens.
Lid 8
De artikelen 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht en 1:102, derde lid, zijn niet van toepassing.
Artikel 2:3c
Lid 1
Een betaalinstelling die voornemens is betaaldiensten te verlenen door tussenkomst van een betaaldienstagent, stelt de Nederlandsche Bank hiervan in kennis onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
Lid 2
De Nederlandsche Bank schrijft de betaaldienstagent in het register, bedoeld in artikel 1:107, indien zij de juistheid van de in het eerste lid bedoelde gegevens heeft kunnen vaststellen en informeert hierover de betaalinstelling binnen twee maanden na ontvangst van de gegevens. Indien de Nederlandsche Bank de juistheid van de gegevens niet heeft kunnen vaststellen brengt zij de betaalinstelling daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte. De betaalinstelling verleent niet eerder diensten door tussenkomst van een betaaldienstagent dan nadat deze is ingeschreven.
Lid 3
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland die door tussenkomst van een betaaldienstagent betaaldiensten verlenen.
Artikel 2:3d
Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 2:3a, eerste lid. Aan deze gehele of gedeeltelijke vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 2:3e
Lid 1
Een betaaldienstverlener met zetel in een andere lidstaat kan overgaan tot het verrichten van haar werkzaamheden vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door tussenkomst van een in Nederland werkzaam zijnde betaaldienstagent, dan wel door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, indien hij een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat daartoe verleende vergunning heeft.
Lid 2
Artikel 1:107, tweede lid, is niet van toepassing.
Lid 3
Indien een betaaldienstverlener met een zetel in een andere lidstaat voornemens is om vanuit een bijkantoor in Nederland of door middel van het verrichten van diensten, al dan niet door tussenkomst van een betaaldienstagent, in Nederland haar diensten aan te bieden, beoordeelt de Nederlandsche Bank aan de hand van de daarop betrekking hebbende gegevens binnen een maand na ontvangst van die gegevens van de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat of er sprake is van bedenkingen tegen toelating op de Nederlandse markt en stelt zij die instantie daarvan in kennis, met name indien het vermoeden bestaat dat met de voorgenomen vestiging van het bijkantoor of de inschakeling van de betaaldienstagent in strijd wordt gehandeld met wettelijke voorschriften, gesteld bij of krachtens de Wet voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
Lid 4
In geval van het voornemen om diensten aan te bieden door tussenkomst van een betaaldienstagent die zelf geen betaaldienstverlener is, is op de betaaldienstagent de betrouwbaarheidseis, bedoeld in artikel 3:9, van overeenkomstige toepassing.
Lid 5
Op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten wijst een betaaldienstverlener als bedoeld in het derde lid, met inachtneming van de krachtens artikel 29, vijfde lid, van de richtlijn betaaldiensten door de EBA vastgestelde technische reguleringsnormen een centraal contactpunt aan. Het centraal contactpunt draagt zorg voor het aanleveren van de door de Autoriteit Financiële Markten verzochte informatie met betrekking tot de naleving van de bij of krachtens het deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen gestelde regels.
Lid 6
Een betaaldienstverlener als bedoeld in het derde lid, overlegt op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten met inachtneming van de krachtens artikel 29, zesde lid, van de richtlijn betaaldiensten door de EBA vastgestelde technische reguleringsnormen een periodiek verslag over de in Nederland verrichte activiteiten. De Autoriteit Financiële Markten gebruikt het verslag uitsluitend voor informatieve en statistische doeleinden en voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens het deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen gestelde regels.
Artikel 2:3f
Lid 1
Het is een ieder met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden:
in Nederland het bedrijf van betaaldienstverlener uit te oefenen;
vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van betaaldienstverlener uit te oefenen in een andere lidstaat.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben, voor zover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan betaaldiensten te verlenen.