Afdeling 2.2.0a. Uitoefenen van het bedrijf van bewaarder

Wordt genoemd in:

Artikel 2:3g

Lid 1

Het is verboden zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning in Nederland het bedrijf van bewaarder uit te oefenen.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen:

  1. waaraan voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 is verleend of waaraan het ingevolge paragraaf 2.2.2.2 is toegestaan in Nederland het bedrijf van bank uit te oefenen, voor zover het ingevolge de vergunning is toegestaan de werkzaamheden bewaarneming en beheer van effecten te verrichten;

  2. waaraan voor het uitoefenen van het bedrijf van beleggingsonderneming een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend of waaraan het ingevolge paragraaf 2.2.12.2 is toegestaan in Nederland beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten, voor zover:

    1. de beleggingsonderneming beschikt over een minimum eigen vermogen als bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten;

    2. voldoet aan hoofdstuk 1 van deel 3 van de verordening kapitaalvereisten; en

    3. het ingevolge de vergunning is toegestaan de nevendienst bewaring en beheer van financiële instrumenten voor rekening van cliënten, met inbegrip van bewaarneming en daarmee samenhangende diensten zoals contanten- of zekerhedenbeheer te verrichten.

Artikel 2:3h

Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 2:3g, eerste lid.

Artikel 2:3i

Lid 1

De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van bewaarder indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:

  1. artikel 4:9, eerste lid, met betrekking tot de geschiktheid en vakbekwaamheid van de in dat artikel bedoelde personen;

  2. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;

  3. artikel 4:11, eerste en derde lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;

  4. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;

  5. artikel 4:14, eerste en tweede lid, onderdelen a en b, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

  6. artikel 4:62na met betrekking tot het minimaal aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt; en

  7. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen.

Lid 2

De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.