Afdeling 3.5.7. Beleggingsbeginselen en beleggingsbeleid van premiepensioeninstellingen

Artikel 3:267a

Lid 1

Een premiepensioeninstelling met zetel in Nederland stelt voor elke door haar uit te voeren pensioenregeling een verklaring inzake de beleggingsbeginselen op en actualiseert deze ten minste eens in de drie jaar. Deze verklaring omvat ten minste:

  1. de toegepaste wegingmethoden voor beleggingsrisico’s;

  2. de risicobeheerprocedures en de strategische allocatie van activa in het licht van de aard en de looptijd van de pensioenregelingen;

  3. een toelichting op overwegingen aangaande het milieu, maatschappelijk verantwoord ondernemen en behoorlijk bestuur.

Lid 2

De premiepensioeninstelling herziet de verklaring telkens onverwijld na een belangrijke wijziging van de beleggingsbeginselen.

Lid 3

De premiepensioeninstelling stelt de Nederlandsche Bank en de toezichthoudende instanties van de lidstaten waar zij vanuit een bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten haar bedrijf uitoefent, in kennis van de verklaring en van iedere wijziging daarvan.

Artikel 3:267b

Lid 1

Een premiepensioeninstelling voert een beleggingsbeleid dat in overeenstemming is met de prudent-person regel en met name gebaseerd is op de uitgangspunten die zijn vastgelegd in het tweede, derde en vierde lid.

Lid 2

Een premiepensioeninstelling met zetel in Nederland belegt haar activa uitsluitend in het belang van de pensioendeelnemers en de pensioengerechtigden, op zodanige wijze dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de beleggingen als geheel worden gewaarborgd.

Lid 3

Een premiepensioeninstelling belegt haar activa hoofdzakelijk in financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit of een daarmee vergelijkbaar systeem in een staat die geen lidstaat is.

Lid 4

Een premiepensioeninstelling gaat geen leningen aan als debiteur, met uitzondering van leningen voor liquiditeitsdoelstellingen, en staat niet voor derde partijen garant.

Lid 5

Het eerste, tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing bij uitvoering van een pensioenregeling die beheerst wordt door de sociale- en arbeidswetgeving van een staat die geen lidstaat is. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het beleggingsbeleid in deze situatie.

Lid 6

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste, tweede, derde en vierde lid.

Artikel 3:267c

Lid 1

Indien een premiepensioeninstelling met zetel in Nederland niet voldoet aan het ingevolge de artikelen 3:53, eerste, tweede en zesde lid, 3:57, eerste, tweede en zevende lid, of 3:267b bepaalde, kan de Nederlandsche Bank de vrije beschikking over de activa door de premiepensioeninstelling beperken of haar verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank daarover te beschikken.

Lid 2

Alvorens een besluit als bedoeld in het eerste lid te nemen, stelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar de premiepensioeninstelling een bijkantoor heeft of waarnaar zij diensten verricht, in kennis van haar voornemen.

Lid 3

De Nederlandsche Bank kan, indien zij een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen, de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar de premiepensioeninstelling een bijkantoor heeft of waarnaar zij diensten verricht, verzoeken overeenkomstige maatregelen te treffen ten aanzien van de in de betrokken lidstaten aanwezige waarden, onder opgave van die waarden.

Lid 4

De premiepensioeninstelling kan de ongeldigheid van een rechtshandeling, verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de wederpartij de maatregel kende of behoorde te kennen.

Lid 5

De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de premiepensioeninstelling weer voldoet aan het bepaalde ingevolge de in het eerste lid bedoelde artikelen.

Lid 6

De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instanties, bedoeld in het tweede lid, in kennis van een besluit als bedoeld in het eerste of vijfde lid.