Afdeling 3a.1.3. Besluit tot afwikkeling of tot afschrijving en omzetting kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva

Artikel 3a:17

Lid 1

De Nederlandsche Bank besluit onverwijld tot afschrijving en omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en de in het zesde lid bedoelde in aanmerking komende passiva van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2 die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, indien wordt voldaan aan een van de omstandigheden, bedoeld in artikel 59, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, met inachtneming van artikel 59, eerste lid, laatste alinea, eerste lid bis, en vierde tot en met zesde lid, van die richtlijn.

Lid 2

De bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in het zesde lid bedoelde in aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten kan als volgt worden uitgeoefend:

  1. zonder dat er een afwikkelingsmaatregel genomen wordt; of

  2. onmiddellijk voorafgaand aan of tegelijk met een afwikkelingsmaatregel, indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor afwikkeling, bedoeld in artikel 32, 32 bis of 33 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen en deze afwikkelingsmaatregel tot gevolg zou hebben dat schuldeisers verliezen lijden of dat hun vorderingen zouden worden omgezet.

Lid 3

Indien relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva indirect aan de af te wikkelen entiteit zijn uitgegeven via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, wordt de bevoegdheid om die relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten uitgeoefend samen met dezelfde bevoegdheid op het niveau van de moederonderneming van de betrokken entiteit of op het niveau van andere moederondernemingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn, teneinde de verliezen daadwerkelijk door te schuiven naar de af te wikkelen entiteit en de betrokken entiteit te herkapitaliseren door de af te wikkelen entiteit.

Lid 4

Voor de afschrijving en omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in het zesde lid bedoelde in aanmerking komende passiva van een entiteit die onderdeel is van een groep als bedoeld in het eerste lid, waarvan de Nederlandsche Bank niet de groepsafwikkelingsautoriteit is:

  1. dient het oordeel van de Nederlandsche Bank over de levensvatbaarheid van de groep in overeenstemming te zijn met het oordeel van de daartoe aangewezen autoriteit van de staat van de consoliderende toezichthouder, indien de entiteit een dochteronderneming is; en

  2. oordeelt uitsluitend de daartoe aangewezen autoriteit van de staat van de consoliderende toezichthouder over de levensvatbaarheid van de groep, indien de entiteit de moederonderneming is.

Lid 5

Ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt een waardering verricht, overeenkomstig artikel 36, eerste tot en met dertiende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, van de activa en passiva waarop de voorgenomen maatregelen bedoeld in het eerste lid zien.

Lid 6

De bevoegdheid om in aanmerking komende passiva onafhankelijk van afwikkelingsmaatregelen op grond van het eerste lid af te schrijven of om te zetten, kan alleen worden uitgeoefend met betrekking tot in aanmerking komende passiva die aan de in artikel 45 septies, tweede lid, onderdeel a, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bedoelde voorwaarden voldoen, met uitzondering van de voorwaarde die betrekking heeft op de resterende looptijd van passiva, bedoeld in artikel 72 quater, eerste lid, van de verordening kapitaalvereisten. Indien die bevoegdheid wordt uitgeoefend, is artikel 3A:20, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3a:18

Lid 1

De Nederlandsche Bank besluit tot afwikkeling van en het nemen van een afwikkelingsmaatregel voor een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b tot en met f, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, indien wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 32, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen met inachtneming van artikel 31 en 32, eerste lid, derde lid, vierde lid, eerste tot en met derde alinea, en vijfde lid, van die richtlijn.

Lid 2

De Nederlandsche Bank neemt artikel 33, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen in acht:

  1. bij een besluit als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot entiteiten van een groep als bedoeld in dat lid, waarvan een gemengde holding deel uitmaakt;

  2. ingeval een groep niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en de dochterinstellingen van een gemengde holding met zetel in Nederland direct of indirect in handen zijn van een financiële tussenholding.

Lid 3

De afwikkeling van een entiteit die onderdeel is van een groep als bedoeld in het eerste lid en waarvan de Nederlandsche Bank niet de groepsafwikkelingsautoriteit is, vindt plaats:

  1. met inachtneming van de procedurele vereisten in artikel 91, vierde en vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen; en

  2. overeenkomstig de groepsafwikkelingsregeling, bedoeld in artikel 91, zesde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tenzij het een dochteronderneming betreft en de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 91, achtste lid, of artikel 92, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen anders beslist.

Lid 4

Ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt een waardering verricht, overeenkomstig artikel 36, eerste tot en met dertiende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, van de activa en passiva van de entiteit.

Artikel 3a:18a

De Nederlandsche Bank kan besluiten tot afwikkeling en het nemen van een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 32 bis van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen van een centrale kredietinstelling en alle blijvend aangesloten banken die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep indien de af te wikkelen groep als geheel voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

Artikel 3a:18b

Indien de Nederlandsche Bank besluit tot afwikkeling van en het nemen van een afwikkelingsmaatregel voor een een entiteit waartoe zij op grond van artikel 7, derde lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme bevoegd is, welke andere entiteit deel uitmaakt van een groep waarvan ook een gemengde holding deel uitmaakt, is artikel 33, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3a:19

Lid 1

De Nederlandse Bank kan besluiten tot het toepassen van een afwikkelingsmaatregel, afschrijving en omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in artikel 3A:17, afdeling 3A.1.4 of artikel 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en tot een opschorting als bedoeld in paragraaf 3A.1.3.2 ten aanzien van een bijkantoor van een bank of beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is, indien wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 96 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

Lid 2

Ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt een waardering verricht, overeenkomstig artikel 36, eerste tot en met dertiende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, van de activa en passiva waarop de voorgenomen maatregelen bedoeld in het eerste lid zien.

Artikel 3a:20

Lid 1

Indien de Nederlandsche Bank een afwikkelingsmaatregel neemt, een besluit neemt als bedoeld in artikel 3A:17 of op basis van afdeling 3A.1.4, of een besluit neemt op grond van artikel 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, lijden de houders van kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten en schuldeisers van de entiteit in afwikkeling, geen grotere verliezen dan zij zouden hebben geleden indien de entiteit onmiddellijk voorafgaand aan dat besluit in een faillissement zou zijn geliquideerd.

Lid 2

Indien de Nederlandsche Bank ter uitvoering van een besluit als bedoeld in het eerste lid besluit tot overgang van gedeelten van de activa, rechten of passiva van de entiteit in afwikkeling, ontvangen de houders van kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten en de schuldeisers van wie vorderingen niet zijn overgegaan, onverminderd het eerste lid, ter voldoening van hun vorderingen ten minste evenveel als zij zouden hebben ontvangen indien de entiteit in afwikkeling onmiddellijk voorafgaand aan de overgang in een faillissement zou zijn geliquideerd.

Lid 3

Nadat de Nederlandsche Bank een besluit als bedoeld in de artikelen 3A:17, eerste lid, 3A:18, eerste lid, 3A:18a, 3A:18b, of 3A:19, eerste lid, heeft genomen, draagt zij er op zo kort mogelijke termijn zorg voor dat door een onafhankelijke persoon een waardering wordt verricht teneinde te verifiëren of aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid, is voldaan. Artikel 74 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen is van toepassing.

Lid 4

Indien uit de waardering bedoeld in het derde lid blijkt dat een houder van een kernkapitaalinstrument of eigendomsinstrument of een schuldeiser grotere verliezen heeft geleden dan zij zou hebben geleden, indien de entiteit onmiddellijk voorafgaand aan een besluit als bedoeld in het derde lid in een faillissement zou zijn geliquideerd, kent de Nederlandsche Bank een vergoeding toe ter hoogte van het verschil ten laste van het afwikkelingsfonds, bedoeld in artikel 3A:68.

Artikel 3a:20a

Met betrekking tot entiteiten, bedoeld in artikel 7, derde lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, beoordeelt de Nederlandsche Bank of is voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van die verordening en de in artikel 21, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en de in artikel 59, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bedoelde vaststellingen.

Artikel 3a:20aa

Het bestuur of de raad van commissarissen van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen a tot en met f, stellen de Nederlandsche Bank, of de Europese Centrale Bank indien dit volgt uit de artikelen 4, 5 en 6 van de verordening bankentoezicht, op de hoogte indien zij van oordeel zijn dat de bewuste entiteit faalt of waarschijnlijk gaat falen als bedoeld in artikel 32, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen met inachtneming van de ingevolge artikel 82, derde lid, van die richtlijn gestelde regels.

Artikel 3a:20b

Lid 1

Indien wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 33 bis, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, kan de Nederlandsche Bank een betalingsverplichting of leveringsverplichting, uit hoofde van elke overeenkomst waarbij een entiteit partij is, opschorten.

Lid 2

Indien de Nederlandsche Bank een betalingsverplichting of een leveringsverplichting opschort, worden ook de ingevolge die overeenkomst voor de wederpartij van de entiteit geldende betalingsverplichtingen en leveringsverplichtingen voor dezelfde periode opgeschort.

Lid 3

Indien tijdens de periode van opschorting uitvoering moet worden gegeven aan een betalingsverplichting of leveringsverplichting, is de betaling of levering onmiddellijk na het verstrijken van die periode opeisbaar.

Lid 4

Het eerste lid is niet van toepassing op betalingsverplichtingen en leveringsverplichtingen van een entiteit die reeds hebben geleid tot een gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren, of tot rechten en verplichtingen die voor de entiteit in afwikkeling als deelnemer ingevolge of in verband met zijn deelname aan het systeem zijn ontstaan, welke betalingsverplichtingen of leveringsverplichtingen bestaan jegens een:

  1. systeem of systeemexploitant als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel p, van de Faillissementswet;

  2. centrale tegenpartij waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van de EMIR-verordening;

  3. centrale tegenpartij uit een staat die geen lidstaat is die door de Europese Autoriteit voor effecten en markten is erkend overeenkomstig artikel 25 van de EMIR-verordening; of

  4. centrale bank.

Artikel 3a:20c

Lid 1

De Nederlandsche Bank bepaalt de duur van de opschorting.

Lid 2

De opschorting duurt vanaf het tijdstip van de bekendmaking van het besluit tot ten hoogste 00.00 uur Nederlandse tijd aan het einde van de werkdag volgend op die bekendmaking.

Lid 3

Onverminderd het tweede lid is de opschorting zo kort mogelijk en duurt deze niet langer dan de minimumperiode die de Nederlandsche Bank noodzakelijk acht om:

  1. te voorkomen dat de financiële toestand van de entiteit verder verslechtert;

  2. te komen tot de vaststelling of een afwikkelingsmaatregel in het algemeen belang als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk artikel 32, vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen is; of

  3. indien wordt besloten tot het toepassen van een afwikkelingsmaatregel:

    1. de passende afwikkelingsmaatregel te kiezen; of

    2. de doeltreffende toepassing van een of meer afwikkelingsmaatregelen te waarborgen.

Artikel 3a:20d

Lid 1

De Nederlandsche Bank betrekt bij haar afweging of zij tot opschorting besluit in ieder geval:

  1. de gevolgen die de opschorting kan hebben voor het ordelijk functioneren van de financiële markten; en

  2. de rechten van de schuldeisers die zij zouden hebben gehad indien de entiteit onmiddellijk voorafgaand aan een besluit als bedoeld in artikel 3A:20b, eerste lid, in een faillissement zou zijn geliquideerd.

Lid 2

De Nederlandsche Bank kan de opschorting beperken tot bepaalde betalings- en leveringsverplichtingen, inclusief betalingsverplichtingen voortvloeiend uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 4, van de richtlijn depositogarantiestelsels.

Lid 3

De Nederlandsche Bank schort betalingsverplichtingen of leveringsverplichtingen die voortvloeien uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in het tweede lid, in het bijzonder betalingsverplichtingen of leveringsverplichtingen die voortvloeien uit gedekte deposito’s van natuurlijke personen en micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen, slechts dan op wanneer dat gepast is als bedoeld in artikel 33 bis, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

Lid 4

Indien de Nederlandsche Bank betalingsverplichtingen voortvloeiend uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in het tweede lid opschort, stelt zij een passend bedrag per dag vast waar depositohouders toegang tot hebben.

Artikel 3a:20e

Lid 1

Wanneer de Nederlandsche Bank besluit tot opschorting van betalingsverplichtingen en leveringsverplichtingen, kan zij tevens, voor dezelfde duur als die waarvoor zij de betalingsverplichtingen en leveringsverplichtingen opschort:

  1. de bevoegdheden van de schuldeisers van de entiteit tot verhaal op aan de entiteit toebehorende activa beperken; en

  2. de aan een derde toebehorende bevoegdheid tot beëindiging van een overeenkomst met de entiteit opschorten.

Lid 2

Artikel 3A:53, tweede lid, onderscheidenlijk 3A:54, tweede en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.